Op het goed van Twickel

De dag ervoor had hij het hele kabinet ontvangen, op zijn landgoed in Diepenheim. Een kabinet in jeans. De sfeer was daardoor, veronderstelde ik, voorgeschreven ontspannen geweest. 'Bijna jolig', zei Albert Schimmelpenninck, de gastheer, die het gezelschap voor het diner nog had toegesproken over zijn familiegeschiedenis, die terugvoerde naar doopsgezinden in de zeventiende en achttiende eeuw, uitgeslotenen van ambachtsgilden en ambtenarij, die hun toekomst zochten in de handel. Zijn beroemde voorvader Rutger Jan (1761-1825), zoon van een wijninkoper, verzette zich tegen het oude regentendom en werd raadspensionaris van de Bataafse Republiek.

We zaten aan een tafel op een verhoging in zijn kantoor, de secretaresse bracht koffie en thee. Hij had zijn Ierse setter even naar buiten gevoerd, naar de deurmat in de gang, want voor de geur van het dier was hij allergisch.

Het kantoor bevond zich niet in Diepenheim, maar tegenover het kasteel Twickel bij Delden. Van dat landgoed, het grootste particuliere landgoed van Nederland, is hij al bijna dertig jaar de rentmeester. Tot verwondering destijds van zijn vader. 'Een Schimmelpenninck is geen rentmeester. Een Schimmelpenninck hééft een rentmeester.' Hij grinnikte even.

Voor ons op tafel lag een kaart van het landgoed en de omgeving. Een enorm gebied, lichtgroen, donkergroen en paars ingekleurd, voor landbouw, bos en heide. En blauw, voor het water van de Twickelervaart, en de vennen van J.D. Zocher, de landschapsarchitect.

Twickel, dat was in mijn jeugd, die ik deels in Hengelo doorbracht, een begrip. Je fietste ernaar toe, langs dat ongenaakbare huis achter de ophaalbrug, waar toen nog een oude, kinderloos gebleven barones woonde. Ik kende de zoon van een pachtboer, een kunstenaar in wording, die van een schuur zijn atelier had gemaakt en nog herinner ik me hoe de romantiek ervan me aangreep.

Ik kwam zijn naam niet tegen bij het tiental kunstenaars dat nu, voor een kleine tentoonstelling in de oranjerie, een werk maakte, geïnspireerd op oude kaarten van het landgoed.

Ik had een beetje met die werken te doen, zoals ze daar hingen in die oranjerie die ook nog door Zocher was vormgegeven. Zo overweldigend was de omgeving, de formele tuin van het kasteel met zijn fraaie in vorm gesnoeide taxussen, het kasteel zelf, en ook de kaarten die als inspiratiebron dienden; alles leek zoveel groter dan wat de kunstenaars in hun abstractie konden scheppen.

Onontkoombaar is de schoonheid van dit goed, eeuwenlang in familiebezit, tot in 1975 de oude barones overleed en een stichting het beheer overnam. Wat die stichting ook overnam was de traditie over die schoonheid te waken. Een vitale schoonheid. Albert Schimmelpenninck stond in dienst ervan.

Ik was vanaf het station in Delden over Twickelse grond naar het kasteel gelopen en daarbij de nieuwe loopbrug overgestoken. Die brug hielp me de hemel in, over de vermaledijde ringweg die 1972 het landgoed afsneed van het stadje. Aan de overkant van die weg, over de brug, begon een andere wereld. Een laan van eiken, een historisch landschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden