Op naar de 30-urige werkweek! / Het ideale evenwicht

Het zal een zekere cultuuromslag vergen, vergelijkbaar met de invoering van de vrije zaterdag in de jaren zestig. Maar met een werkweek van maximaal 30 uur voor mannen en vrouwen creëren we volgens filosoof Rutger Claassen de ideale omstandigheden om het eeuwige dilemma van kind of carrière nu eindelijk eens op te heffen.

Er heeft zich de afgelopen drie decennia een kleine revolutie voltrokken: vrouwen hebben massaal de arbeidsmarkt betreden. Dat is een mooie ontwikkeling. Veel vrouwen zijn nu hoger opgeleid en vinden net als mannen voldoening in hun werk. Tegelijk hebben wij de gevolgen van deze revolutie nog niet verwerkt – in ons denken niet, en in ons beleid al helemaal niet. Dit tekort heeft grote gevolgen. Het krijgen van kinderen wordt steeds vaker uit- en afgesteld, het combineren van arbeid en zorg is een moeizaam verhaal, en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt duurt voort. Het is de hoogste tijd dat we de revolutie wél verwerken. De oplossing die de beste kansen biedt om een trendbreuk te forceren is een verlaging van de werkweek naar 30 uur.

Het traditionele kostwinnersgezin behoort langzamerhand tot het verleden. Hierin werden arbeid en zorg op een heldere maar zeer ongelijke wijze verdeeld over beide partners. In plaats daarvan vormen sommige huishoudens nu een tweeverdienersgezin, waarin beide partners fulltime werken. De grootste groep Nederlanders opteert voor het anderhalfverdienersgezin. Daarin werkt de vrouw wel, maar beperkt: de meesten rond de twintig uur per week.

Als gevolg van het feit dat beiden werken, loopt de ’combinatiedruk’ voor gezinnen – en vooral voor vrouwen – steeds hoger op. ’Het spitsuur van het leven’, heet dat beeldend. Uit onderzoek blijkt dat het vooral voor de vrouwen die meer dan 30 uur werken bar is. Tweederde van hen onderschrijft de stelling ’Ik heb het eigenlijk altijd te druk’ en slechts een kleine meerderheid meent voldoende tijd aan haar kinderen te besteden. Frappant is dat van de fulltime werkende vrouwen met kinderen de overgrote meerderheid minder blijkt te willen werken, terwijl degenen met een klein deeltijdbaantje het liefst méér zouden willen werken. Het evenwicht is nog niet gevonden.

Uitstervende straten

Een ander probleem dat onlangs veel aandacht kreeg, is het lage geboortecijfer door het uitstel van kinderen. Er worden veel minder kinderen geboren dan vroeger, mede doordat vrouwen zwangerschap langer uitstellen. In een tijd van vergrijzing is dit probleem natuurlijk extra pregnant. Kinderen vertegenwoordigen een ’publiek goed’. Is de volgende generatie niet voldoende talrijk, dan heeft de hele samenleving een onoverkomelijk probleem. In sommige Europese landen is het geboortecijfer nog lager, maar Nederland heeft bepaald geen reden zich op de borst te kloppen. Dit is overigens volstrekt niet alleen een economisch probleem. Sociologe Christien Brinkgreve benadrukte het sociale belang van kinderen onlangs op haast poëtische wijze toen zij sprak over „de behoefte aan continuering van de eigen familie en de eigen geschiedenis, het vitaliserende en vernieuwende effect van kinderen, de treurigheid van uitstervende straten, maar ook het contact met de eigen kinderlijke emoties”.

Ten slotte is er de emancipatie van vrouwen. Hier gaat het om gelijkwaardige carrièreperspectieven en de mogelijkheid om economisch zelfstandig te zijn. Omdat de meeste vrouwen eieren kiezen voor hun geld en kiezen voor een deeltijdbaan, belanden ze binnen hun bedrijf of organisatie bijna altijd op de slow track. Ze worden daar door mannelijke collega’s en kinderloze seksegenoten op de fast track voorbijgestreefd. Recent onderzoek bevestigde nogmaals dat de carrière van vrouwen (ondanks de nieuwe levensloopregeling) veel schade lijdt door tijdelijke onderbrekingen en de keuze voor deeltijdwerk. Ook als ze weer voltijds zijn gaan werken nadat de kinderen de deur uit zijn.

Werk, werk, werk

Wat is nu de dominante reactie van de beleidsmakende elite op dit complex aan problemen? Kort gezegd: werk, werk, werk. Dat betekent: kinderopvang, kinderopvang, kinderopvang. De discussie gaat alleen nog over wie dat betaalt: de ouders zelf, de werkgever of de belastingbetaler. Dit is een armzalige discussie, die de meest fundamentele keuze al vooronderstelt: een verhoogde arbeidsparticipatie van zowel mannen als vrouwen tot idealiter twee fulltime banen – ieder grofweg veertig uur per week. De opvoeding kunnen we dan uitbesteden aan de markt.

Maar laten we het eens hebben over dat werk. Sommigen klagen dat kinderen door de pleitbezorgers van kinderopvang ’geïnstrumentaliseerd’ worden. Zij dienen zich maar te schikken naar de ambitie van de ouders – en zijn letterlijk het kind van de rekening. Daar zit wat in. Aan de andere kant kan de nood op een vergrijzende arbeidsmarkt niet ontkend worden en de talenten van vrouwen verdienen benutting en sociale waardering; ook op het werk. Ons wordt een vals dilemma voorgeschoteld, tussen terug naar het kostwinnersmodel of de vlucht naar voren in volledige arbeidsparticipatie voor beide ouders; tussen moeder thuis wachtend met de thee of het gesleep naar de crèche. Waarom zouden we niet beiden, werk en gezin, recht kunnen doen?

Om de combinatiedruk te verlichten en het krijgen van kinderen aantrekkelijker te maken zou de gemiddelde gewerkte tijd omlaag moeten. Om de emancipatie te voltooien zou die gewerkte tijd vervolgens beter verspreid moeten worden over man en vrouw. Dit kan alleen bereikt worden bij een algemene reductie van de werkweek, bijvoorbeeld naar 30 uur. Een 30-urige werkweek geeft lucht aan gezinnen, maakt daardoor het krijgen van kinderen aantrekkelijk en bevordert de gelijkwaardige arbeidsparticipatie van vrouwen.

Een van de manieren om dit in te voeren zou zijn door de werkdag te definiëren als van negen uur ’s morgens tot drie uur, in plaats van tot vijf uur ’s middags. Schooltijden en werktijden lopen dan synchroon. Niet voltijdwerk of deeltijdwerk, maar ’kindertijdwerk’. Dit is geen utopie. Zo speelt de vacaturebank www.9tot3.nl reeds in op de behoefte van vooral moeders om alleen onder schooltijd te werken. Maar andere invullingen, zoals een collectieve vrije vrijdag of een per werknemer te bepalen vrije dag zijn ook mogelijk.

Kunnen mannen en vrouwen er niet zelf voor kiezen minder te gaan werken wanneer zij de verantwoordelijkheid krijgen voor het opvoeden van kinderen? Doen zij dat niet al? Deels is dat natuurlijk het geval – de vierdaagse werkweek wordt voorzichtig populairder. Maar dat 70 procent van de vrouwen in deeltijd werkt en slechts 15 procent van de mannen (en dat is vooral in de aanloop naar hun pensioen!), geeft te denken. Blijkbaar is de keuze voor velen niet zo gemakkelijk te maken, zelfs als de wil er wel is.

In veel organisaties ligt er een grote druk op individuele werknemers om zich te conformeren aan de fulltime-norm, op straffe van marginalisering. Elke individuele werknemer die meer thuis zou willen zijn kan hier individueel niets tegen beginnen, tenzij hij bereid is de consequenties te aanvaarden en van een carrière af te zien. Het is niet verwonderlijk dat mogelijkheden tot verlof vaak niet of marginaal worden benut. Alle bestaande regelingen die werknemers de mogelijkheid bieden om werktijd in te ruilen voor zorgtijd (zoals de levensloopregeling, ouderschaps- en zorgverlof), verlangen indirect dat de werknemer zichzelf vrijwillig op een zijspoor manoeuvreert. Het wettelijk recht op deeltijdwerk is weliswaar een stap vooruit maar lijdt uiteindelijk toch aan hetzelfde manco. Zoals een krantenkop het treffend verwoordde: ’Wie hogerop wil, moet geen papadag opnemen’.

Alleen het collectief en verplicht wijzigen van de norm kan deze patstelling doorbreken. De enige manier om uit het dilemma te komen is door de norm voor volwaardige arbeidsparticipatie (fulltime) zo te definiëren dat zij aansluit op het onderhouden van een gezin. Dat maakt het voor vrouwen mogelijk enerzijds kinderen te krijgen en anderzijds op voet van gelijkheid te concurreren met mannen op de arbeidsmarkt. En omgekeerd: het maakt het voor mannen mogelijk op voet van gelijkheid te concurreren met hun collega’s en toch een bijdrage van betekenis te leveren aan de opvoeding van hun kinderen. Op die manier wordt een gelijk speelveld op de arbeidsmarkt gecreëerd ten gunste van het moderne gezin, waarin beide ouders willen werken, maar ook voldoende tijd hebben voor de zorg voor hun kinderen.

Wrevel

De 30-urige werkweek zal in het begin zeker wrevel opwekken, vooral onder werknemers die hechten aan hun 40-urige werkweek. En dan zijn er nog altijd de echte workaholics die hun praktijk van onbetaald overwerk kunnen en zullen doorzetten. Maar uiteindelijk zal de week van 30 uur in ons maatschappelijk ritme gaan zitten, net als de vrije zaterdag die in de jaren zestig van de vorige eeuw geleidelijk werd ingevoerd. Het vergt een cultuuromslag: op een gegeven moment weten we niet beter meer en zullen nog weinigen terugwillen naar de oude situatie.

Flexibiliteit

Natuurlijk zullen er altijd beroepen blijven met afwijkende werktijden, zoals dat nu ook het geval is. Flexibiliteit is vereist, en kan per cao worden geregeld. Dat doet niets af aan de invloed van de heersende standaard-werkweek op het maatschappelijke en culturele leven. Die invloed geeft ons alle reden de conventie eens in de zoveel tijd onder de loep te nemen en eventueel te wijzigen.

In de jaren tachtig werden er al pleidooien voor een 30-urige werkweek gehouden, deels om dezelfde redenen als nu: gelijkwaardige arbeidsdeelname van vrouwen in combinatie met de zorg voor een gezin mogelijk te maken. Toen was dat een kwestie van anticiperen op wat nog komen ging; nu is het een kwestie van aanpassen aan wat werkelijkheid is geworden. Geen van de heersende partijen durft de onheilspellende stilte rond de werkweek te doorbreken – vreemd, nu het gezin weer in het middelpunt van de belangstelling staat.

De voorstanders van het tweeverdienersgezin onder de huidige werkweek zullen erop hameren dat hun model meer welvaart oplevert. Tachtig uur arbeid (2 maal 40) is meer dan zestig uur (2 maal 30). Maar is dat zo? De welvaartsontwikkeling hangt namelijk niet alleen af van het aantal gewerkte uren per persoon maar ook van de arbeidsparticipatie (aantal werkende personen) en van de arbeidsproductiviteit per uur.

Een kortere werkweek hoeft niet per se nadelig te zijn voor het aantal gewerkte uren als totaal. Meer personen (vrouwen) zullen waarschijnlijk de arbeidsmarkt betreden. Bovendien zou een 30-urige werkweek onderdeel moeten uitmaken van een grootschalige uitruil waarin langer doorwerken juist gestimuleerd wordt: als het spitsuur van het leven meer ontspannen is, hoeft het lontje ook minder snel op te zijn. We zouden in ieder geval tot 65 jaar daadwerkelijk moeten werken, maar waarschijnlijk tot 67 of zelfs nog wat langer. Het komt dus neer op een herverdeling van werk van jong naar oud. Daarnaast zou een daling van het vaak grote aantal vakantiedagen ook tot het totaalpakket kunnen horen waarmee de 30-urige werkweek wordt ingevoerd, net als andere maatregelen om de arbeidsparticipatie te verhogen. En het belangrijkste: als het kindertal inderdaad weer stijgt, komt er op lange termijn meer arbeidskracht bij. Vanuit het oogpunt van de vergrijzing doet inzetten op een 40-urige werkweek, zoals het CDA in de verkiezingscampagne deed, dan ook aan als penny wise, pound foolish.

Koffiedrinkende voltijders

Ook het effect op de arbeidsproductiviteit per uur is allerminst per se negatief. In sommige beroepen kan de productiviteit dalen, als kleinere banen extra kosten en tijd aan overdracht en coördinatie met zich meebrengen. Aan de andere kant zal er in andere beroepen juist efficiencywinst te boeken zijn. Deeltijders zijn vaak productiever dan voltijders. De slim plannende, gemotiveerde en geconcentreerde deeltijder kan het nog wel eens winnen van de eindeloos vergaderende en koffiedrinkende voltijder.

Arbeidsmarktonderzoeker Marcel Kerkhofs bepleit om die reden het 4/4-model, waarin beide partners vier dagen werken. „Het is de ideale verdeling, zowel voor de economie als voor de kwaliteit van leven. Veel beter dan de 5/3-verdeling die je nu nog veel ziet. Na de vierde dag valt de arbeidsproductiviteit van fulltimers sterk terug, terwijl productiviteit juist een grote sprong maakt als je van drie naar vier gaat. Als we het voor elkaar krijgen dat veel meer mannen vier dagen gaan werken, zodat hun partners naar vier kunnen opschuiven, valt er grote economische winst te behalen.”

Minder geld, en wat dan nog?

En zelfs als de welvaart iets lager zou uitvallen in termen van het bruto nationaal product, wat dan nog? Recent onderzoek naar subjectieve geluksbeleving wereldwijd toont aan dat dit boven ongeveer zeventienduizend euro bruto inkomen per persoon per jaar niet meer stijgt – de toegevoegde waarde van toegenomen financiële welvaart moet vanuit dat perspectief op het huidige westerse welvaartsniveau niet te hoog worden aangeslagen.

Dat samenlevingen als geheel toch in een opwaartse spiraal van stijgende inkomens en consumptiepatronen terechtkomen, valt vooral te verklaren uit het feit dat mensen proberen een voorsprong te boeken ten opzichte van anderen. Dat levert meer geluk op voor wie daar in slaagt, maar omdat iedereen het probeert kunnen we het toegenomen geluk van de winnaars tegen het gederfde geluk van de verliezers wegstrepen. De samenleving als geheel schiet daar weinig mee op.

Daarbij komt dat we nu nog niet gewend zijn aan het eventueel hogere inkomensniveau. De evolutie van een situatie, na de Tweede Wereldoorlog, van 45 uur betaald werk per gezin tot 60 uur per gezin nu (man 40 uur, vrouw 20 uur) heeft al een grote welvaartswinst opgeleverd.

Op dit punt in de geschiedenis hebben we de keuze om die 60 uur zo te herverdelen dat de meeste gezinnen er netto niet op achteruitgaan. Vanuit dat perspectief blijft de welvaart per gezin dus gelijk. Kiezen we daarentegen voor het stimuleren van het tweeverdienersgezin dan groeien we waarschijnlijk toe naar het scenario dat per gezin 80 uur gewerkt wordt. Dan zou de invoering van de 30-urige werkweek veel pijnlijker zijn en wél tot een inkomensachteruitgang over de hele linie leiden. We bevinden ons dus in een uniek tijdsgewricht om de werkweek aan te passen. Welvaart in brede zin gaat óók over de combinatiedruk in het spitsuur van het leven. Die druk blijft in een tweeverdienersamenleving aanmerkelijk hoger.

Liefdesverdriet

Zelfs met het uitbesteden van delen van huishouden en opvoeding blijft er naast het leveren van 80 uur betaalde arbeid nog een aanzienlijke last aan informele (zorg-)arbeid over. Allerlei taken en klusjes laten zich immers moeilijk uitbesteden, van het opvangen van onverwacht zieke kinderen tot het organiseren van verjaardagen en vakanties, van het bezoeken van ouderavonden tot het aanhoren van liefdesverdriet. Dan hebben we het nog niet gehad over het effect op kinderen, als beide ouders vrijwel nooit thuis zijn en zij elke dag van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat elders ’geparkeerd’ zijn.

Dit is een zeer omstreden punt, maar we moeten het aan de orde durven stellen. Werkende moeders zijn ook goede moeders, natuurlijk. Maar daarmee kunnen we de vraag niet wegwuiven of de combinatie van twee fulltime banen (volgens de huidige definitie) werkende ouders voldoende tijd, rust en aandacht biedt voor hun kinderen. Is het geforceerde uurtje ’quality time’ voor het slapen zo’n succes gebleken? Het woord is wat dit betreft aan de pedagogen. De voorkeuren van veel Nederlandse ouders op dit punt verdienen in ieder geval niet de minachting die zij zo vaak krijgen.

Het gaat om een eerlijke, principiële en door en door politieke keuze. Stimuleren we het blijven hangen in het huidige anderhalfverdienersmodel? Of maken we het tweeverdienersmodel gezinsvriendelijk door een reductie van de werkweek?

Tijdspolitiek is altijd omstreden. Het CDA-idee voor herinvoering van de 40-urige werkweek stuitte niet toevallig op veel onwil en wrevel. Ook ex-minister Brinkhorst hamerde de afgelopen jaren regelmatig op het belang van langer werken en ex-minister De Geus pleitte regelmatig voor flexibele werktijden: niet van 9 tot 5, maar van 7 tot 7. Het is te hopen dat scholen ook zo flexibel zijn en dat de kinderen hun biologische klok aan de ouders aanpassen.

De goede moeder

Intussen vangen in dit klimaat vrouwen elkaar nog steeds vliegen af in eindeloze discussies over ’de goede moeder’, of zij nu werkt of niet en zo ja, hoe lang. Vrouwen (en ook mannen) doen er goed aan deze onderlinge strijd te staken en in te zien dat hier een maatschappelijk probleem bij individuen wordt neergelegd. Zodra ze dat inzien, is het niet moeilijk meer om gezamenlijk op te trekken in een streven naar het veranderen van die maatschappelijke condities. Tegen de politieke stroom in, maar met de maatschappelijke stroom mee, zou de invoering van een 30-urige werkweek daartoe een krachtig breekijzer zijn. Samen met een gelijkmatiger verdeling van arbeid over ons langer wordende leven, is het een verantwoord en verleidelijk idee.


Rutger Claassen is als filosoof verbonden aan de Universiteit Utrecht. Dit is de bewerkte versie van een artikel dat onlangs verscheen in Socialisme & Democratie. Voor deze lange versie zie www.rutgerclaassen.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden