Open brief van Piet Hein Donner aan Bart Jan Spruyt

„Mensen vanwege hun geloof of overtuiging op voorhand uitsluiten van het democratisch proces, is een oplossing van ’bange’ mensen. We maken de gevaren waar ze bang voor zijn alleen maar groter als we denken dat we het verschijnsel met de strafwet en uitsluiting kunnen bestrijden. Ook dat is een vorm van geweld, en geweld roept geweld op.’’ Minister Donner antwoordt Bart Jan Spruyt die hem vorige week verweet ruimte te bieden aan een geloof – namelijk dat van orthodoxe, salafistische moslims – dat zelf geen enkele ruimte geeft aan andersdenkenden.

’Christenen zijn in Nederland in belangrijke mate een probleem geworden. Want het probleem (*) ligt (*) bij die mensen die iedere week of regelmatig een kerkdienst bezoeken, maar in de praktijk aan een naïef multiculturalisme ten slachtoffer zijn gevallen.’ Zo besluit u uw open brief aan mij, die vorige week op deze plaats werd afgedrukt met het verzoek om te reageren. Ook na lezing en herlezing zie ik het verband niet. Is ’naïef multiculturalisme’ naar uw mening beperkt tot christenen, of is het alleen bij christenen een probleem, of wordt van christenen meer verwacht dan van anderen? Want als het dat niet is, bedoelt u vermoedelijk dat ’naïef multiculturalisme’ een probleem is – bij wie dan ook. De strekking van uw conclusie is dus niet duidelijk, maar ik reageer graag – het kabinet moet terughoudend zijn dus ik heb tijd over.

In uw brief zegt u eerst vele vriendelijke dingen in mijn richting. Dank daarvoor; ik weet niet of ze verdiend zijn, maar het is prettig om te horen. U heeft evenwel een appeltje met mij te schillen. U bespeurt in mij een gevaarlijke naïviteit aangezien ik meen dat gelijkwaardigheid van levensbeschouwingen uitgangspunt zou zijn van duurzaam samenleven; omdat ik stel dat de overheid niet heeft te regeren over de ’consciëntie’ van de burgers, en omdat ik het democratisch debat niet wil beperken tot wie het met de uitgangspunten daarvan eens is. In uw conclusie stelt u naïef multiculturalisme – waar u mij van verdenkt – tegenover ’mensen die de grenzen van onze democratische orde – het resultaat van het westers beschavingsproces – willen bewaken’.

In de beschrijving van mijn opvattingen herken ik mij goed, maar niet in de slotconclusie en de kritiek. Die conclusie berust op een foute gedachtegang en de kritiek op een verwarring van vragen. De conclusie dat christenen een probleem zijn geworden, berust op de gedachtegang: Donner is een christen, Donner heeft een foute mening, dus christenen hebben foute meningen. Dat is zoals: een koe heeft vier poten, een koe is een beest, dus een beest met vier poten is een koe. Het is een drogredenering die helaas vaker voorkomt, zoals: er zijn gewelddadige en onverdraagzame mensen, die beroepen zich voor hun daden op de islam, dus zijn de islam en alle islamieten gewelddadig en onverdraagzaam. Ik neem aan dat we het eens kunnen zijn dat dit geen vruchtbare argumentatie is.

U stelt, als ik het goed zie, dat meningen, godsdiensten en politieke opvattingen die onverdraagzaamheid en verwerping van democratische beginselen prediken, niet gelijkwaardig behandeld moeten worden, maar van onze vrijheden en democratie zouden moeten worden uitgesloten. Dat is een opvatting. U richt uw ’pijlen’ echter op opmerkingen die ik maakte in een betoog over de plaats van geloof en religie in het openbare leven. Dat is enigszins verwarrend want het betreft heel verschillende vragen, te weten: Wat is de plaats van geloof en religie in de samenleving? Zijn alle opvattingen gelijkwaardig? Moeten staat en overheid opvattingen die de fundamenten van de democratische samenleving ontkennen, uitsluiten van het maatschappelijk debat? De laatste vragen staan zelfs geheel los van de discussie over religie.

De verwarring is ongetwijfeld mijn fout omdat ik onduidelijk was. Laat ik daarom proberen de verschillende elementen beter uiteen te zetten. In Christen Democratische Verkenningen heb ik inderdaad betoogd dat alle politiek hande-len berust op geloof, dat wil zeggen op een visie omtrent mens, natuur en samenleving, welke uitgaat van waarheden die we niet kunnen bewijzen maar voor waar aannemen. Bij sommigen zijn dat godsdienstige waarheden (religie); bij anderen filosofische uitgangspunten over mens, natuur of gemeenschap; bij nog weer anderen gaat het om wetenschappelijke zekerheden. Ieder van die benaderingen gaat evenwel uit van zekerheden die niet bewijsbaar zijn maar geloofd worden. De christen en moslim weten dat er een God is, de atheïst weet dat Hij er niet is; in beide gevallen berust dat weten echter op geloof. Wetenschap probeert de zintuiglijk waarneembare wereld redelijk te verklaren, maar of de hele werkelijkheid zintuiglijk waarneembaar is en zich redelijk laat verklaren kan niet bewezen worden maar wordt geloofd. Laat ik dat verduidelijken. Stel u een wereld voor waarin mensen niet kunnen zien. Daarin verschijnt iemand die kan zien en die vertelt van kleur, licht en wolken; bewijzen kan hij dat alles niet, want daar moet men voor kunnen zien. Sommigen zullen die ’openbaring’ aanvaarden, anderen zullen zeggen dat het niet wetenschappelijk bewezen en dus niet waar is. Is er tegenstelling tussen openbaring/ godsdienst en wetenschap/ filosofie zoals u stelt? Ik meen van niet. Het gaat om de bewijsmiddelen die men accepteert.

Geloof – of het nu godsdienst, politieke opvatting, of maatschappelijke filosofie is – is wezenlijk voor het samenleven. Het verbindt mensen sterker dan wetten. Bovendien moet geloof in onderlinge gemeenschap beleefd en ontwikkeld worden. Maar men kan een samenleving niet bouwen op de eenheid van opvattingen en geloof. Het is geprobeerd. Absolute vorsten meenden de samenleving tegen andersdenkenden te moeten beschermen in het belang van de eenheid van de staat. Het heeft de meest vreselijke godsdienstoorlogen tot gevolg gehad. Willem van Oranje bracht daar in 1564 tegen in, dat overheden niet hebben te regeren over de consciëntie van hun onderdanen. Het heeft mede tot de Tachtigjarige Oorlog geleid. U als conservatief en behoeder van traditie zou toch samen met mij ten strijde moeten trekken tegen ieder die in de huidige tijd meent dat de samenleving door assimilatie en homogeniteit van politieke en levensbeschouwelijke opvatting bijeen moet worden gehouden.

Vandaar mijn opvatting dat overheden niet hebben te regeren over het geloof en de diepste overtuigingen van hun onderdanen, en dat de samenleving onvermijdelijk op levensbeschouwelijke diversiteit berust. Geloof is niet iets wat men aflegt omdat anderen menen dat dit moet of omdat een meerderheid heeft besloten dat het niet mag. Geloof is meer dan het hebben van een mening; het behoort tot iemands identiteit, tot wat men is en waar men voor staat. Vandaar dat ik erop wees dat voor de meeste geloven geldt, wat voor christenen geldt: ’Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen.’ Dat komt u voor als gevaarlijk multicultureel extremisme. Hoe heb ik het nu? Die door u zo gewaardeerde joods-christelijke traditie berust op dat uitgangspunt. Op mensen als Galileo, Copernicus, Semmelweiss en talloze anderen die hun eigen overtuiging trouw waren tegen heersende meningen in; op mensen die Gode meer gehoorzaam waren dan de leer van de kerk (Franciscus van Assisi, Luther); op mensen die hun eigen overtuiging en bewogenheid meer trouw waren dan de overheden en machten van het moment, en zo maatschappelijke verbeteringen bewerkten. Het was wat mensen tot verzet bracht tegen de Duitse bezetter, ook als dit het eigen leven kostte. Het is de essentie van de hedendaagse moderne cultuur: jezelf zijn, je eigen ding doen, authentiek zijn. Erkenning van dergelijke ’hogere’ plichten, is ook verweven met onze rechtsorde. Men mag weliswaar niet zelf bepalen of men zich aan de wet houdt of niet, maar de wetgever schept waar mogelijk afwijkingsmogelijkheden als er diep gevoelde overtuigingen in het geding zijn. (Bijvoorbeeld bij de erkenning van gewetensbezwaren bij dienst-, inentings- en verzekeringsplicht). Wordt de rechtsorde niet structureel begrensd door godsdienstvrijheid, meningsvrijheid en vrijheid van drukpers.

Het uitgangspunt ’men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen’, mits ruim begrepen, is dus niet een radicaal standpunt van iemand die mede vanuit zijn geloof in het publieke leven staat. Het is een, zoniet de kernwaarde van wat u de joods-christelijke traditie noemt en wat ik veeleer zie als verworvenheid van de Middeleeuwen. Overal waar het anders was – waar mensen en overheden wel konden regeren over geloof, overtuiging en geestelijke ontwikkeling –, ziet men culturen die zich afsluiten van de buitenwereld en waar de ontwikkeling tot stilstand komt; eerst geestelijk en vervolgens fysiek. Zo is het gegaan in Byzantium, China, Japan, het Ottomaanse rijk, de USSR. De enige cultuur die zich op eigen kracht heeft ontworsteld aan het proces van geestelijke afsluiting en stilstand, is de Europese cultuur in de Middeleeuwen. Dat was wel mede dankzij de islamitische cultuur, via welke klassieke filosofen bekend werden alsook de kennis van algebra, zonder welke de daaropvolgende wetenschappelijke ontwikkeling ondenkbaar zou zijn geweest.

Het is daarom zorgwekkend als bepleit wordt om ons af te sluiten en te isoleren voor geestelijke of politieke stromingen die als bedreiging ervaren worden. Le-vensbeschouwelijke pluriformiteit is een wezenskenmerk van onze samenleving en al helemaal in Nederland. Zeggen de Fransen niet terecht: ’één Nederlander dat is een geloof, twee Nederlanders dat is een kerk, drie Nederlanders dat is een kerkscheuring’. We zijn een volk van minderheden. Wat dat betreft, passen islamieten er goed bij; het zijn net gereformeerden, maar dan met een ander geloof. Is dat naïef multiculturalisme? Allerminst; ik besef ten volle dat die pluriformiteit in Nederland bestaat bij gratie van het besef dat we ’vandaag’ nooit zo ruzie mogen maken over verschillen en politiek, dat we ’morgen’ niet weer samen de dijk kunnen bewaken tegen het water dat ons allen bedreigt. Dat besef zijn we de laatste jaren kwijt aan het raken als gevolg van de wijze waarop we met verschillen omgaan. Wat bindt zal altijd sterker moeten zijn dan wat verdeelt en die binding zal moeten berusten op onderliggende gemeenschappelijke waarden en normen – ik zou liever zeggen maatschappelijke vanzelfsprekendheden over wie we zijn en de manier waarop we met elkaar omgaan.

Natuurlijk zijn al die levensbeschouwingen en maatschappelijke opvattingen niet gelijkwaardig. Sommige zijn beter, nuttiger of heilzamer dan andere, voor mensen, de samenleving of maatschappelijke ontwikkelingen. Sommige zijn geschikt om solidariteit, vrede en recht tussen mensen te versterken, terwijl andere verdeeldheid zaaien, geweld kweken of tot onderlinge uitsluiting en verwaarlozing leiden. Daarbij is niet het geloof, de opvatting of de ideologie bepalend of zij tot heil of schade is, maar de wijze waarop mensen ermee omgaan. Het christendom predikt naastenliefde, maar vraag niet hoeveel strijd, haat en tweedracht het ook heeft gebracht. Het communisme belooft gemeenschap, gelijkheid en broederschap maar vraag niet tot hoeveel geweld, onderdrukking en ongelijkheid het heeft geleid. Geloven en opvattingen doen elkaar geen geweld aan, maar mensen die geloven of overtuigd zijn. Geloven en opvattingen kunnen ’water en vuur’ zijn terwijl de volgelingen daarvan in vrede samenleven maar elkaar binnen de eigen stroming om het kleinste dogmatisch verschil bestrijden.

Welke opvattingen beter zijn en welke slecht zien mensen vaak heel goed, maar ze zien het alleen verschillend; hoe stelliger de eigen overtuiging des te scherper ziet men de gebreken in andere. Er is geen maatstaf. Ik hanteerde in het voorgaande het criterium of een opvatting heilzaam of schadelijk is voor mens en samenleving. Maar ieder acht zijn opvatting doorgaans heilzaam voor zichzelf en anderen. Ikzelf meen bijvoorbeeld dat geloof dat houvast vindt in een waarheid buiten de menselijke werkelijkheid meer oriëntatie biedt over waar we heengaan, dan een houvast in de dagelijkse werkelijkheid. Het is als wanneer u in een rijdende trein naar achteren loopt; in de trein loopt u in de richting vanwaar u vertrok, maar kijkt u naar buiten dan ziet u dat u in een andere richting beweegt. Maar mogelijk menen anderen dat een dergelijk houvast tot absolute zekerheden en onverdraagzaamheid leidt. Zelf suggereerde u in uw brief als criterium: of er in een opvatting nog ruimte bestaat voor andersdenkenden en voor democratische beginselen van wederzijds vertrouwen en besluitvorming bij meerderheid. Dat is een mogelijkheid, maar daaraan gemeten zou u zelf als eerste moeten worden uitgesloten van de democratie; u wilt geen ruimte laten voor andersdenkenden en noemt orthodoxe moslims, u vertrouwt ze niet en wilt zich op voorhand al niet neerleggen bij besluiten als zij de meerderheid zouden krijgen.

Mensen vanwege hun geloof, overtuiging of opvatting op voorhand uitsluiten van het democratisch proces, is geen oplossing. Het is een oplossing van ’bange’ mensen, die de gevaren waar ze bang voor zijn alleen maar groter maakt. Vergis u niet, we zullen waakzaam moeten zijn; de Europese samenleving behoeft bescherming; er zijn vele krachten die de fundamenten daarvan aantasten. Democratie is geen rustig bezit en het vergt moed. Als verantwoordelijke minister voor het bestrijden van terrorisme en radicalisering zie ik de gevaren misschien zelfs scherper. Maar ik zie ook dat we die alleen maar groter maken als we denken dat we het verschijnsel met de strafwet en uitsluiting kunnen bestrijden. Ook dat is een vorm van geweld, en geweld roept geweld op; gebruik van geweld kan nodig zijn, maar het biedt geen duurzame oplossing. Als we de vrijheid van godsdienst en meningsuiting van mensen met een bepaald geloof of opvatting gaan beperken en hen niet de bescherming van wet en democratische rechten bieden, dan zal dat het gevoel van uitsluiting en discriminatie verder voeden. Let wel, geloven of opvattingen kunnen nooit een rechtvaardiging vormen voor geweld en misdrijven. Waar opvattingen zelf een directe bedreiging opleveren (antisemitisme, haat zaaien) zal daartegen opgetreden moeten worden. Maar om dezelfde reden kan men mensen niet enkel vanwege hun overtuiging tot ’gevaar’ bestempelen; overtuigingen zijn doorgaans geen gevaar, maar mensen die ze voor hun doeleinden hanteren; die moet we bestrijden.

U wilt ’de grenzen van onze democratische orde – het resultaat van het westers beschavingsproces – bewaken’. Prachtig; ik ook. Maar Erasmus schreef al in de 16de eeuw in Turkenkrijg dat de oorlog ter bescherming van het christendom niet wordt gewonnen op het slagveld, maar door de alledaagse beleving daarvan en de praktische toepassing. Zo ook nu. Democratie is geen statische toestand die aan de grenzen beschermd wordt, maar een dynamisch proces dat door betrokkenheid en actieve participatie wordt beschermd. De uitkomst wordt niet op voorhand bepaald door verboden en geboden, maar door deel te nemen in het proces en dat te beïnvloeden. Waarden, beginselen en normen zijn uitkomst, geen input. Opvattingen die men als radicale minderheid had, zijn tegen de tijd dat men een meerderheid behaalt doorgaans aangepast en geïntegreerd. Vandaar: vraag niet bij radicale opvattingen hoe het moet als zij een meerderheid hebben. Als zij een meerderheid hebben, zijn ze niet meer radicaal. Politie en justitie zullen de westerse beschaving niet behouden. Dat gebeurt door de waarden daarvan actief te onderwijzen, dagelijks vorm te geven en in debat uit te dragen. Door onderlinge afhankelijkheid, betrokkenheid en binding tussen verschillende opvattingen en bevolkingsgroepen te versterken, zodat we bij ieder geschil meer verliezen dan winnen. Door het debat over verschillen van opvatting en geloof en de maatschappelijke waarde daarvan niet uit de weg te gaan, zonder dit op kwetsende en betweterige toon te voeren. Door als overheid ontwikkelingen die de samenleving versterken en binden, actief te stimuleren en te bevorderen, en andere af te remmen.

U wilt democratie en mensenrechten beschermen als resultaat van de westerse beschaving. Best, maar dan moet u ook erkennen dat het iets typisch Europees is waar we andere landen niet mee lastig mogen vallen. Maar indien we geloven dat die waarden goed zijn voor iedereen, dan beschermen we niet ons erfgoed, maar onze toekomst.

Er zijn drie alternatieven als het gaat om het beschermen van de democratie. Of we sluiten bepaalde personen uit, zoals vroeger onvermogenden geen kiesrecht hadden omdat zij niet verantwoord zouden kunnen kiezen. Of we bepalen, zoals de Turken, dat bepaalde democratische regels en rechten ook niet met gekwalificeerde meerderheid gewijzigd kunnen worden. Of we zullen vertrouwen moeten hebben in het democratisch proces zelf. Niet blindelings; er mag gestuurd worden, er moet beschermd worden en het vergt betrokkenheid van allen. Maar in beginsel heeft ieder toegang en mag ieder mee beslissen – zonder uitsluiting op voorhand. De eerste twee alternatieven zijn vormen van een democratie die zich weert, de laatste is naar mijn mening een weerbare democratie.

Ongetwijfeld zult u willen reageren. Dat is jammer, want ik ben voorlopig op vakantie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden