Op socialisten, sluit de deuren

Volgens sommige peilingen komt de PvdA nu op 14 zetels uit. (FOTO ANP )

De arbeiders verheffen willen de sociaal-democraten niet meer, hun welvaart garanderen lukt niet meer.

Afgelopen zondag verloor de Duitse SPD de Bondsdagverkiezingen met haar slechtste resultaat ooit. Terwijl het Britse Labour van premier Gordon Brown deze week haar partijcongres hield, is zijn regering in de peilingen en in de media al helemaal afgeschreven. En tussendoor peilde Maurice de Hond een nieuw dieptepunt voor onze eigen PvdA, die nog slechts op 14 zetels in de Tweede Kamer zou mogen rekenen. Het ziet er somber uit voor de Europese sociaal-democratie. Is dat echt zo? Welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag? En wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling?

De sociaal-democraten staan er inderdaad slecht voor in veel Europese landen. In Frankrijk en Italië stonden ze al buiten spel, Duitsland komt daar nu nog bij. Maar ook in Denemarken, Finland en Zweden, traditionele bolwerken van de sociaal-democratie, nemen ze momenteel niet aan de regering deel. In Noorwegen, Spanje en Portugal dragen de sociaal-democratische partijen wel regeringsverantwoordelijkheid; in België doen alleen de Waalse socialisten aan het kabinet-Rompuyt mee. In Nederland is de PvdA sinds 2007 de junior-coalitiepartner.

Tien jaar geleden zag het politieke toneel er heel anders uit. De ’derde weg’, de sociaal-democratie zonder ’ideologische veren’ van Wim Kok, Tony Blair, en Gerhard Schröder vierde hoogtij, en zelfs president Bill Clinton leek zich daarbij thuis te voelen.

Natuurlijk was de wereld van 1999 natuurlijk een geheel andere dan die van nu. ’9/1’ stond nog te gebeuren, de internetzeepbel was nog intact, en een kredietcrisis slechts fantasie. Die wereld van 1999 was ook dramatisch anders dan de wereld van nog tien jaar eerder, 1989 - het jaar waarin het IJzeren Gordijn werd onttakeld en Europa ineens een stuk groter werd. De electorale ontwikkeling van de sociaal-democratie in Europa houdt verband met deze grote gebeurtenissen in de afgelopen twintig jaar.

In de afgelopen honderd jaar beoogden sociaal-democraten, kort gezegd, steeds sociaal-economische herverdeling te combineren met culturele verheffing. Beide doelen zijn de afgelopen dertig jaar in een nieuw daglicht komen te staan.

Herverdeling van de welvaart, een kernpunt van traditioneel links, werd bij de bestrijding van de economische stagnatie van begin jaren tachtig, relatief minder belangrijk geacht. Margaret Thatcher gaf hierbij de toon aan; Nederland volgde met spectaculair economisch herstel na een periode van stagnatie. Sociaal-democraten in geheel Europa volgden het credo ’minder staat, meer markt’, en het bracht hen aanvankelijk ook electoraal succes.

Culturele verheffing bestond aanvankelijk vooral uit vorming en scholing van de arbeidersklasse. Daarbij kwamen later de emancipatie van de vrouw, aandacht voor kwetsbare minderheden in eigen land en solidariteit met de derde wereld. Culturele verheffing is per definitie een ’top-down’ proces; de sociaaldemocratie heeft in dit opzicht dan ook altijd een zekere afstand tussen leiders en volgelingen gekend. Die afstand is echter spectaculair toegenomen onder invloed van globalisering en Europeanisering.

Een deel van het traditionele kernelectoraat van de sociaal-democratische partijen behoort tot de verliezers van de economische globalisering. Hun werk en bestaanszekerheid worden bedreigd door concurrentie uit India of China, Polen of Bulgarije. Zij profiteren nauwelijks van de eenwording van Europa. Politieke partijen die een cultureel conservatisme voorstaan, zijn voor deze kiezers aantrekkelijker dan de kosmopolitische sociaal-democraten. Of die andere partijen in sociaal-economisch opzicht als ’links’ of ’rechts’ gelden, is voor hen van secundair belang. Ze stellen identiteitsbehoud voorop. In Nederland kan een teleurgestelde PvdA-kiezer zijn heil zoeken bij de SP, maar ook bij de PVV.

De twee grote idealen van de sociaal-democraten werken dus niet meer in de strijd om de kiezers – het ene omdat het twintig jaar geleden aan de kant is gezet, het andere omdat het zich sinds tien jaar tegen de traditionele achterban keert.

Hiermee is de grote lijn weergegeven. Nationale variaties hierop hebben vaak verband met het partij- en kiesstelsel en de regeringssamenstelling in de verschillende landen. In Groot-Brittannië maakt het districtenstelsel het moeilijk voor nieuwe partijen om door te breken waardoor teleurstelling een uitweg zoekt in de andere grote gevestigde partijen, of in thuisblijven. In Duitsland en Nederland met opener kiesstelsels zijn in cultureel opzicht conservatieve, linkse alternatieven ontstaan: Die Linke, de SP.

In landen met evenredige vertegenwoordiging, zoals Duitsland, Nederland, en de meeste andere EU-lidstaten, is misschien wel het belangrijkste directe effect van deze partijpolitieke turbulenties dat de vorming van stabiele regeringen moeilijker wordt. Partijstelsels dreigen te fragmenteren; coalitievorming wordt steeds ingewikkelder.

Volgens recente peilingen zou een meerderheidscoalitie in Nederland nu vier of meer partijen moeten omvatten. Zelfs in Groot-Brittannië wordt al gespeculeerd op de kans dat na de volgende verkiezingen: een Lagerhuis waarin niet meer één partij de meerderheid heeft.

De electorale problemen van de sociaal-democratie hebben dus een veel grotere betekenis. In alle Europese landen is de traditionele binding van kiezers aan partijen sterk afgenomen, en soms (Nederland) zelfs omgeslagen in wispelturigheid - bij de kiezers én de partijen.

Die wispelturigheid kan een bedreiging vormen voor de regeerbaarheid van een land.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden