Sanatorium, van het Sint Jozefsheil in de jaren '50.

Essay Mishandeling

Op zoek naar het onheil dat de nonnen van Sint Jozefsheil aanrichtten, 6o jaar na dato

Sanatorium, van het Sint Jozefsheil in de jaren '50.

Zelden sprak haar vader over zijn ellende in het tbc-sanatorium, in de jaren vijftig. Inge Mutsaers zoekt naar het onheil dat de nonnen van Sint Jozefsheil hebben aangericht, ook in haar eigen karakter. 

Ruim zestig jaar na zijn ontslag als tbc-patiënt loopt mijn vader het terrein van het sanatorium Sint Jozefsheil op. Het is stil, op deze open plek tussen de eiken en sparren van de Bakelse bossen. Die stilte was 65 jaar geleden net zo oorverdovend, weet mijn vader.

Vier jaar lang heeft hij hier plat in bed gelegen. Vier jaar – van zijn vijfde tot zijn negende. Van zijn nek tot zijn voeten in het gips vanwege tuberculose aan zijn ruggewervel.

Toen dat er eindelijk af mocht kon hij zijn benen niet meer buigen. Liggend in bed oefende hij om zijn knie weer stukje bij beetje te bewegen. “Dat ging heel moeizaam en was pijnlijk. Eén van de nonnen vond het niet opschieten. Ze boog over mijn bed, pakte mijn been, zette haar gewicht in de strijd en wrong in een brute zwaai mijn knie tot negentig graden. Uitgeschreeuwd heb ik het. Tien zalen verderop hebben ze me horen schreeuwen. Wekenlang had ik een dikke knie. Dat gewricht is altijd zwak gebleven.”

Mishandeling

Bij ‘mishandeling’ door leden van de katholieke kerk denken mensen aan priesters die jongetjes misbruiken, of aan de meisjes van de Goede Herder die dwangarbeid verrichtten in wasserijen en naaiateliers van de zusterorde. Dat ook in het sanatoriumverblijf nonnen met harde hand regeerden, kort na de Tweede Wereldoorlog, is minder bekend.

Onlangs publiceerde de ‘Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg’ haar onderzoek naar geweld tegen minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen sinds de Tweede Wereldoorlog. De ervaringen van sanatoriumkinderen zijn daarin niet meegenomen. “Het is een vergeten groep, zo lijkt het”, zegt hoogleraar orthopedagogiek Carlo Schuengel van de Vrije Universiteit Amsterdam, die betrokken was bij het onderzoek.

Zelden of nooit sprak mijn vader over zijn tijd achter de hoge ramen van het Bakelse sanatorium Sint Jozefsheil, en de ‘Zusters van de Goddelijke Verlosser’ die hem verpleegden.

Geknecht

Soms lijkt het of het strenge sanatoriumregime hemzelf voor het leven heeft geknecht. Altijd heb ik me verbaasd over zijn onbewogenheid, sociale onhandigheid en deemoedigheid. De angst voor bestraffing ligt nog altijd dicht onder de oppervlakte. Meer dan zestig jaar na dato kost het veel moeite om hem mee te krijgen naar Bakel. “Die mensen die er nu werken, hebben toch niks met die nonnen te maken? Kunnen we niet een andere keer gaan?”, appt mijn vader nog de avond voor vertrek.

Toch wil ik erheen. Om zijn verhaal op te tekenen op de plek waar het allemaal gebeurde. Zijn ervaringen verdienen het om erkend te worden. Als deel van onze nationale geschiedenis. Voor mezelf is het bezoek een kans om zowel hem als ook mijzelf beter te begrijpen. In mijn werk ben ik nogal eens in conflictsituaties terechtgekomen als er naar mijn gevoel sprake was van onrecht. Het mantra van mijn vader luidt juist ‘hou je toch gedeisd’. Blijkbaar was dat voor hem de beste strategie in het sanatorium om zonder kleerscheuren de tijd door te komen. Daardoor heb ik nooit geleerd om op een gezonde manier met autoriteit om te gaan.

Ook had ik altijd het idee dat mijn eigen angsten – voor ziektes en de dood, voor andermans oordeel – van mijn moeder kwamen. Als dochter spiegelde ik me automatisch aan haar. In de loop der jaren ben ik gaan zien hoe angstig mijn vader is, en dat veel van mijn eigenschappen misschien wel een overblijfsel zijn van zijn geschiedenis.

Volksziekte

Tuberculose was vlak na de oorlog nog een volksziekte, door onder meer ondervoeding en gebrekkige woonvoorzieningen. Vooral kinderen jonger dan 15 jaar waren het slachtoffer. Ook in het Brabantse Sint Jozefsheil lagen vooral kinderen. Bij de opening in 1951 telde het sanatorium 170 bedden voor kinderen en tachtig voor volwassenen.

Het Sint Jozefsheil was een van ongeveer zestig sanatoria die volgden op de oprichting van het eerste Nederlandse sanatorium in het Zwitserse Davos-Platz in 1897. In Davos lagen de meer gegoede patiënten. De zogenoemde ‘minvermogende teringlijders’ konden in eigen land terecht.

Mijn vader, zoon van een keuterboer aan de rand van Tilburg, liep zijn besmetting waarschijnlijk op in de koeienstal. Een van de dieren leed aan open tbc, de besmettelijke variant, ontdekte de veearts. De stal lag onder één dak met het woonhuis, zoals in die jaren vaak voorkwam.

De tuberkelbacterie zat in zijn ruggewervel. Bij aankomst in het sanatorium werd hij daarom meteen in een gipsen mal gelegd, een soort Egyptische sarcofaag die de hele rugzijde van zijn lichaam omsloot. Van top tot teen omzwachteld met verband lag hij helemaal gefixeerd. Alleen zijn armen en hoofd waren vrij. Als hij zou bewegen, zouden zijn wervels kunnen breken, omdat de bacterie die broos maakte. “Het jeukte als de pest. Elke drie maanden kreeg ik een nieuwe mal, omdat ik weer een stukje gegroeid was.”

Vergif

Een genezend antibioticum was er aanvankelijk nog niet. Artsen dachten dat tbc-lijders vooral baat hadden bij zon, frisse lucht en zogenoemde ligkuren. In 1946 werden de eerste zogenoemde tuberculostatica ontdekt, zoals Para-Amino Salicylzuur. Maar die waren slecht voorradig en duur. Na een jaar of twee in het sanatorium kreeg mijn vader die ook. Een bruine stroperige vloeistof, herinnert hij zich. “Waar het naar smaakte? Naar absoluut vergif.” Het medicijn was toen alleen nog maar een aanvulling op de ligkuren en het dieet.

“Wij moesten liggen, altijd maar liggen (…) Wij zijn horizontalen”, schrijft Thomas Mann in zijn roman De Toverberg. Daarin beschrijft hij het sanatoriumleven in Davos in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Longtuberculosepatiënten lagen gemiddeld anderhalf jaar in het sanatorium. Patiënten met extrapulmonale tbc (tbc buiten de longen, bijvoorbeeld in lymfeklieren of nieren) verbleven er nog langer, een kleine twee jaar, blijkt uit jaarverslagen van sanatoria.

“De ramen van het sanatorium hingen aan stalen kabels”, herinnert mijn vader zich. “Als het mooi weer was, lieten de nonnen ze helemaal de grond in zakken. Dan reden ze ons in ons bed naar buiten.” In een lange aaneengesloten rij lagen ze in hun zwartmetalen bedden met kaarsrecht omgeslagen lakens zij aan zij rustend in de zon op de veranda van het sanatorium.

Psyche

Voor het lichamelijke herstel van de kinderen was veel aandacht. Om hun psychische gezondheid bekommerden de zusters zich niet of nauwelijks. Vaak werden patiënten prikkelbaar. Sommigen ontwikkelden een hypochondrische instelling. Bij ieder pijntje vreesden ze een opleving van de ziekte.

“We moesten doodstil liggen en niet denken”, getuigt een ex-sanatoriumpatiënt in ‘Negentig jaar tuberculosebestrijding’, van Ernst Hueting (1993). Intellectuele arbeid zou het genezingsproces belemmeren, was de gedachte. Handenarbeid daarentegen zou wel heilzaam zijn, dat zou de hypochondrie verdrijven, zelfvertrouwen geven en een doel om naar toe te werken.

Door het strenge regime had het sanatorium trekken van een ‘kampachtige wereld’, schrijft Hueting. Het dieet was belangrijk voor het genezingsproces. Dat betekende veel vet, melk en eieren. “Elke dag schotelden die nonnen me een beker warme melk voor met een grote klodder vellen erin”, zegt mijn vader. “Gadverdamme, ik moest er elke keer van kokhalzen.”

Beeld KLM Aerofoto

De nonnen behoorden tot de Weense zustercongregatie “Kongregation der Töchter des Göttlichen Heilandes”, ofwel de ‘Zusters van de Goddelijke Verlosser’. Kort na de Eerste Wereldoorlog begeleidden ze Oostenrijkse kinderen naar Nederland om hier aan te sterken. Na de terugkeer van de kinderen bleven de zusters in Nederland en werkten hier in de zorg en het onderwijs. “Ze waren altijd in vol ornaat. Van top tot teen bedekt.” En ze bedreven pedagogiek met de hamer, blijkt uit de verhalen die mijn vader oplepelt tijdens het bezoek aan ‘zijn sanatorium’.

De jongen naast hem in bed, Dirk-Jan, lustte geen vlees. “Onderin zijn nachtkastje spaarde hij de boterhammen met vlees op in een margarinedoos die zijn moeder elke bezoek voor hem meebracht. De gevulde dozen smokkelde ze het gebouw uit. Op een dag ontdekte een van de zusters het vlees in zijn nachtkastje, ik denk omdat het begon te stinken. De dag daarop schotelde ze hem prompt weer boterhammen met vlees voor. Na één boterham begon hij te braken. In plaats van het op te ruimen haalde die non een lepel. Hier, zorg maar dat je het naar binnen werkt, sneerde ze.”

’s Middags was er twee uur verplicht middagrust. Dan móesten ze stil zijn. Praten werd streng afgestraft. Dan reden ze de kwajongens in hun bed naar buiten en moesten ze uren – met de wollen dekens over hun hoofd – in de volle zon staan, vertelt mijn vader. “Je werd helemaal gaar geroosterd. Af en toe tilde ik stiekem mijn deken een heel klein stukje op om een hap lucht te nemen.”

Streng

Een vrijwilligster die ons rondleidt over het terrein, weet te vertellen dat één non uit die tijd nog leeft. Zuster Gertrudis. Ze was naar verluidt geen lieverdje. “Een pittige vrouw, laat ik het zo maar zeggen.” Ik besluit haar op te zoeken. Hoe kijkt zij terug op de verzorgingsstijl van de zusters?

“Ja, ik was behoorlijk streng”, bevestigt Gertrudis (79) als ik haar spreek in haar aanleunwoning in Deurne. Ze werkte 38 jaar als verpleegster en afdelingshoofd in het Jozefsheil. Daar had ze vooral de zorg voor volwassen tbc-patiënten. “Mensen zeggen dat ik goed was voor de verpleegsters en de patiënten”, herhaalt ze meerdere keren tijdens het gesprek.

“En u moet niet vergeten”, zegt ze verdedigend, “die jongens lagen daar een paar jaar, dus die moesten we goed onder de duim houden.” Dat kinderen hun eigen braaksel moesten opeten kan ze zich niet herinneren. “Het was ook gewoon een andere tijd. Discipline was heel belangrijk.”

Niksen

Terwijl ‘normale’ kinderen in de leeftijd tussen vijf en negen op straat speelden met vriendjes en vriendinnetjes, en leerden lezen en rekenen op school, lag mijn vader roerloos in bed, overgeleverd aan het strenge kuurschema en de soms meedogenloze nonnen. “Wat ik de hele dag deed? Gewoon niksen, wat moet je anders?”, antwoordt hij schouderophalend. “Lezen kon ik maar amper. En speelgoed had ik nauwelijks. Ja, een blikken tractortje met een aanhangwagentje eraan. Daar reed ik dan mee heen en weer over mijn bed.”

In 1957 komt voor mijn vader de verlossende boodschap. Hij mag naar huis. Zijn broers en zussen heeft hij dan vier jaar niet gezien. Zijn ouders kwamen eens in de twee of drie weken op bezoek. Vaker ging niet. Het was immers een lange reis met openbaar vervoer vanuit Tilburg naar Bakel. En de boerderij vroeg ook veel aandacht.

Door het bezoek aan zijn sanatorium kan ik mijn vaders gedrag beter plaatsen, en begrijpen hoe de hap uit zijn kindertijd zijn sporen heeft nagelaten. Het verhaal van mijn vader komt sterk overeen met de getuigenissen van kinderen uit internaten of residentiële instellingen, volgens Schuengel, die voor de ‘Commissie Geweld in de Jeugdzorg’ leiding gaf aan het onderzoek naar geweld in residentiële instellingen.

Waarom de sanatoriumkinderen niet meegenomen zijn in het onderzoek van de commissie weet de hoogleraar niet. Daardoor is niet bekend hoe groot de groep is voor wie de sanatoriumtijd nog altijd nadreunt. Af en toe komen er verhalen naar buiten. In 2015 tekende Trouw het verhaal op van een ex-sanatoriumpatiënte die nu gebukt gaat onder depressie en angststoornissen, onder meer door het continue gevoel van onveiligheid in het sanatorium.

Gestolen

Het doet sterk denken aan de ervaringen van de meisjes van de Goede Herder en wat zij hun ‘gestolen kindertijd’ noemen.

Maar verhaal halen, zoals de meisjes van de Goede Herder deden, wil mijn vader niet. “Ach die nonnen, ik zou ze de absolutie geven”, zegt hij. “Wat ik wel gek vind: de naam van de zuster bij wie ik heel kort op de kleuterschool zat, ken ik nog. Dat was zuster Romana. Van al die zusters daarna in het sanatorium ken ik er geen één meer bij naam.”

Verdrongen? Een pijnlijke grimas trekt om zijn mond: “Ja, ik denk het.” 

Het Trouwverhaal uit 2015: Nog altijd ziek van het sanatorium.

Zestig jaar geleden moest Afke Borgman (74) veertien maanden plat liggen in een sanatorium. Dat dreunt nog altijd na.

Lees ook: Kinderen die uit huis zijn geplaatst, zijn vanaf 1945 stelselmatig slachtoffer geworden van geweld, concludeert de commissie-De Winter

Gepest, geslagen, misbruikt of opgesloten: commissie-jeugdzorg meldt stelselmatig geweld tegen kinderen 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden