column

Op straat herkend, in Groningen

Rob SchoutenBeeld Maartje Geels

De economie trekt weer aan: oldtimers worden duurder en het stikt van de festivals en evenementen. De mens wil leuke dingen doen en beziggehouden worden. Ik moest afgelopen weekend optreden op Noorderzon, een groot festival in het Noorderplantsoen in Groningen: iets over gedichten zeggen en er zelf een paar voorlezen.

Vijftig jaar geleden woonde ik in Groningen en dat schept verplichtingen en verwachtingen, ik loop er anders rond dan de gemiddelde Groninger maar ook anders dan de gemiddelde toerist, met die halve eeuw verschil op zak. Door datzelfde Noorderplantsoen, nu volgestouwd met spiegeltenten, eettoko's, urinoirs en andere pogingen de homo ludens te behagen, reed ik die halve eeuw geleden dagelijks naar school.

Het was toen een leeg park, dat wil zeggen, zo kwam het op mij over, een groene statie op weg naar de vervulling der leerplicht. Ook de straten eromheen zijn van mij weg gegroeid, neem de Oude en Nieuwe Kijk in 't Jatstraat, nu gezellig bohemien-achtig met aan het eind tot kleine studentenwoningen omgetoverde arbeidershuisjes, toen een rommelige buurt waar ik kranten moest rondbrengen. Verbeeld ik het mij of was in het hotel waar ik slaap vroeger een scharrig bordeel gevestigd?

The beauty of the thing is in the eye of the beholder, en the ugliness ook. Ik was hier een ongelukkige puber, verstoken van liefde, op weg te mislukken, nu ben ik iemand die columns schrijft en gedichten voorleest op festivals. Voelen de Groningse straten dat wel? Zien ze wel dat het toch is goedgekomen?

't Jat

Die Kijk in 't Jatstraat associeerde ik vroeger trouwens met Indië, ik denk dat de associatie liep via het boek 'Rob en de stroper van Tjot-Idi' van J.B. Schuil. Met de hoofdpersoon, uitgestoten door de wereld, vereenzelvigde ik mij niet alleen vanwege de naam makkelijk. Nu weet ik dat die straatnaam teruggaat op iets uit de tijd van de Groningse held Von Rabenhaupt; een of andere wachter die elke ochtend riep 'Ik kiek nog in't jat' en dat jat steeg betekent. Vijftig jaar geleden was er nog geen internet en waren er geen mobieltjes waarop je al lopend door zo'n straat de herkomst kon controleren. Opnieuw, ik herken Groningen, maar herkent Groningen mij ook?

Ik sta mij net tegen mededichter Alexis de Roode te verwonderen over het feit dat ik hier nooit aangesproken word, ik bedoel niet door onbekenden die mijn kop uit de krant of van een boek kennen, maar door oud-klasgenoten. Die moeten hier op dit festival toch ook in groten getale rondlopen. Elke drieënzestigjarige wordt door mij aandachtig bekeken, soms kijken er warempel wat langduriger terug, maar alleen omdat ik ze zo nadrukkelijk aanstaar. Wat mot je van me, heb ik iets van je an?

Op het moment dat ik me miskend voel, stapt er iemand op me af. Johan, oud-schoolgenoot; hij herkent mij, ik hem. Hij weet dat ik in de schrijverij zit maar wat doet hij? Hij verkoopt schaafijs op Noorderzon. Hier, krijg je er eentje van mij, ouwe reus! Heel even voel ik me geslaagd, na vijftig jaar door iemand herkend in een duizendkoppige menigte.

Het leven is een feest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden