Op zoek naar de Turk van Thessaloniki

Niemand die in drie woorden kan uitleggen wat 'Europees' is, en toch worden wij geacht ons Europees te verenigen. Maandelijks zoekt Trouw naar wat Europeanen bindt en wat onafwendbaar blijft scheiden. Vandaag: Het huis van Atatürk in het Griekse Thessaloniki.

De medewerkster op het officiële VVV-kantoor in de Noord-Griekse stad Thessaloniki is heel resoluut: ,,Het Atatürk- museum? Daar weten we niets over.'' Maar het geboortehuis van de Turkse vader des vaderlands staat toch wel in deze stad? Ja, knikt ze. En nee, daar hebben we dus niets over. Waarom? Kortaf: ,,We geven alleen informatie over Griekse musea, geen Turkse''.

Ze is niet de beroerdste. Ze wil het museum wel aanwijzen op de gratis VVV-kaart. Niet omdat het Atatürk-museum daar tussen alle andere musea staat, want dat is niet zo. Ze legt haar vinger op de plek waar het Turkse consulaat is gevestigd. ,,Daar zit het bij in.'' Plots weet ze nog wat. ,,Het is ook geen echt museum. Ze hebben niet eens een bord buiten op de muur.''

Ook in de uitgaanskalenders of de Engelstalige website van de stad krijgt het museum geen vermelding. Thessaloniki houdt het stil. Wat kan een Griekse stad anders, zo lijkt het, met het geboortehuis binnen de muren van de man die hét symbool is voor erfvijand Turkije? De man die begin jaren twintig zo'n anderhalf miljoen Grieken uit Klein-Azië verdreef. Veel van die vluchtelingen kwamen in en rond Thessaloniki terecht.

Zelfs buurtgenoten kijken verrast op wanneer ze horen dat op Apostel Paulusstraat 75 een heus museumpje is gevestigd. Iedereen kan je wél zo vertellen dat het roze geschilderde, twee verdiepingen hoge pand bij het Turkse consulaat hoort. En daar blijven ze liever toch wat bij uit de buurt. ,,Alles wat Turks is ligt enorm gevoelig. Om het consulaat blijft voor velen toch iets verdachts hangen'', zo schetst een man het gevoel in de buurt.

Tot dat gevoel dragen natuurlijk ook de twee politieagenten bij die dag en nacht vanuit een hok op de hoek van de straat waken. Ook de buitenkant van het consulaatterrein versterkt de wat nare sfeer. De gebouwen zitten grotendeels verscholen achter metershoge muren en geheel door klimop overwoekerde hekwerken. Op elke hoek hangen beveiligingscamera's.

De VVV-medewerkster had geen ongelijk. Thessaloniki mag het bestaan van het Atatürk-museum stilhouden, de Turken lijken op hun beurt de Griekse gevoelens te ontzien en venten hun museum evenmin uit. Een onooglijk bordje naast de deur van het half houten, half stenen huis, verwijst bezoekers naar de ingang van het consulaat. Nergens staat 'museum' te lezen.

Je loopt ook niet zomaar even naar binnen. Wie onder het oog van de Griekse agenten bij het consulaat aanbelt, moet eerst via de intercom melden wat hij komt doen. Een Turkse beveiligingsbeambte loopt naar het hek toe, monstert het bezoek voor hij open doet, doorzoekt tassen en neemt het paspoort in. Alleen onder begeleiding is het museum daarna te bezichtigen.

Overdreven bewaking? Zeker niet, zegt Niyazi Evren Akyol, vice-consul, op de koele, donkere benedenverdieping van het huis, waar het vol foto's van Atatürk hangt met andere groten der aarde. Denk aan september 1995. Midden in een crisis rond Cyprus, leidde een bericht in een Turkse krant dat er een bomaanslag was gepleegd op het Atatürkhuis mede tot een pogrom in Istanbul tegen de overgebleven Griekse minderheid daar, de laatste in Turkije. ,,Terwijl het bericht volkomen vals was. Het was een complot'', weet Evren.

Het huis van de 'vader van alle Turken' mag in Griekenland staan, maar alle Turken kennen het, zegt hij beslist. Ook al is Atatürk waarschijnlijk elders in de stad geboren - waar is onbekend. ,,Hij heeft in elk geval in dit huis vanaf heel jonge leeftijd gewoond. Of het nu hier of ergens anders was, doet er weinig toe. De Turken zijn het als zijn geboortehuis gaan zien en dat zal zo blijven.''

Evren moet er daarom gewoon niet aan denken hoe zijn land zal reageren als er op een dag werkelijk iets met het huis gebeurt. Om de veiligheid te vergroten, heeft het consulaat op de begane grond de oude uitstalramen voor de winkels uit Atatürks tijd grotendeels dichtgemetseld. Er zijn slechts twee kleine ramen overgebleven, met tralies. En het stadsbestuur kent ook zijn verantwoordelijkheid. Vandaar die agenten op de hoek.

Ook vandaag de dag is beveiling nodig, zegt Evren, want op vaste tijden zijn consulaat en huis mikpunt van betogingen. De negentiende mei is zo'n dag. Dan herdenken de Grieken de verdrijving uit Klein-Azië. ,,Elk jaar demonstreren zo'n duizend mensen voor onze deur, verbranden Turkse vlaggen en dit jaar zelfs een portret van Atatürk.''

Maar somber is hij niet. De dooi in de betrekkingen tussen de twee landen die in 1999 begon toen Griekenland Turkije te hulp schoot na een aardbeving, is ook achter de hoge muren van het consulaat voelbaar. ,,Het zit in kleine dingen. Het stadsbestuur waarschuwt ons nu vooraf hoeveel betogers verwacht worden. De politie houdt hen nu op honderd meter voor het consulaat tegen. Vroeger stonden ze hier pal voor het hek.''

Het museum kende dankzij die dooi, beweert Evren, ,,een explosie'' in het aantal bezoekers. In 1999 kwamen er 4500, afgelopen jaar zouden het er liefst 25 000 geweest zijn. Nog altijd zijn het voor 99 procent Turken, erkent hij wel. Zij krijgen nu makkelijk een toeristenvisum. En Grieken? ,,Die krijgen we nog altijd heel weinig. Dat ene procent bestaat vooral uit Amerikanen en West-Europeanen.''

Ook in het verleden was de verhouding tussen de naties niet altijd slecht, en daarvan is het Atatürkhuis óók het bewijs. Een marmeren steen aan de voorgevel eert ,,de grote stichter van de Turkse natie''. Een cadeau van het stadsbestuur uit 1933, na toenadering tussen Atatürk en premier Venizelos, de grote Griekse staatsman van die tijd. De verstandhouding was toen zelfs even zo goed dat het stadsbestuur vier jaar later het roze huis aankocht en aan de Turkse staat schonk. Atatürk, die een jaar later stierf, was zeer ontroerd door het gebaar. De Griekse familie, die het gebouw al jaren huurde, was minder blij. Zij vocht nog jaren bij de rechter haar uitzetting aan.

Het gevolg van zoveel jaar Griekse bewoning was wel dat er niets meer over was van het oude interieur, erkent Evren op de eerste verdieping. Het ijzeren bed in de vleugel van het pand waar de familie woonde (de harem), is dan ook zeker niet origineel. Maar het paarse bankstel in de kamer in de andere andere vleugel, waar het mannelijke bezoek werd ontvangen is ,,afkomstig uit het huis van Atatürks moeder in Istanbul'', zegt de consul, die het ,,een geweldige eer'' noemt om op het consulaat ,,in de schaduw van het huis te mogen werken''.

De laatste jaren trekt Thessaloniki ook Turkse toeristen die op zoek zijn naar hun wortels, naar de huizen waar hun grootouders nog gewoond hebben. De wijk rond het museum was tot de jaren twintig haast een Turkse wijk, Koca Kasim Pasha geheten. Langs de Apostel Paulusstraat, toen Islahahestraat, stonden enkel houten huizen in klassiek Turkse stijl.

Ze vinden niets meer terug, weet Evren. In 1912 veroverden Griekse troepen Thessaloniki op de sultan van het Ottomaanse rijk die de stad zes eeuwen in bezit had gehad. De Turken in de stad die niet direct de benen namen -Atatürks moeder was een van hen - werden in 1923 alsnog gedwongen te vertrekken. 'Geruild' tegen de Grieken uit Klein-Azië. Op een enkel krot en het museum na is van de Turkse bebouwing niets meer over. De buurt, nu Agiou Dimitriou geheten, naar de stadsheilige, bestaat intussen uit blokken lage flats.

Ook de Grieken denken de laatste jaren vaker terug aan die oude tijden. Vanwege het mondaine karakter dat hun stad toen had. De joden, die onder de sultan de meerderheid vormden, woonden naast fikse Turkse en Griekse minderheden, Bulgaren, Serviërs en een West-Europese kolonie. Veel Grieken hunkeren ook naar het aanzien dat Thessaloniki toen had. Zij was de eerste stad in het Europese deel van het Turkse rijk, de toegangspoort tot de Balkan, een bloeiende havenstad.

Van dat alles bleef in de loop van de twintigste eeuw bitter weinig over. De Turken en Bulgaren werden verdreven. De Duitsers moordden in de Tweede Wereldoorlog nagenoeg de gehele joodse bevolking uit. Het oude stadshart werd verwoest door een enorme stadsbrand en later een aardbeving. Op de koop toe verloor Thessaloniki na 1945 zijn oude achterland. De gehele Balkan verdween achter het IJzeren Gordijn. Zij werd een homogeen Griekse, provinciale hoofdstad vol beton.

Tot het IJzeren Gordijn viel en Balkanstaten Bulgarije en Roemenië het lidmaatschap van de Europese Unie aanvroegen. De toenmalige Griekse premier Andreas Papandreou beloofde Thessaloniki dat zijn oude glorietijd op het punt stond terug te keren. Wie anders kon de metropool, de hoofdstad van de nieuwe Balkan worden?

Om die droom alvast wat dichterbij te brengen, heeft de Griekse regering zich het afgelopen decennium ingezet om afdelingen van grote internationale organisaties als de Wereldbank naar Thessaloniki te halen. In de Europese Unie hield zij net zo lang vol, tegen alle overige lidstaten en het Europarlement in, totdat de stad de zetel kreeg van het EU-Wederopbouwprogramma voor de Balkan.

Dat er in dat kantoor nog geen dertig mensen zitten en dat het meeste werk in de Kosovaarse hoofdstad Pristina gebeurt, telde niet. Het ging om de symboliek: Thessaloniki was, net zoals negentig jaar eerder, erkend als de eerste Europese stad van de regio.

Griekse zakenlui en bedrijven begonnen een kleine invasie van de Balkan. Ze zijn intussen de voornaamste buitenlandse investeerders in Macedonië en Bulgarije, de nummers twee in Albanië en Roemenië. Er zijn plannen voor oliepijpleidingen, spoorlijnen en snelwegen die Thessaloniki weer aan zijn oude achterland moeten koppelen. Na de dagdromen van 1990 denkt Thessaloniki nu nuchterder over de toekomst. De samenwerking met de Balkan loopt, maar blijft beperkt. De markten zijn te klein, de corruptie en de politieke instabiliteit veel te groot. ,,Verder trekt Athene nog bijna alles naar zich toe'', zo moppert de stad. ,,Geen wonder'', zucht een ambtenaar. ,,De mentaliteit is soms nog zo provinciaals.''

Daarnaast waarschuwen lokale politici voor de keerzijde van al die hoofdstedelijke ambities. Thessaloniki zal overspoeld worden door migranten uit de Balkan. Van dik één miljoen nu zal de stad uitdijen tot vier miljoen, zo denken zij. De Grieken in Thessaloniki zullen, net zoals in de Turkse tijd, over twintig jaar weer een minderheid zijn, waarschuwen zij.

,,Lariekoek'', bestempelt Petros Papassarantopoulos die verhalen. Hij heeft een eigen uitgeverij, radiostation en straks misschien ook een tv-zender. Maar daarnaast is hij zeer actief in de Stichting Democratie voor de Balkan, die zich onder meer met migratie bezighoudt. ,,Waar moeten die miljoenen mensen ineens vandaan komen?''

Zeker, Griekenland heeft na 1990 zo'n achthonderdduizend migranten binnengekregen, voor tweederde Albanezen, wat veel is op tien miljoen Grieken. ,,In het noorden zitten de migranten vooral op het platteland, waar ze bij het oogsten helpen. Dat wil geen Griek meer doen. Thessaloniki groeit, dat staat vast. Tot twee miljoen? Migranten zullen hooguit een kwart of dertig procent van de bevolking gaan vormen.'' Papassarantopoulos ziet hun komst juist als een kans om Thessaloniki weer multicultureel te maken. Dat veel stadsgenoten dat nog niet zien zitten, vindt hij niet vreemd. ,,Tot aan 1990 hadden we geen migranten. Integendeel: Grieken emigreerden zelf tot die tijd. Plots kregen we een hele stroom buitenlanders. Dat was een enorme schok. Intussen zien veel mensen in dat we ze gewoon nodig hebben, in de bouw en in de landbouw, en dat de angst onze nationale identiteit te verliezen overdreven is.''

Met de terugkeer van een multiculturele samenleving, moet Thessaloniki, vindt Papassarantopoulos, ook anders naar zijn Turkse verleden én Atatürk gaan kijken. ,,Totnutoe ging alle aandacht naar de Byzantijnse tijd en werden de eeuwen Turkse overheersing overgeslagen. Onzin. Dat hoort ook bij onze erfenis.''

En wat Atatürk betreft. Waarom richt iedereen zich alleen op zijn verdrijving van de Grieken uit Klein-Azië en alle gruwelen die daarmee gepaard gingen? De Grieken hebben de Turken in die oorlog niet beter behandeld, meent hij. ,,We moeten durven erkennen dat hij daarnaast een van de grote leiders van de vorige eeuw was. We mogen trots zijn dat zo'n groot man hier geboren is. Het VVV moet daar reclame mee gaan maken. Het moet op de website van de stad.''

Totnutoe is Papasarrantopoulos een van de weinigen die dat zegt. ,,Maar ik zie een verandering. In 1997 werd er gedemonstreerd toen ik een conferentie durfde te organiseren over de verzoening tussen Atatürk en Venizelos. Ik kreeg stenen naar mijn hoofd. Als ik nu weer zoiets zou opzetten, denk ik dat het rustig blijft.''

,,Dat heeft voor mij veel te maken met de koers van onze huidige regering. Premier Simitis heeft gebroken met die chauvinistische hysterie en ons verankerd in de Europese Unie. Griekenland heeft lang aan de EU moeten wennen, maar we zijn nu snel echte Europeanen aan het worden.''

Terug in het Atatürkmuseum betreedt vice-consul Evren in stilte een zitkamer op de bovenste verdieping. Een lage bank onder de ramen, een bureau in de hoek, en overal weer foto's van Atatürk. ,,Het lijkt een gewone zitkamer, maar hier is volgens de overlevering Atatürk geboren. Ik heb veel Turken hier in tranen uit zien barsten.''

Als hij de kamer weer verlaat, passeert hij twee bezoekers, en stopt plots. ,,Hoor ik nou Grieks? Ja, die mensen praten Grieks met elkaar.'' Hij trekt zijn allerbreedste glimlach: ,,Weer een goed teken.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden