Open brief aan minister Piet Hein Donner

’Christenen zijn in Nederland in belangrijke mate een probleem geworden. Want het probleem, excellentie, ligt niet bij die mensen die de grenzen van onze democratische orde – het resultaat van het westerse beschavingsproces – willen bewaken, ook al zien zij zelden of nooit een kerk van binnen, maar bij die mensen die iedere week of regelmatig een kerkdienst bezoeken, maar in de praktijk aan een naïef multiculturalisme ten slachtoffer zijn gevallen.’ Bart Jan Spruyt verwijt minister Donner dat deze ruimte biedt aan een geloof dat de westerse samenleving hartgrondig afwijst en zelf geen enkele ruimte geeft aan andersdenkenden.

Excellentie!

U is mij niet onsympathiek. Als type doet u mij denken aan mensen als prof. Arie van Deursen van de Vrije Universiteit en de heer L. M. P. Scholten van de Gereformeerde Bijbelstichting – zij delen hun afkomst met u, begrijpen net zo min als u waarom je ooit van mening zou moeten veranderen of je anders zou moeten kleden dan je grootvader, en onderscheiden zich door een vergelijkbare intelligentie en briljant gevoel voor humor. Evenals u zien zij de werkelijkheid sub specie aeternitatis, en dat heeft mannenbroeders altijd geholpen bij het tot zijn ware proporties terugbrengen van al het aards gewemel. Als representant van een belangrijke familie uit het gereformeerde volksdeel bent u desondanks trots op uw positie en status. Tijdens een persconferentie in de periode van de formatie van het eerste kabinet-Balkenende droegen u en de toekomstige premier niet voor niets een das van de Vrije Universiteit. Ik zie u wel eens kaarsrecht op uw statige herenfiets door Den Haag pedelleren, en kan het op zulke momenten alleen maar betreuren dat u zich nooit eens tot uw recht hebt laten komen in de ideale setting van een uitzending van ’Barend & Van Dorp’.

Als minister bent u volgens mij een aanwinst voor de Nederlandse politiek. U bent de vleesgeworden degelijkheid en prudentie. Ik hoop niet dat u het zich herinnert, maar een jaar of tien geleden heb ik u eens geïnterviewd. Ik schreef een serie artikelen over ‘zelfstandige bestuursorganen’ en u was lid van de Raad van State en had er verstand van, naar men mij zei. Het was de eerste en enige keer dat ik na het stellen van de eerste vraag niet meer wist wat ik verder nog moest vragen of zeggen: ik wist er eigenlijk niet zoveel van, zo maakte u wat minzaam duidelijk.

Toen u eenmaal minister was en ik een apostel van het conservatisme in de Lage Landen, heb ik me menigmaal aan u geërgerd. Tijdens een debat over de rellen in de Diamantbuurt, bijvoorbeeld – waarbij het ging om Marokkaanse straatterreur tegen joodse en homoseksuele wijkgenoten – zei u dat het vroeger ook al wat was geweest. U was in die omgeving opgegroeid, en toen waren er ook al jongens die wel eens ‘kattenkwaad’ uithaalden en een steen door een ruit gooiden. Ik gromde dan ook instemmend toen Ayaan Hirsi Ali vaststelde dat u in uw naïviteit bewoner van het Land van Ooit bent. Maar wanneer u in de Tweede Kamer in het nauw leek te komen, had u vaak weer een goed verhaal, en bleken kamerleden veel feiten en juridische invalshoeken over het hoofd te hebben gezien – en in een positie tegenover u te zijn beland zoals ik toen als journalist. En toen de Kamer u onlangs wilde aansporen tot een experiment met de legalisering van wietteelt, stelde u vast dat de leden u wilden aanzetten tot het overtreden van de wet. Zij moesten dan maar op zoek naar een andere minister, die wat u betreft dan wel uit de ranken van ‘de penoze’ moest komen. Zulke zinnen maken dat men het volgen van een kamerdebat achteraf toch niet betreurt.

Toch heb ik een appeltje met u te schillen, als ik zo vrij mag zijn. Op een belangrijk punt vind ik u nog steeds naïef, en de vorm van naïviteit waaraan u laboreert, lijkt mij zelfs gevaarlijk. Ik heb het dan over uw multicultureel extremisme, zoals H. J. Schoo dat heeft genoemd (de Volkskrant, 8 april 2006). Bij de start van de nieuwbouw van de Westermoskee in Amsterdam, op 28 februari jl., zei u dat de staat niet over de consciëntie van zijn onderdanen (!) mag regeren en hen daarom niet de vrijheid van geloof en godsdienst mag ontnemen. ‘De staat wijkt in beginsel voor de implicaties van religie’, voegde u daaraan toe.

Hoe verregaand de conclusies zijn die u daaraan verbindt, werd vorige week duidelijk uit de brieven die u hebt gepubliceerd in het zomernummer (een themanummer over geloof en democratie) van Christen Democratische Verkenningen. Uw fans op de politieke redactie van deze krant zetten een van uw conclusies enkele dagen eerder al op de voorpagina: de overheid is er niet om de joods-christelijke traditie in bescherming te nemen.

Nieuwsgierig geworden ben ik de brieven gaan lezen, en tijdens die lectuur overviel me de bange gedachte dat u uw oeroude ‘beginsel’ van de ‘soevereiniteit in eigen kring’ (waarmee ik zeer sympathiseer) in de praktijk hebt laten verwateren tot een postmoderne gelijkstelling van alle verhalen, van welke gelovigen of ongelovigen dan ook.

Ook in die brieven staat overigens weer veel waarmee ik het eens ben. Uw reserves, bijvoorbeeld, tegen het gebruik van het woordenpaar ‘christelijke politiek’ deel ik, evenals uw kritiek op het heden ten dage vigerende onderscheid tussen ‘modern en achterlijk’ en op ‘het Verlichtingsideaal van individuele vrijheid en intellectuele autonomie dat bij gebrek aan weerstand geen oriëntatie meer biedt, maar ongebondenheid, ongebreideldheid en onmatigheid in de hand werkt’.

Ik bleef echter haken bij de zin waarin u de erkenning van de ‘gelijkwaardigheid tussen levensbeschouwelijke opvattingen’ bepleit. Iedereen gelooft, zo luidt uw stelling – Paul Cliteur net zo goed als u. En wanneer alle geloven elkaar nu maar als gelijkwaardig erkennen, en zolang moderne ‘gelovigen’ andere gelovigen nou maar niet voor ‘achterlijk’ uitmaken en godsdiensten niet alleen maar tegen heug en meug tolereren maar het recht op de vrijheid van godsdienst net zo enthousiast verdedigen als het recht op spot en kritiek, dan is ‘duurzaam samenleven’ mogelijk.

Iedereen heeft zijn ‘verhaal’, en iedereen moet alle andere verhalen als gelijkwaardig erkennen, en voor alle verhalen moet binnen de samenleving alle ruimte zijn – dat is de ene kant van uw boodschap. (Voor de duidelijkheid: ik ga er nu maar van uit, ook al schrijft u dat niet met zoveel woorden, dat u niet bedoelt dat iedere burger zijn eigen levensbeschouwing geen cent meer waard mag achten dan om het even welke andere, maar dat u vindt dat iedere burger de gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwingen tegenover de wet en de staat zou moeten erkennen.)

Tegelijk schrijft u dat ‘een consensus’ nodig is. Er moet een ‘basis van vertrouwen’ zijn, van ‘erkenning van en respect voor de verschillen’. Pas wanneer die ‘overeenstemming’ er is, ‘is het mogelijk om geschillen te beslechten, regels te handhaven en collectief te handelen’. U spreekt zelfs van een noodzakelijke ‘basis van gedeelde geloofsuitgangspunten’.

Nu wordt het lastig. Ik ben het helemaal met u eens dat een samenleving een ‘basis van vertrouwen’ nodig heeft. Plato sprak al, zoals u weet, van agraphoi nomoi die aan alle wetten voorafgaan en ook belangrijker zijn dan deze, omdat zij ‘de banden zijn die het gehele sociale raamwerk bij elkaar houden’. Maar ik geloof niet dat die basis kan bestaan uit de erkenning van de gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwelijke opvattingen. Ik ben het met u eens dat een democratie een open en voorlopige orde is, waarin niet één levensbeschouwing de andere mag overheersen. Het verzet daartegen is een anti-liberale reflex die wij delen. Maar daaruit volgt ook dat er binnen een democratie alleen ruimte kan zijn voor ‘verhalen’ die deze aard van de democratische orde erkennen. Maar sinds wij het Land van Ooit hebben verlaten, zijn er heel wat verhalen in omloop die een heel ander idee over de ideale ordening van de natuurlijke diversiteit in iedere samenleving hebben.

Er zijn er die helemaal geen ruimte willen voor andere verhalen. En toch wilt u ook aan dát verhaal alle ruimte bieden. (Anders had u in Amsterdam natuurlijk ook niet zo pontificaal verkondigd dat de staat moet wijken voor de implicaties van religie.) Het behoort tegenwoordig zelfs tot de goede toon om het salafisme als bondgenoot in de strijd tegen de radicalisering van islamitische jongeren te omhelzen. Terwijl iedereen weet dat juist deze orthodoxe, salafistische moslims de westerse samenleving hartgrondig afwijzen, en u zo een blauwdruk zouden kunnen geven van hoe het wel zou moeten. Maar dan komen we uit bij een samenleving waarin voor andersdenkenden geen ruimte meer zal zijn.

Nu het woord ‘westers’ is gevallen, kom ik op uw kritiek op degenen die ‘het hardst roepen dat de overheid het joods-christelijk karakter van Nederland zou moeten beschermen’. In hun handen wordt ‘het christelijk geloof een instrument om mensen uit te sluiten, en daarvoor was dat geloof nooit bedoeld’.

De kranten schreven dat u hier uw pijlen richt op politici als Bolkestein en Wilders. Maar ik ken niemand, maar dan ook helemaal niemand, die van mening is dat de overheid ‘het joods-christelijk karakter van Nederland’ moet beschermen. Ook voor genoemde heren geldt dat bij mijn beste weten niet. (Tussen haakjes: evenals die passage over de ‘gelijkwaardigheid tussen verschillende levensbeschouwelijke opvattingen’ is deze passage zo on-Donneriaans slordig geformuleerd, dat ik bijna ben gaan denken dat u de brieven niet zelf hebt geschreven.)

Ik ken wel mensen die van mening zijn dat onze beschaving het resultaat is van een discussie, een debat tussen de joods-christelijke en de klassiek-humanistische traditie. Die discussie heeft de vitaliteit van het Westen bepaald. Het belangrijkste punt van discussie betrof het zogenoemde politiek-theologisch probleem: de zelfstandigheid van politiek en filosofie tegenover het geloof in openbaring en de machtsaanspraken die van dat geloof uitgingen. Zoals bekend, heeft die discussie geresulteerd in de scheiding van kerk en staat (wat inderdaad iets geheel anders is dan de scheiding van publiek debat en welk geloof dan ook) en in een maatschappelijke ordening waarin de grenzen van rechten en vrijheden werden bepaald door ‘een consensus’, een basis van wederzijds vertrouwen, van erkenning en respect voor de verschillen. Maar u wilt ook alle ruimte laten aan een geloof dat deze consensus helemaal niet deelt, en dus (in zijn politiek-theologische uitwerking) ook geen deelgenoot is van die ‘basis van wederzijds vertrouwen’.

Waarom wilt u dat eigenlijk? Bent u zo bang voor een liberale aanslag op de door u gekoesterde diversiteit, dat u de idee van de soevereiniteit in eigen kring die die koestering bij u voedt, wilt laten ontaarden in een postmodern discours over gelijkwaardige verhalen, ook al stelt u de grenzen van de consensus daarmee zelf op het spel?

U schrijft enigszins raillerend dat die (vermeende) verdediging van het joods-christelijke karakter van Nederland tegenwoordig vooral afkomstig is van mensen die u er het minst van verdenkt ‘dat zij ooit, of regelmatig een kerk van binnen zien’. Toen ik die zin las, moest ik terugdenken aan die persconferentie en mijn uitzicht op uw VU-das, en moest ik tegelijkertijd denken aan het boekje In heilige roeping van de gereformeerde dominee J. C. Sikkel, dat u in de boekerij van uw vader of grootvader zult aantreffen. Sikkel sprak daarin zijn zorg uit over de emancipatie van de gereformeerden. Ze waren wel ‘knappe koppen’ geworden en hadden wel hoge posities behaald, maar dat had een schaduwzijde: ze waren ‘principieel verloren’. Je had eigenlijk niets meer aan ze.

Christenen zijn in Nederland in belangrijke mate een probleem geworden. Want het probleem, excellentie, ligt niet bij die mensen die de grenzen van onze democratische orde – het resultaat van het westerse beschavingsproces – willen bewaken, ook al zien zij zelden of nooit een kerk van binnen, maar bij die mensen die iedere week of regelmatig een kerkdienst bezoeken, maar in de praktijk aan een naïef multiculturalisme ten slachtoffer zijn gevallen.

Ik hoop dat ik u verkeerd heb begrepen, en vanuit die hoop heb ik naar het middel van de open brief gegrepen als uitnodiging aan u tot een glasheldere repliek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden