Review

Op pelgrimage naar het filmfestival

De Rotterdamse sandwich formule komt uitgebreid aan de orde in een mooie bloemlezing over filmfestivals.

Wist u dat Rotterdam behalve om zijn haven en zijn burgemeester in het buitenland ook bekend staat om zijn sandwich formule? Volgens een recente bloemlezing over het fenomeen ’filmfestival’ – samengesteld door de Amerikaanse filmcriticus Richard Porton – wordt het Filmfestival van Rotterdam gekenmerkt door een pragmatische programmering. Grotere publieksfilms worden ingezet om kleinere artistieke films te ondersteunen. De gedachte is dat het publiek zijn weg wel vindt naar films van bekende regisseurs en acteurs, en dat minder bekende, niet minder belangrijke films meeprofiteren van die aandacht.

Simon Field, ex-directeur van het Filmfestival van Rotterdam, wordt in het boek geïnterviewd door de Canadese filmprogrammeur James Quandt. Hij verdedigt het principe van de sandwich formule, maar wijst ook op het gevaar: hoe zorg je er voor dat de boel niet uit balans raakt? Hoe voorkom dat je dat de ’grotere’ films – die later gewoon in de bioscoop verschijnen – de ’kleinere’ films – die nog of opnieuw ontdekt moeten worden – niet overschaduwen?

Het Filmfestival van Rotterdam meldde begin deze week dat een derde van de kaartjes (102.000 stuks) al is verkocht, en dat er veel belangstelling is voor de nieuwe films van Werner Herzog, Claire Denis, Wes Anderson, Francis Ford Coppola en de competitiefilms. Geweldig natuurlijk dat Herzogs ’Bad Lieutenant’ met Nicolas Cage in de titelrol aanstaande zaterdag zijn voorpremière beleeft in een volgepakt Luxor, maar de vraag is of Herzorgs Duitse collega Alexander Kluge daar profijt van heeft. Kluge maakte met ’Nachrichten aus der ideologischen Antike’ een ruim negen uur durende verfilming (op video) van ’Das Kapital’ van Karl Marx. Wie schuift er op de laatste dag van het festival aan?

Richard Porton, verbonden aan het gezaghebbende Amerikaanse filmtijdschrift Cineaste, verzamelde voor zijn bloemlezing ’On Film Festivals’ een kleurrijke verzameling essays, memoires, interviews en polemieken. Het Filmfestival van Rotterdam wordt vaak genoemd.

De Amerikaanse filmcriticus Jonathan Rosenbaum die vanaf 1965 ruwweg 165 filmfestivals aandeed, memoreert Rotterdamse persconferenties met Joseph L. Mankiewicz, Raúl Ruiz en Philippe Garrel. Persconferenties? Met cineasten? Waar zijn ze gebleven?

Speciaal aan Rotterdam was volgens Rosenbaum de semi-clandestiene sfeer die niet alleen te maken had met het grote aantal ’andersoortige’ films dat er werd vertoond, maar ook met de afschuwelijke, winterse koude, het feit dat het festivalhotel op de Kruiskade ooit een hoofdkwartier van de Gestapo was, en dat je er ’wiet’ kon roken, en relatief makkelijk ’stoned’ kon worden.

Een pijnlijker oordeel heeft de Argentijnse filmcriticus Quintín, die van 2001 tot 2004 leiding gaf aan het zeer cinefiele festival van Buenos Aires. Hij heeft het over ’de spirituele ontaarding’ van het Filmfestival van Rotterdam, vanaf het moment dat de Cinemart het festival overnam en het Rotterdamse congrescentrum De Doelen volstroomde met ’sales agents’, distributeurs, tv-afgevaardigden en andere kooplui. Quintín gelooft dat een filmfestival beter af is zónder markt.

Hij is niet de enige die er zo over denkt. Er valt de laatste jaren meer weerzin te beluisteren tegen al ’t gehandel in films en filmmakers. Quintíns legt een link met de Argentijnse New Wave. Enkele jaren terug boekten jonge Argentijnse filmmakers wereldwijd succes met mooie, kleine, onafhankelijke films. De triomfen trokken met name Europese coproducenten uit Spanje, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. De Argentijnse films werden er niet beter op, alleen duurder, concludeert Quintín.

Fris en origineel zijn ze volgens hem al lang niet meer, ze zijn onderdeel geworden van een kleurloze middelmaat, geproduceerd door economische ontwikkelingsfondsen en coproductie-gelden.

Door het boek heen valt een pleidooi te beluisteren voor kleinschalige filmfestivals waar niet het ’kopen’ maar het ’kijken’ centraal staat, waar een visie op de cinema wordt geformuleerd en uitgedragen, waar tijd is voor ontmoetingen en aandacht voor discussies, en waar de delicate balans tussen kunst en commercie in de gaten wordt gehouden.

De Duitse filmcriticus Olaf Möller, die deze week in Rotterdam een programma met vijftien kleinschalige oorlogsfilms presenteert (getiteld ’After Victory’), vertelt in zijn boekbijdrage lyrisch over het filmfestival in het slaperige vissersdorpje Izola in Slovenië dat hij karakteriseert als een symposium vermomd als filmfestival, en waar het draait om vrijheid, verwondering en de existentiële behoefte aan intellectuele en spirituele groei.

Cinema als viering, concludeert Möller. En daarmee zijn we terug bij de bijdrage waarmee de bloemlezing zo vrolijk begon, een stuk uit Cahiers du Cinema, geschreven in de zomer van 1955, waarin de Franse filmdenker André Bazin de gang naar het filmfestival beschrijft als een pelgrimage, als een initiatie in een kloosterorde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden