Opinie

Op het toneel is Judas een nogal middelmatige man

’Wat ik wil vertellen is het onbekende verhaal”, zegt de man van middelbare leeftijd. Lang sluikhaar, quasi modern streepjespak. Hij staat voor een meterslange houten tafel met daaromheen twaalf stoelen: Het Laatste Avondmaal. „Ik heb begrepen dat er de laatste tijd nogal veel over mij te doen is. Dat ik – zogezegd – in de belangstelling sta.”

Bij die zinnen kan het publiek in de Haarlemse Toneelschuur niet anders dan denken aan het Evangelie van Judas, dat twee jaar geleden met veel bombarie werd gepubliceerd. Judas was daarin niet de spreekwoordelijke verrader, maar de ’ster’: door zijn ogenschijnlijke verraad bevrijdde hij Jezus van het lichamelijke leven, zodat het grote heilswerk kon beginnen. In het tweede-eeuwse gnostieke document had Judas een totaal ander imago dan de slechterik van het traditionele christendom.

Toch is dat niet het ’onbekende verhaal’ dat schrijfster Lot Vekemans in haar monoloog ’Judas’ vertelt. Dat verhaal is eerder even traditioneel als het toneelbeeld aandoet.

Vekemans laat het publiek kennismaken met de icoon van het Kwaad, maar haalt de hoofdletter van hem af.

Judas, gespeeld door Han Kerckhoffs, is een gewone man. Hij begint zijn alleenspraak met een mop – zoals veel middelmatige mannen doen. Helaas werkt het niet ontregelend, maar vervreemdend; de openingsscène hangt er een beetje bij, terwijl ze zich prima leende om later in het stuk een rol te spelen. Gemiste kans.

Dat laatste gaat ook op voor het attribuut van Judas, zijn schatkistje. In de bijbelse evangeliën is Judas de penningmeester van de kring rond Jezus; alleen het Johannesevangelie beticht hem van een greep in de kas. En hier, in de Toneelschuur? Hier doet Judas er niets mee.

Maar Kerckhoffs sleept de kijker wél mee, als hij vertelt: „Ik heb hem begroet ja. Op de bewuste avond, met een kus. Ik sprak hem aan, niet met zijn naam maar met zijn titel: meester. En ik fluisterde twee woorden – twee woorden – die alleen hij heeft kunnen verstaan.”

Deze Judas, die zijn naam alleen helemaal aan het eind van de voorstelling durft uit te spreken, lijkt in zijn motivatie voor het verraad, het ’overleveren’, op de Judas in Jesus Christ Superstar: ook hier het ongeduld, de drang om de Romeinse onderdrukking omver te werpen. „Ik wilde een koning, iemand met wie je samen optrekt in de strijd.”

Geslaagd is de omkering van het Agnus Dei, de Johannestekst die bekend is uit de mis, over het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. Judas spreek zijn publiek rechtstreeks aan en foetert: „Vertel me niet dat Jezus moest sterven. Voor wie? Voor jullie? Moest hij voor jullie sterven? Is er iemand hier aanwezig die durft te zeggen: Hij is gestorven voor mij! Hij is gestorven voor mijn zonden! En die dat dan zonder blikken of blozen durft te zeggen, of zelfs weet te verdedigen? Ik kan jullie één ding zeggen: Hij is niet gestorven voor jullie zonden. Als er al iemand gestorven is voor jullie zonden dan ben ik dat. Ik ben gestorven in de strop aan een dode boom en heb zo alle schuld op me genomen. Alle schuld.”

Het is de omkering die Simon Vestdijk al bedacht: het verraad was een daad van vroomheid, waarmee hij „Jezus de eer gaf die Hem toekwam, en zichzelf de schande”.

Hier schuilt de kracht en de zwakte van het stuk. Vekemans wil ons laten nadenken over ’de Judas in onszelf’. Daarom is de apotheose, een tierende Judas, appellerend en indrukwekkend – maar wat als het appèl over het publiek heenschiet? Wat als de kijker zich bij die hele verzoeningsleer (Christus voor mij gestorven) niets kan voorstellen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden