Op het randje van bezwijken

Willem Jan Otten beschouwt films over onmogelijke keuzes. Vandaag: 'La fille inconnue' ( Jean-Pierre & Luc Dardenne), die binnenkort in première gaat.

Dichter en essayist: Willem Jan Otten (1955) schreef de doktersroman 'Ons mankeert niets', (1995)'. Voor zijn beschouwend proza ontving hij de P.C.Hooftprijs.

Het eerste shot van deze reeks 'Films tegen beter weten in' is van een eenvoudige schoonheid. Je ziet een naakte oude mannenrug, een stethoscoop, en een jonge vrouw die, van opzij gezien, aandachtig luistert. Longen. De oude man ademt en zwijgt.

Hoe beter de film, des te hulpelozer het essay erover.

De jonge vrouw zal de hoofdpersoon blijken te zijn, een arts. Ze overlegt al luisterend met een onzichtbare ander, een jongere arts in opleiding. Ze laat hem luisteren, leert hem symptomen te herkennen. De camera staat dichtbij, het beeld is close, alsof de stethoscoop de hoofdpersoon is.

De film is van de gebroeders Dardenne. Hij heeft een prachtige, verontrustende titel: 'La fille inconnue', het onbekende meisje. Iedereen die dit oeuvre kent, weet dat de Maas er doorheen stroomt, als een doodsrivier. Net als hun zeven vorige meesterwerken zal ook deze film de bioscoopbezoeker in een onderwereld onderdompelen: de zelfkant van Luik en omstreken, de zone van sans papiers, lamentabele stacaravans, cybercafés met hosselaars, huurkamers met alcoholistische weduwnaars die van de verzorgingsradar dreigen te verdwijnen, daklozen, bouwplaatsen met Albanese koelies, minderjarige straathoeren.

Er is in de wereld vrijwel geen grote stad zonder zo'n hades. Die van Luik staat voor de globaliseringsjungle op alle continenten, de parallelwereld van de vrije markt, en dat verklaart het wereldwijde succes van de Dardennes.

Het bijzondere van deze gebroeders - Jean Pierre van '51, Luc van '54 - is dat zij alles op alles zetten om deze wereld niet te objectiveren. Ze zijn ongeëvenaarde sociologen, hun analyse van het sociale en economische weefsel dat zij ontrafelen is messcherp - maar ze weigeren de camera, 'op de samenleving te richten'. Ze doen ten enenmale niet aan 'observeren'. En dat is precies wat je als beschouwer van hun werk zo hulpeloos maakt, want hoezeer je ook voornemens was om 'met sociale belangstelling' naar hun film te kijken - het zal allemaal anders uitpakken.

Het nobele, geëngageerde plan om naar deze werkelijkheid te gaan kijken (haar te leren kennen) houdt heel vaak in: de mensen die er proberen te overleven objectiveren, ze te zien als slachtoffers. Of als vreemdelingen. Of outcasts. Zulk kijken maakt van mensen buitenbenen, zelfs, of juist, wanneer het wordt gevoed door een verlangen om solidair met ze te zijn. Solidariteit verschilt niet altijd van pleurop, ze kunnen de keerzijden zijn van dezelfde aanvechting om jezelf te verschonen.

De gebroeders richten hun camera niet op de realiteit van de zone, ze plaatsen hem erin, tussen de mensen. Iedere scène die ze vangen met hun ongeëvenaarde, ongemonteerde camerabewegingen, als een documentaire geschoten van de schouder, is een scène die de toeschouwer impliceert in menselijke verhoudingen. Vergelijk het met in de tram staan en een radeloze, uitgeputte moeder haar jengelende kind zien slaan. Je staat op enkele meters afstand, je 'leest' de scène (door tegen jezelf te zeggen: ze ligt in scheiding) en op het moment van de klap ben je er niet langer alleen de toeschouwer van, maar word je erin meegezogen.

'Je had iets moeten doen'.

Dit impliceren zien we op een frappante manier in werking treden in een scène van 'La fille inconnue' die kort volgt op de openingsscène: er wordt een tienjarige jongen de praktijk binnengebracht die aan een soort epileptische stuip ten prooi is. De beide dokters doen hun diagnostische handelingen, het jongetje komt bij, herkent, goddank, de radeloos naast hem geknielde moeder. De dokters overleggen, bellen de ambulance en verwijzen het kind door naar een specialist, want hersenbeschadiging of tumor kan niet uitgesloten worden.

We kijken naar de stagiair - allemaal weer in één ongemonteerde camerabeweging - en merken op dat hij staart, alsof hij van iets het zijne denkt, iets anders dan de vrouwelijke arts, die zijn meerdere is. We begrijpen niet wat hij precies denkt, maar hij is geïmpliceerd geraakt in de scène, op de wijze van de tramreiziger in de klap. Later zullen we begrijpen dat we het goed hebben gezien - de stagiair had de blauwe plekken van het kind opgemerkt die wij, als we beter hadden opgelet, ook hadden kunnen opmerken. Hij vertelt dat hij zelf door zijn vader is mishandeld.

'Ik had iets moeten doen.'

Hij vertelt méér: toen hij de stuiptrekkende jongen zag (en wij zijn staren), besloot hij zijn doktersopleiding op te geven. Als we geïmpliceerd worden, dreigt er wegkijken, zelfs capitulatie.

De gebroeders Dardenne grossieren in zulke implicatie-momenten, sterker: de hele film draait op het moment waarop Jenny, de vrouwelijke arts, zich niet laat impliceren. Dat is de oerknal van 'La fille inconnue', als een uur na de officiële sluitingstijd van de praktijk en vijf minuten na het begin van de film, de zoemer van de buitendeur gaat, en Jenny besluit om niet open te doen. "Als het echt een noodgeval is belt hij nog wel een keer." Haar geforceerd gedecideerde toon, het lesje professionaliteit dat ze haar stagiair leert, het zwijgen van de stagiair die zich wegkijkend afdraait - het werkt allemaal als de klap in de tram: we zijn getuige van een act die ook ons medeplichtig maakt van iets onjuists, onbillijks, onrechtvaardigs, zelfs al weten we niet wat het is.

De volgende dag hoort Jenny dat er een dode vrouw gevonden is niet ver van de praktijk, op een bouwplek langs de Maas. Als de politiemannen, die dit komen vertellen, de beelden van de intercomcamera bekijken, is duidelijk dat het om dezelfde gaat als die de avond tevoren heeft aangebeld, een uur na sluitingstijd.

Dit is de implicatiescène der implicatiescènes en, uiteraard, gefilmd in één lange ongemonteerde camera-instelling, die onafwendbaar af beweegt op het zien, 'met Jenny mee', van de intercombeelden - en van het gezicht van de onbekende, zwarte vrouw, een meisje welbeschouwd, dat ons, en Jenny, en de agenten, recht aankijkt. Recht de camera in.

"U kon het niet weten", zegt een van de agenten als hij Jenny's reactie ziet. Ik geloof niet dat ik een acteur of actrice ooit met zo weinig expressie zoveel uitdrukking zien hebben gedurende één close-up - een imploderende verbijstering die nu en dan, bijna onaanwijsbaar, in roerloze angst verkeert, alsof ze fysiek bedreigd wordt.

Het is misschien wel de meest ademstokkende blikwisseling in het aan blikwisselingen en oogopslagen zo rijke oeuvre van de Dardennes. Als ooit het leerstuk van 'het gelaat van de ander', van de Franse filosoof Lévinas (door de gebroeders meermalen genoemd als inspiratiebron) een filmbeeld is geworden, dan nu. Volgens Lévinas is 't het aankijken van de ander, en het door de ander aangekeken worden, dat ons tot mens maakt, tot 'oneindig aan elkaar verplichte wezens'. En het ís geen blikwisseling. Degene die opkijkt naar Jenny bestaat helemaal niet meer!

De film kent hierna nog maar een beweging, één richting: Jenny wil weten wie de jonge vrouw is. Vrouw zoekt naam. Jenny wordt een van de vele Dardennepersonages die de obsessieve rondgang langs de cirkels van de Luikse hel maakt, vaak langs mensen van haar dokterspraktijk, die telkens een reden hebben om hun implicatie in het leven van de dode vrouw even krachtdadig te blokkeren als Jenny, toen zij besloot de zoemer geen gehoor te geven.

Intussen komen we van Jenny even weinig te weten als Jenny van de inconnue. Ze is arts. Ze is geliefd bij haar patiënten - zoals mensen met een oneindige aandacht en een goed, gedetailleerd geheugen voor andermans lijden dikwijls zijn. De Dardennes laten in een reeks subtiele, terloopse scènes zien met hoeveel tact en geduld zij met haar patiënten omgaat, en hoe dankbaar die daarvoor zijn. Met Jenny geven de gebroeders een raadsel op: waar komt het goede vandaan?

Ze is een gelijkmatig mens, op het vlakke af. Door haar karakter is dit de bedachtzaamste Dardenne geworden, terwijl hij spannend blijft als een misdaadfilm. Ze staat alleen. De gebroeders hebben haar geen vriend, geen liefdesleven, ook geen ongelukkig, en zelfs geen ex gegeven. Geen ouders ook - ze zullen er zijn, maar zij valt niet op hen terug, ze komen domweg niet ter sprake. Het is allemaal alsof de gebroeders willen benadrukken hoe zeldzaam en onverklaarbaar goedheid is, zelfs wanneer Jenny in het open winterraam haar schuldige sigaret rookt. Hoe langer de film duurt, hoe raadselachtiger Jenny wordt. Of laat ik zeggen: hoe raadselachtiger 'de arts', als menselijke mogelijkheid. Je hebt nooit het gevoel dat ze door de gebroeders geïdealiseerd wordt. En toch, doordat Jenny vrijwel alleen maar de dokter is, 'levend voor haar patiënten', wordt ze een vrouw zonder eigenschappen, iemand die alleen haar daden en handelingen is.

Symbool voor deze priesterlijke dienstvaardigheid is de zoemer die elk moment kan gaan, en altijd een beroep impliceert. Aan de zoemer is ze gehoorzaam, als een monnik aan de getijdenbel.

Het is exact deze gehoorzaamheid - en dus: het ene moment van ongehoorzaamheid, van 'geen gehoor geven' - die de verklaring is voor haar obsessieve, op zeker moment mateloze en gevaarlijke, voor het justitieel onderzoek zelfs schadelijke drang om naar de identiteit van het dode meisje te zoeken. Natuurlijk, we noemen het schuldgevoel. Dat is beslist ook het woord, maar ik heb het gevoel dat het niet helemaal voldoet. Dat er voor Jenny nóg een reden is om, tegen beter weten in, te volharden in dit zoeken.

Het is alsof zij, als zij de onbekende, die zij heeft laten schieten, nu los zou laten, en naamloos en zonder verhaal in het graf laten zakken, zich zelf zou laten schieten. Of: capituleren.

Daarom is het voor haar zo belangrijk dat de stagiair na diens capitulatie, haar als afronding van een schijnbaar bijzakelijk plotlijntje, opbelt om te zeggen dat hij toch weer doorgaat met zijn studie. Op een of andere manier heeft zij (niet met woorden, eerder met haar zwijgen), hem ervan overtuigd dat de schuldige wanhoop die hem overviel toen hij het mishandelde kind zag liggen stuiptrekken, geen bewijs van zwakte was, maar juist een blijk van uit het juiste hout gesneden te zijn. Alsof een goede, liefdevolle dokter iemand is die niet anders kan dan leven op de rand van de wanhoop over het lijden. Alsof dat zijn kracht is.

En langzaamaan begin je te beseffen dat de gebroeders met deze jonge, bijna maagdelijke, of hoe zeg ik dit als goed katholiek: onbevlekte, radicaal voor de ander ontvankelijke dokter iets willen vertellen over wat cinema, de kunst van het zien van mensen met een camera, voor hen betekent. De manier waarop zij hun personages een film bezorgen is lijkt op de wijze waarop een arts zich verhoudt tot degenen die een beroep op hen doen. De gebroeders filmen alsof er door de mensen die hun verhalen bevolken een beroep op hen wordt gedaan. Filmen is hun manier om niet te bezwijken onder het zien en 'begrijpen', of diagnosticeren, van het lijden in de Zone van de stad die nu eenmaal hun leven is. Het is alsof zij door hun personages ter verantwoording worden geroepen - niet om een ziekte te diagnosticeren maar om ze een verhaal, een lot, een naam te geven.

De queeste van Jenny is niet alleen een zoektocht naar de identiteit van de onbekende dode, maar ook een gevecht om zelfbehoud, tegen de wanhoop, door de wanhoop van de onbekende te willen kennen, het lijden van een vreemdeling 'die nog had zullen leven als ik een goede dokter was geweest'.

Er is geen enkele reden om te hopen dat wat voor de dokter en de filmmakende gebroeders geldt, niet voor de toeschouwer geldt. Hierover laat de film geen enkel misverstand bestaan. Er is geen leven waarin de zoemer niet gaat.

Kijk en bespreek de film

Dichter en essayist Willem Jan Otten belicht in Letter&Geest maandelijks een film over onmogelijke keuzes. Deze 'film-tegen-beter-weten-in' is daarna te zien in De Balie. Daar bespreekt Otten de film na met een gast.

Wanneer? De Nederlandse première van La fille inconnu is op 5 oktober, 20u. Gast is theoloog Ernst van den Hemel.

Waar? De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10 (Leidseplein), Amsterdam.

Kaarten? Trouwlezers betalen geen euro10, maar euro8 per film. Passe-partout voor alle films: euro60. Voorkom teleurstelling en reserveer via www. trouw.nl/exclusief, of bel: 020-5535100.

Woensdag 5 okt

La fille inconnue

Nederlandse première

Dinsdag 1 november

Der Himmel über Berlin

Dinsdag 13 december

Le refuge

Woensdag 11 januari

Dinsdag 7 februari

Dinsdag 7 maart

Dinsdag 4 april

Dinsdag 9 mei

Elke maand bereidt Willem Jan Otten

met een essay een filmvertoning voor.

Deze maand: 'La fille inconnue'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden