Open de stad

Drie jaar na het tekenen van de vrede van Dayton, staat de terugkeer van vluchtelingen in het voormalig Joegoslavië nog altijd op een laag pitje. Het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) duwt en trekt om de terugkeer op gang te krijgen, én om uitwassen te voorkomen. Cijfers en indrukken van een mislukte volksverhuizing.

Elke morgen doet de Bosnische-Serviër Branko M. het raam open van zijn tijdelijke woning in de oude binnenstad van Sarajevo. Hij kijkt naar buiten en ziet zijn eigen huis, dat aan de overkant van de straat ligt. Het huis van drie verdiepingen staat fier overeind, al zou het een kwastje verf kunnen gebruiken. In 1994 heeft Branko dat huis verlaten, en vluchtte hij naar Zweden. In de twee jaar dat hij inmiddels terug is, voert hij een moeizame strijd om zijn huis terug te krijgen.

Er woont nu een moslimfamilie in zijn huis die in de oorlog verjaagd is uit Cajnice, in het oosten van Bosnië. De familie maakte dankbaar gebruik van de leegstaande woning en de spullen van Branko, maar is niet van plan weg te gaan zolang er geen uitzicht is op beter onderdak. Cajnice ligt nu in het territorium van de Bosnische Serviërs, die terugkerende moslims zonder meer zouden verjagen.

“De moslims hebben mijn deur geforceerd en zijn in mijn woning getrokken. Toen ik ze laatst opzocht mocht ik even rondkijken en enkele persoonlijke dingetjes meenemen,” vertelt Branko. Hij is zelf in de woning getrokken van een neef, die naar Kroatië is gegaan. “Elke dag zie ik mijn eigen wasgoed drogen op het balkon van mijn eigen appartement.”

Branko is een van de 130 000 Serviërs die Sarajevo tijdens de oorlog hebben verlaten. Slechts en deel van hen durft het aan weer in Sarajevo te gaan wonen, de hoofstad van Bosnië-Herzegovina. Ooit was het een multi-etnische stad, maar nu is het een mono-etnisch bolwerk dat voor 90 procent door moslims wordt bewoond.

Zo'n 6000 Serviërs zijn erin geslaagd zich opnieuw in Sarajevo te vestigen. Ongeveer 30 0000 anderen hebben de autoriteiten gevraagd of ze terug mogen keren maar het stadsbestuur doet er alles aan om de Serviërs te weren. Formeel omdat de stad van 400 000 inwoners overvol is door de komst van meer dan 100 000 vluchtelingen. Maar in feite zijn de Bosnische Serviërs gewoon niet welkom, omdat ze nog altijd als de aanstichters van de oorlog worden gezien. Bovendien is het voor de autoriteiten van Sarajevo gemakkelijk om naar de tegenpartij te wijzen: “Zolang onze moslimvluchtelingen niet terug mogen naar de Republika Srpska, is er bij ons geen plek voor die van jullie.”

Het weren van minderheidsgroepen geschiedt nog vrijwel overal in Bosnië-Herzogovina. Als er geen geweld wordt gebruikt zijn er de pesterijen. Van de absurde bureacratische regels om de oud-inwoners te weren is de 'oorlogsbelasting' het beruchtst. Wie tijdens de oorlog naar het buitenland is gevlucht, wordt bij terugkeer niet alleen met de nek aangekeken maar moet ook met grof geld alsnog zijn solidariteit betuigen met de achterblijvenden. Ambtenaren van de burgerlijke stand en herhuisvesting gaan er daarbij zonder meer vanuit dat asielzoekers die uit West-Europa terugkeren de zakken vol hebben.

Het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) duwt en trekt om de terugkeer van vluchtelingen op gang te krijgen, én om uitwassen te voorkomen.

1998 is al herhaaldelijk uitgeroepen als hét jaar waarin de terugkeer van vluchtelingen op grote schaal op gang zou komen. Maar drie jaar na het tekenen van de vrede van Dayton staat de terugkeer nog altijd op een laag pitje. In 1997 is een project om 1000 woningen in Sarajevo te herbouwen stilgelegd, omdat de lokale overheid weigerde 25 Servische families terug te laten keren. Begin dit jaar nog is Sarajevo gedreigd met financiële sancties, als de stad zich niet co"peratiever opstelt.

Duitse politici roepen om het hardst dat van de 300 000 vluchtelingen die ooit bij hen asiel zochten er zo'n 200 000 vrijwillig zijn vertrokken. Honderdduizend in 1997 en nog eens honderdduizend in 1998. De rest zal, desnoods gedwongen, spoedig moeten volgen. Oud-minister Kinkel van buitenlandse zaken: “We hebben genoeg gedaan, we kunnen niet alle leed van de wereld op onze schouders nemen.”

Vluchtelingenorganisaties zetten grote vraagtekens bij de vrijwilligheid waarmee de Bosniërs vertrekken. Er is eenvoudig geen andere optie dan te gaan. Want anders volgt gedwongen uitzetting, of de sores van de illegaliteit. De pers maakt melding van een soort razzia's in wijken waar veel buitenlanders wonen. Er worden vergissingen gemeld, waarbij oude mensen of zieke kinderen die nog mochten blijven toch op het vliegtuig zijn gezet.

De cijfers, waar vooral rechtse politici mee pronken, lijken echter nogal overtrokken. Het kan verkiezingsretoriek zijn, of een gevolg van telfouten (in Duitsland zijn de deelstaten verantwoordelijk voor het asielbeleid), maar de grote aantallen vertrekkende Bosniërs uit Duitsland zijn niet terug te vinden in Bosnië. In de eerste zes maanden van dit jaar telde de UNHCR zo'n 10 000 terugkerenden. In de zomer, toen de kinderen van school kwamen is het harder gegaan, maar of de 100 000 dit jaar worden gehaald is twijfelachtig. De overige 'Duitse' Bosniërs moeten in Kroatië, Servië zitten, of illegaal in Amerika of Europa verblijven.

De 'Duitse' Bosniërs waren voor driekwart moslims, verjaagd uit de Republika Srpska, het gebiedsdeel van de Bosnische Serviërs.

Hoewel de 'vrijwillige' terugkeer alleen bedoeld was voor hen die daadwerkelijk naar huis konden, is de meerderheid van de tienduizenden asielzoekers uit Duitsland die zijn teruggekeerd naar Bosnië, niet naar de oorspronkelijke woning gegaan. Ze zijn naar de Federatie getrokken, naar grote steden in het moslimgebied, Sarajevo, Zenica, Bihac maar vooral naar Tuzla, relatief de veiligste stad in Bosnië-Herzegovina.

Tuzla, een industriestad met 120 000 inwoners, telde begin dit jaar al 40 000 vluchtelingen, die in Bosnië zijn gebleven, maar niet naar hun oude huizen konden. Deze zomer zijn daar nog eens 40 000 asielzoekers uit Duitsland bijgekomen, die allemaal op zoek zijn naar onderdak en aankloppen bij hulpverleners voor werk, medicijnen en levensmiddelen. De UNHCR ziet daarmee de voorspelling uitkomen dat de gehaaste en in feite onvrijwillige terugkeer van asielzoekers uit Duitsland grote problemen in Bosnië veroorzaakt. De mensen kunnen niet naar hun oorspronkelijke huis, nemen woningen in bezit die niet van hen zijn en verhinderen zo de terugkeer van anderen.

Ariane Quentier van UNHCR: “Het is niet zo dat de mensen op straat moeten leven, maar daar is alles mee gezegd. Het gebied staat onder zware druk en kan er geen mensen meer bijhebben. De schaarste op de woningmarkt is enorm.”

Wie uit Duitsland vertrekt krijgt wel een bedrag mee om de eerste maand kunnen overleven. Daarna zijn de terugkerenden op zichzelf aangewezen, in een land waar vrijwel geen werk is. Of de Duitse overheid hen volgt is niet zeker, maar het lijkt er niet op. De Deense overheid deed dat wel. Uit onderzoek is gebleken dat 85 procent van de vluchtelingen die vanuit Denemarken terugkeerden, na driekwart jaar nog in het geheel geen middelen van bestaan heeft gevonden. De terugkerenden voegen zich zo bij de omstreeks 800 000 kansloze paupers die Bosnië nu telt.

Tuzla heeft een naam op te houden van een tolerante stad, die ook in de oorlog serieus probeerde multi-etnisch te blijven. Moslims, Serviërs en Kroaten gingen redelijk met elkaar om. In die zin stond de stad model voor wat De UNHCR nu 'open cities' noemt: steden die open staan voor terugkerende vluchtelingen, ook voor minderheden die terugkeren in vijandig gebied. Steden die aan de strikte voorwaarden van de UNHCR voldoen krijgen veel geld voor de wederopbouw.

De aanpak van de open steden is bedoeld als een stimulans voor andere steden, maar de autoriteiten staan niet in de rij. De UNHCR zegt er ook niet op uit te zijn een lange lijst open steden te creëren. Ariane Quentier van UNHCR: “Het moet geen lege huls worden. De steden moeten aan zware eisen voldoen, en ze worden over een langere periode geobserveerd.” Om aan te tonen dat het predikaat 'open stad' geen wassen neus is, heeft de UNHCR in oktober het stadje Vogosca geschrapt van de lijst. Dat gebeurde na een reeks incidenten en waarschuwingen. Zo werd een delegatie Serviërs, die alleen nog maar kwamen praten over een mogelijke terugkeer, met stenen bekogeld.

De autoriteiten in de open steden moeten de politieke wil tonen om een multi-etnische stad te blijven of te worden. Alle inwoners moeten gelijke kansen op werk en op huisvesting krijgen en zich vrij kunnen bewegen. Er moeten aantoonbaar relevante aantallen minderheden terugkeren in de stad. De mensenrechten moeten gerespecteerd worden, er moet vrije pers zijn en de politie moet onpartijdig zijn.

Er zijn nu veertien open steden. Tien daarvan liggen in de Federatie van moslims en Kroaten: Bihac, Busovaca, Gorazde, Kakanj, Konjic, Ilidza, Travnik, Zavidovici, Tuzla en Zenica. Hoewel de spanningen in het centrale deel van Bosnië, waar moslims en Kroaten wonen, hoog kunnen oplopen, wil de Federatie zich graag netjes gedragen. De grote geldstroom voor de wederopbouw is immers daaraan gerelateerd.

Opmerkelijker is het dat in Bosnisch Servisch gebied nu ook vier open steden zijn: Laktasi, Mrkonic Grad, Srbac en Sipovo. In de Republika Srpska is de etnische haat het sterkst en het verzet tegen terugkeer van moslims militant, maar onder druk van de internationale gemeenschap draaien ook hier de autoriteiten bij. Ze willen evenals de Federatie in aanmerking komen voor hulp bij de wederopbouw. Vooral rondom Banja Luka in het noordwesten zitten lokale bestuurders die zich pragmatisch opstellen en hun verlangens naar een Groot-Servië op een laag pitje zetten in ruil voor Europese en Amerikaanse valuta.

In het oosten is de sfeer grimmiger. Daar zorgen de aanhangers van de voor oorlogsmisdaden gezochte Radovan Karadzic ervoor dat er geen 'open steden' komen. De vraag is hoe de dooi zich zal ontwikkelen nu de radikalen, na de laatste verkiezingen in september, weer de overhand hebben gekregen met de uitverkiezing van Nikola Poplasen tot president. Veel zal afhangen van de doortastendheid en het uithoudingsvermogen van de Hoge Vertegenwoordiger Carlos Westendorp die namens de internationale gemeenschap vrijwel alle touwtjes in handen heeft. Westendorp heeft gezegd bij obstructie de geldkraan te zullen dichtdraaien. En daar zijn ook Serviërs gevoelig voor.

In veel opzichten is de situatie in de open steden goed te noemen, maar er zijn bedenkingen. Politici doen zich beter voor dan zij zijn zodra er met geld gestrooid wordt. Bovendien kunnen bestuurders in de open steden ook geen ijzer met handen breken. Er zijn gewoon te weinig huizen en banen om vluchtelingen een menswaardig bestaan te geven.

De terugkeer binnen Bosnië zelf verloopt dan ook moeizaam. Dit jaar zouden omstreeks 33 000 personen terugkeren naar huis, maar dat cijfer is boterzacht: wie één keer, onder begeleiding van de UNHCR, is gaan kijken naar zijn oude huis wordt al meegeteld.

Eigenlijk zit de zaak muurvast. Serviërs in de Republika Srpska weigeren moslims en de autoriteiten in de Federatie van moslims en Kroaten weigeren de terugkeer van Serviërs. En Kroaten in West-Mostar of Vitez, in het westen van Bosnië-Herzegovina weren zowel de Serviërs als de moslims. Niet alleen uit onwil en vijandschap. Zestig procent van de huizen in Bosnië is vernietigd en nieuwbouw en renovatie komen langzaam op gang. Elk huis met een dak erop en ramen erin is al in gebruik. Bij terugkeer zouden ingewikkelde afspraken over de huizenruil moeten worden gemaakt, zoals bij het uitwisselen van krijgsgevangen: gelijk oversteken. In een sfeer van wederzijds wantrouwen wil dat nogal eens misgaan.

Een terugkeerprogramma van 1500 Serviërs in Drvar (in het westen van Bosnië bij de grens met Kroatie) is op een echec uitgelopen. Op een vrijdag in april ontstond al een verhit sfeertje, omdat opgewonden Kroaten het niet pikten dat er Serviërs terugkeerden. De Kroaten hadden de Serviërs toch niet voor niets met een groot offensief aan het eind van de oorlog in 1995 uit de streek verdreven? Nadat enkele nieuwe huizen in brand waren gestoken vluchtten de eerste Serviërs terug naar de Republika Srpska. Op zaterdagavond was de zaak zo uit de hand gelopen, dat de hele groep Serviërs het stadje moest verlaten, met bussen van de UNHCR en onder begeleiding van Sfor-troepen.

Het is jammer voor de brave UNHCR, die graag goed nieuws meldt, maar de situatie Drvar is geen uitzondering.

Drie jaar na Dayton is er veel bereikt. De wapens zwijgen, maar belangrijke doelen als vrij verkeer van personen en terugkeer van vluchtelingen zijn niet gehaald. Laat staan de opbouw van één economie. Terugkeer is mondjesmaat mogelijk, de ontwikkeling van 'Open steden' geeft hoop. Maar de terugkeer van grote aantallen vluchtelingen naar een land dat geen werk en geen huizen heeft doorkruist de lokale integratie. De problemen nemen daarmee alleen maar toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden