Opinie

Op hoop van zegen wachten zeelui en hun achtergebleven vrouwen in het collagetheater Seemannslieder.

Gedurende de lengte van een lied is alles mogelijk', luidt de ondertitel van het muziektheaterstuk dat regisseur Christoph Marthaler voor het gezelschap ZTHollandia componeerde en ensceneerde. En daarmee is alles eigenlijk gezegd.

De Zwitser Marthaler vroeg zijn geestverwant en artistiek leider Johan Simons van toneelgezelschap ZTHollandia een toneelstuk over 'de bergen' te schrijven en dat in het Schauspielhaus Zürich te ensceneren. Dat is goed, antwoordde Simons, maar dan moet jij in de Lage Landen een stuk over 'de zee' maken. Het stuk over de bergen kwam er voorlopig niet, maar Marthaler hield woord en bewerkte Herman Heijermans' nautisch-maritieme klassieker 'Op hoop van zegen'.

Hoewel, bewerkte: eerder wierp Marthaler 'Op hoop van zegen' juist met een ruimhartige worp overboord. Want hij is geen man die een geschreven verhaal volgt en duidt, maar iemand die te midden van chaos zijn eigen verhaal maakt, en vervolgens wel ziet waar zijn schip wendt, keert, strandt of aanlandt.

Met een paar eigen acteurs (Zwitsers en een formidabel als doedelzak zingende Schot) kwam hij naar Nederland om samen met Vlaamse en Nederlandse toneelspelers van ZTHollandia de Deltawerken te bekijken, mosselen in Veere te eten en de visafslag van Scheveningen te bezoeken. De zee zag hij niet voor het eerst, maar hij wees de spelers -die daar vertrouwd mee waren en er dus geen oog meer voor hadden- op de scheef lopende horizon boven zee. Acteur Bert Luppes kreeg ter plekke de regieaanwijzing om met een trekwisser op een drafje de vloed te drogen. De fotograaf fotografeerde die scène, en ziedaar: het affiche voor de voorstelling was reeds geboren.

Nu de voorstelling zelf nog.

Op Vlaamse vlooienmarkten scharrelde Marthaler oude grammofoonplaten bij elkaar en liet die de spelers horen. Hij liet ze fragmenten van Kniertje voordragen om de muziek van het Nederlands te horen. ,,Ja ja. As 't water is spreke kon.... 't Leve op zee is geen vertelsel. Door 'n duimsplankie zijn ze van de eeuwigheid gescheijen. De manne hebbe 't hard en de vrouwe hebbe 't hard. En de visse komme uit 't zelfde water waarin onze dooie -hoe mot ik 't zeggen- waarin onze dooie.... 't is dwaas om zoiets te denke. 't Is je bestaan en tegen je bestaan mag je niet opstand komme.''

'Seemannslieder' bestaat inderdaad uit zeemansliederen, uit gezang over de zee, over afscheid en over verlangen. Gezongen in het Frans, Engels, Schots, Duits of Nederlands. Nu eens uit volle borst, dan weer dusdanig pianississimo dat de tekst verzinkt en amper de melodie nog te volgen valt.

Maar een liedjesavond waarop het ene na het andere liedje wordt voorgedragen is 'Seemannslieder' van de verste verten niet. Als er even niet gezongen wordt, is het in Marthalers collagetheater een bedrijvigheid van belang. Maar een verraderlijke bedrijvigheid, want de zeelui die gescheiden van hun vrouwen op zee, in het schimmenrijk of in de havenkroeg zitten, doen welbeschouwd niets anders dan wachten. En toch hebben ze hun handen vol. Aan elkaar, aan een langsslierend havensnolletje, aan zeemansmaskers uit de feestwinkel, aan het leggen van ingewikkelde scheepsknopen, aan jenever lurken, aan een mallotig synchrone hengelpartij, aan een fietswrak uit zee takelen om dat als buit naar de stuurhut te sjorren, aan mijmeringen ('God neemt ons, en wij nemen de vissen'), aan een estafette naar hun vrouwen scharrelend over de grond als een schol, schar of anderszins verdoelde zeetong.

Ook de vrouwen hebben het -al wachtende- druk met plaatjes draaien, met een stampende dieselmotordans, met de kunst van tergend zot een sigaret roken, met oeverloos horizontaal aan de reling bungelen, met verhandelingen over Haarlemmerolie als probaat middel tegen een gebroken zeemansbeen.

Vanaf de eerste repetitiedag hield acteur Bert Luppes een dagboek bij. ,,Ja, Bert, dan sta je toch ineens Wagner te zingen'', hoor ik de dramaturg vanmiddag gniffelend tegen me zeggen, terwijl hij als een gek de aria uit 'Der fliegende Hollünder' probeert te vertalen. 'Trieb mein Schiff ich zum Klippengrund....'.''

Voordat je het in de gaten hebt staan alle toneelspelers daar inderdaad in gedempt licht Wagner te zingen. 'De tijd is om / en nog een keer verstreken zijn zeven jaar. / Vol afkeer werpt mij de zee aan land - Ha!' valt in hun zingend fluisteren amper meer te verstaan, zo ver weg waait Wagner over de oceaandeining.

Behalve ingenieus regisseur, is Marthaler een trefzeker rangschikkende componist. Als je hoort dat hij eindeloos doorgekookte smartlappen als 'Strangers in the night', 'I am sailing' en 'Jongen, kom toch gauw weer naar huis' gaat laten vertolken, zinkt de moed je bij voorbaat in de schoenen. Maar zodra Frieda Pittoors met haar uitgestreken smoelwerk 'Jongen, vaar dan nooit meer, vaar nooit meer van huis' aanheft, ben je verkocht. Even neutraal als krachtig zingt ze dat onzinlied, met geen trieste maar wel peilloos lege oogopslag richting verre einder.

Vraag niet hoe, maar naadloos sluit daarop Schuberts 'Meeres Stille' aan. Eerder hummend dan zingend, met minimale harpklank van twee piano's weerklinkt van de volledige troupe: ,,Tiefe Stille herrscht im Wasser, / Ohne Regung ruht das Meer, / Und bekümmert sieht der Schiffer / Glatte Flüche ringsumher. / Keine Luft von keiner Seite! / Todesstille fürchterlich! / In der ungeheuern Weite / Reget keine Welle sich.''

Er is ook puberale meligheid: smerig braken en bloeden aan de bar, uitgesponnen gekloot met een pruik, minutenlang over het toneel tollen om te tonen hoe vergeefs het aantrekken van naaldhakken is. Maar daar kijk je gemakkelijk langsheen, omdat er ginds weer wat anders op til is. Zeeman Luppes bijvoorbeeld, die in zijn jongensstuurhut treiterig met kwast in z'n verfpotje rinkelend de maat verstoort. Of sirene Hadewych Minis, eveneens met ondoorgrondelijk lege oogopslag, die loepzuiver en keer op keer 'Nebensonnen' uit Schuberts 'Winterreise' tussen de tanden fluit. Zo tomeloos verlaten -verrukkelijk! Of de drummer die zichzelf van z'n drumstel drumt, en op de grond gevallen met de vloer als trommel onverstoorbaar voortdrumt.

Als alle acteurs liggend op elkaar klauteren kun je die mensenberg als koddig of als 'gezocht' afdoen. En tegelijkertijd schuilt er in die zooi verwrongen gezichten en geplette borstkassen deernis als daaruit onverveerd gezang 440 opstijgt: ,,Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht.''

Het is kitsch noch camp, verheven noch plechtig. Raar maar waar: de liederen en muziek die Marthaler uit alle windstreken en jaargetijden bijeen grabbelde, staan volwaardig en zeeklaar naast elkaar. Steeds zet je de oren op steeltjes om te achterhalen wat er nu weer van wie uit zijn partituurdoos klinkt. Of juist niet, en geef je je als geredde drenkeling onbekommerd over aan de ongekende fluisteringen die Marthaler je toewerpt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden