Op eenzame hoogte

De overblijfselen van de zuil in Qal'a Sim'an te Syrië, waarop Simeon de pilaarheilige zo'n veertig jaar van zijn leven staande doorbracht.Geheel links: 16de-eeuwse icoon van Simeon de pilaarheilige uit Kostarowce, Polen. (Trouw) Beeld
De overblijfselen van de zuil in Qal'a Sim'an te Syrië, waarop Simeon de pilaarheilige zo'n veertig jaar van zijn leven staande doorbracht.Geheel links: 16de-eeuwse icoon van Simeon de pilaarheilige uit Kostarowce, Polen. (Trouw)

Daniël de pilaarheilige stond een groot deel van zijn leven op een hoge zuil aan de Bosporus, in weer en wind. Wat hem en zijn tijdgenoten bezielde, wil Pieter W. van der Horst weten. „Het is voor ons moderne mensen nauwelijks voorstelbaar dat zich dagelijks grote massa’s rond zijn zuil verzamelden op zoek naar genezing, exorcisme, voorbede en goede raad."

Iemand die decennialang onafgebroken op een hoge pilaar staat om daar te bidden en een streng ascetisch te leven – wie ziet dat nu nog als een vorm van intense vroomheid en heiligheid? Toch is dat ooit wel zo geweest.

Het vroege christendom kende een heel aantal vormen van ascese en onthouding. Sommige christenen trouwden niet, in de verwachting dat de Heer spoedig zou wederkomen, of ze betrachtten een uiterste soberheid in hun leefwijze – bijvoorbeeld door heel weinig te eten of in ieder geval geen vlees. Anderen trokken zich terug in de woestijn om daar in volstrekte eenzaamheid hun leven te wijden aan de strijd tegen lichamelijke hartstochten en aan het zingen van Gods lof. Weer anderen sloten zich aan bij celibataire gemeenschappen in kloosters. En sommigen gingen op een pilaar staan om op eenzame hoogte, verheven boven het aards gewoel, tot God te bidden en te mediteren.

Daniël de pilaarheilige – of styliet, van het Griekse stylos, pilaar of zuil – stond een groot deel van zijn lange leven in de vijfde eeuw op een hoge zuil aan de Bosporus, waar het ’s zomers ondraaglijk heet en ’s winters onbarmhartig koud kan zijn. Wie de levensloop en het levensideaal van deze uitzonderlijke figuur wil begrijpen, kan dat niet zonder de voorgeschiedenis ervan te bezien. En die begint met de eerste pilaarheilige Simeon. (Velen zullen hem kennen van A.C. Willinks beroemde schilderij ’Simeon de pilaarheilige’ in het Haags Gemeentemuseum.)

Simeon de Styliet werd rond 390 geboren in het noordwesten van Syrië, als kind van een christelijk boerenechtpaar. De meesten van de vele kinderen uit dit huwelijk overleden zeer spoedig na hun geboorte. Alleen Simeon en een broertje bleven in leven. Over zijn vroege jeugd is heel weinig bekend, behalve dat hij voor zijn ouders de schapen hoedde. Hij bleef zijn leven lang ongeletterd. Zijn moedertaal was Syrisch.

Als hij als tienjarige op een dag in de kerk uit het Nieuwe Testament hoort voorlezen, treft hem dat zozeer dat hij een soort bekering ondergaat, bekrachtigd door een visionaire ervaring in een martelaarskapel. Beide gebeurtenissen brengen hem ertoe zich al heel jong aan ascese te wijden – eerst een jaar of twee onder de hoede van individuele asceten, daarna ongeveer tien jaar in een klooster in Teleda (ruim vijftig kilometer ten noordoosten van Antiochië, het huidige Antakya). Uiteindelijk moet hij daar weg; zijn steeds strenger wordende ascese gaat de andere monniken veel te ver. Die uit zich bijvoorbeeld in extreme onthouding van voedsel (volgens een van zijn biografen at hij eenmaal per week een uiterst kleine hoeveelheid) en in rigoureuze zelfkastijding. Dit gedrag verontrust en ergert zijn confraters, zonder twijfel ook omdat Simeons optreden hun het schuldige gevoel gaf zich niet voldoende in te zetten voor een echt ascetisch leven. Hij vertrekt daarna voor de rest van zijn leven naar het noordwesten van Syrië, waar hij zich bij het dorp Telanissos aanvankelijk enkele jaren vestigt in een schamel gebouwtje op een nabijgelegen heuveltop. Daarna bouwt hij een hoge, dubbele omheining van stenen. Daar woont hij in de open lucht, blootgesteld aan alle seizoenswisselingen en met een zware ijzeren ketting om zijn enkel om zichzelf te verhinderen daarvandaan weg te gaan.

Na enige tijd bedenkt hij een geheel nieuwe vorm van ascetisch leven: hij gaat staan op een manshoge pilaar om zich op die wijze voortdurend aan gebed en rigoureuze versterving te wijden. In de loop der jaren laat hij telkens hogere pilaren maken, de laatste is maar liefst 18 meter hoog. Daarop blijft hij staan tot aan zijn dood in 459, met zijn voeten vastgeketend. Het mag welhaast een wonder heten dat iemand met deze levenswijze nog zo’n zeventig jaar is geworden. De antieke bronnen zijn niet eensluidend, maar hij moet tussen de 37 en 47 jaar op een pilaar hebben gestaan.

Al die tijd was zijn zuil omringd door een groep trouwe aanhangers en bewonderaars, die hem van voedsel en water voorzagen en die hem ook anderszins van dienst waren. Zijn faam als pilaarheilige reikte tot in Britannia en het Perzische Rijk. In toenemende mate kwamen hele menigten pelgrims van heinde en verre naar hem toe met verzoeken om voorbede, om genezing, om allerlei soorten hulp, om rechterlijke uitspraken. Een man die in onze tijd vermoedelijk als een gevaar voor zichzelf in een psychiatrische inrichting zou zijn opgesloten, werd in de eerste helft van de vijfde eeuw het idool, of beter: de bewierookte representant van God, voor vele tienduizenden uit alle sociale lagen van de bevolking. De massale verering begon al tijdens het leven van de heilige, met alle pelgrimsindustrie van dien, bijvoorbeeld in de vorm van souvenir- en reliekenhandel. Volgens een van zijn biografen was het juist de enorme mensentoeloop die Simeon ertoe deed besluiten op telkens hogere zuilen te staan; anders werd het te vermoeiend en te belastend. Zoals Jezus soms in een bootje stapte om aan de druk van de mensenmassa’s te kunnen ontkomen, zo besteeg Simeon een zuil.

Dat wil niet zeggen dat hij zich onttrok aan het beroep dat op hem werd gedaan. De biografen van Simeon benadrukken juist het opmerkelijke feit dat hij altijd na zijn gebeden – die duurden van het begin van de nacht tot drie uur in de middag – tot zonsondergang de tijd nam om alle mensen te woord te staan en zich met hun ziekten, klachten en problemen bezig te houden.

Overigens is het niet juist om te zeggen dat hij álle mensen te woord stond, want hij ontving alleen mannen. Vrouwen, zelfs zijn eigen moeder, wilde hij niet zien. Die moesten achter de hoge omheining blijven. Ook van andere vroegchristelijke monniken is bekend dat zij nooit vrouwen wilden zien vanwege de onweerstaanbare verleiding die van hen uitging.

Ondanks zijn isolement bleef Simeon toch sociaal functioneren, vooral als een soort christelijk orakel. Door zijn wonderen en zijn kennelijke charisma wist hij hele dorpen en Arabische bedoeïenenstammen tot bekering te brengen. De belangrijke rol van Simeon in de christianisatie van het noorden van Syrië valt vermoedelijk niet te onderschatten.

Simeon hield zich evenmin afzijdig van de politiek, inclusief de kerkpolitiek. Hij bad langdurig om een Perzische invasie van het Romeinse grondgebied (in 440) tot staan te brengen. Toen in het midden van de jaren twintig keizer Theodosius II bepaalde dat christelijke gemeenten die ten onrechte joodse synagogen hadden onteigend, die moesten teruggeven aan de Joden of hun daarvoor herstelbetalingen moesten geven, schreef de heilige de keizer een dreigbrief waardoor die de maatregel weer introk. De affaire werpt een schril licht op Simeons ’heiligheid’.

Simeons radicale ascese en zijn hartgrondig antiwereldse neigingen kwamen niet uit de lucht vallen. Niet alleen manifesteerde zich in de hele latere Oudheid (heidens, joods en christelijk) een veel sterkere neiging tot ascese en wereldmijding dan in voorafgaande perioden, het was speciaal in het Syrische christendom dat deze tendens zich extra uitte. Al vanaf de tweede eeuw had het christendom daar een eigen signatuur, waarin het motief van de enkrateia (zelfbeheersing of onthouding) een voorname rol speelde. Dat was een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan en de groei van het monachisme, het monnikenwezen (letterlijk: het ideaal van het alleen-zijn).

Het is dan ook niet zo dat het Syrische monnikenwezen is overgewaaid van de woestijnvaders in Egypte, zoals vroeger vaak werd gedacht. Het is weliswaar tegelijk met, maar toch onafhankelijk daarvan ontstaan. De ontwikkelingen bleven in beide landen overigens niet gelijk op lopen, want het zich in Egypte ontwikkelende cenobitisme (samenleven in een klooster) sloeg in Syrië veel minder aan. En de excessen in ascese van de Syrische monniken en hun soms bizarre leefwijzen lokten, vooral in de vijfde eeuw, veel kritiek uit van hun Egyptische broeders. De Syrische asceten zagen zichzelf in menig opzicht als de opvolgers van de martelaren, en je kunt hun extravagante ascese inderdaad met recht zien als een reactie tegen de verwatering van het christelijke leven nadat de vervolgingen aan het begin van de vierde eeuw waren opgehouden.

Het leven op een hoge pilaar, met minder dan 4 vierkante meter om op te staan, is een trefzekere manier van anachorese (het zich terugtrekken uit de wereld), en het verschijnsel was nieuw in het vroege christendom. Er is veel gespeculeerd over eventuele niet-christelijke voorbeelden of inspiratiebronnen voor Simeon – zoals de bekende ’fallusbeklimmers’ van de Syrische godin Atargatis, die tweemaal per jaar een weeklang op enkele hoge zuilen vertoefden voor haar tempel in Hierapolis-Bambyke (zo’n honderd kilometer van Simeons pilaar) met als taak speciale gebeden op te zenden.

In feite beperkt de overeenkomst zich tot het algemeen antiek-religieuze motief dat het voor communicatie met de godheid altijd beter is het ook letterlijk hogerop te zoeken. Daarom stonden tempels ook zo vaak op berg- of heuveltoppen. Het is zeer de vraag of de traditie van de ’fallusbeklimmers’ in Simeons dagen nog levend was. Er was in ieder geval ook een traditie van zogenaamde ’stationaire’ heiligen, asceten die zo lang mogelijk bewegingloos op één plaats bleven staan, bijvoorbeeld op de Olijfberg. En staan was in het vroege christendom de gebedshouding bij uitstek.

Bekend in zowel het vroege jodendom als in het antieke christendom is ook het motief van de voor Gods troon staande engelen die hem lofprijzen (engelen hebben geen knieën!). De vroegchristelijke monniken streefden naar de angelikos bios, het leven als een engel, waar dit staan voor Gods troon ook bijhoorde. Bovendien riep het staan met uitgestrekte armen (de gebedshouding) op een hoge zuil associaties op met de gekruisigde Christus, zoals de iconografie van Simeon duidelijk laat zien. En laten we niet te snel de verklaring terzijde leggen van Simeons vroegste biograaf, Theodoretus van Cyrrus, die hem jarenlang persoonlijk heeft meegemaakt: „Zijn streven was naar de hemel op te stijgen en van dit aardse verblijf bevrijd te worden.”

Simeons voorbeeld vond veel navolging, eerst alleen in het Oosten, maar later ook in het middeleeuwse Westen, zij het daar veel minder. Simeons belangrijkste volgeling in de Oudheid was zonder enige twijfel Daniël. Zijn biografie, geschreven door een anonieme auteur, verschijnt dezer dagen voor het eerst in Nederlandse vertaling.

Daniël heeft Simeon nog persoonlijk gekend (hij kwam zelf ook uit Syrië) en wilde diens ’werk’ voortzetten. Niet in de verlatenheid van Noord-Syrië, maar in de hoofdstad van het Byzantijnse rijk, Constantinopel (het huidige Istanbul). Daar stond hij tientallen jaren op een hoge pilaar aan de Bosporus.

Daniël, geboren in het jaar 409, trad al op zijn twaalfde in in een Syrisch klooster. Hij bracht daar een kwarteeuw door. Het was in die periode dat Daniëls eerste ontmoeting met Simeon plaatsvond, als gevolg van een reis die een groep geestelijken naar Antiochië moest maken voor belangrijk kerkelijk overleg. Die ontmoeting werd beslissend, want Simeon voorspelde hem een bijzondere roeping en zegende hem. In 446 werd Daniël tot abt van het klooster gekozen, maar hij deed die functie al snel over aan een ander, en ging weg.

Vijf jaar lang deed hij de ronde langs een reeks van monniken en kluizenaars, onder wie opnieuw zijn grote voorbeeld Simeon, bij wie hij twee weken verbleef. Hij probeerde van hen te leren hoe je een echt ascetisch leven kon leiden, los van wereldse verlangens en ver van aardse genoegens. Op zijn tweeënveertigste ging hij na een openbaring naar het keizerlijke Constantinopel. Hij sloot zich eerst negen jaar op in een voormalige heidense tempel vlak buiten de stad. Alleen via een klein venster stond hij in contact met de buitenwereld. Inmiddels was hij er door goddelijke openbaringen van overtuigd geraakt dat hij de levenswijze van de pilaarheilige Simeon moest volgen.

Vervolgens stond hij ruim drieëndertig jaar lang op drie zuilen, eerst op één en daarna op een zogenaamde dubbele zuil, tot aan zijn dood in 494. Het mag een wonder heten dat Daniël, die dag en nacht aan de elementen bloot stond, toch vierentachtig jaar oud werd. Door het onafgebroken staan waren bijvoorbeeld zijn voeten tot op het bot weggerot; hij had alleen nog maar wat knokige uitsteeksels. Zijn grote faam dankte hij vooral aan zijn effectieve voorbede, speciaal als het ging om genezingen van ziekte en bezetenheid. De inwoners van Constantinopel zagen het bijbelwoord ’Het gebed van een rechtvaardige vermag veel’ (Jacobus 5:16) in Daniël in vervulling gaan.

Het effect van zijn optreden was overweldigend. Het is voor ons moderne mensen nauwelijks meer voorstelbaar dat zich dagelijks grote massa’s rond zijn zuil verzamelden op zoek naar genezing, exorcisme, voorbede, goede raad. Vooral de indrukwekkende beschrijving van Daniëls eenmalige bezoek aan de stad, waar hij de usurpator Basiliscus ontmoette (die door intriges de keizerstroon had weten te bezetten) geven ons een fascinerend beeld van de bijna hysterische geloofsijver die het volk beving. De scheidslijn tussen vroomheid en gewelddadigheid bleek flinterdun te zijn – een fenomeen dat we uit onze eigen dagen maar al te goed kennen.

Het bijzondere aan Daniëls lange verblijf op zijn pilaren is dat hij niet alleen diepe indruk maakte op het vrome kerkvolk van Constantinopel, maar ook op intellectuelen, op magistraten, zelfs op diverse Byzantijnse keizers: Leo I, Zeno, en Anastasius. Het is fascinerend, en voor de moderne lezer ook wel enigszins onthutsend, om te zien hoe deze oppermachtige, rasechte potentaten in talrijke politieke crises niets beters wisten te doen dan nederig de wankele ladder te beklimmen die tegen de hoge pilaar aan stond, om daar balancerend op de hoogste treden de heilige om advies of voorbede te vragen. Zij waren diep onder de indruk van Daniëls extreme ascese. Soms gingen de keizers zelfs zo ver dat ze zich voor de pilaar languit op de grond wierpen en hem ten aanschouwen van heel het verzamelde volk om bijstand of vergeving smeekten. In menige crisissituatie heeft Daniël zo de politieke koers van het grote en machtige Byzantijnse rijk mede bepaald. In dat opzicht week hij niet sterk af van zijn grote leermeester Simeon. Maar omdat hij zoveel dichter zat bij het centrum van de macht, had hij veel meer invloed op de politieke koers (inclusief de kerkpolitiek) van de Byzantijnse keizers.

Een van de vele bijzondere verhalen rond deze pilaarheilige is dat van zijn priesterwijding. Daartegen verzette hij zich tot het uiterste – een houding die je bij meer oudchristelijke heiligen tegenkomt. Ze waren totaal niet geïnteresseerd in eer, status, en macht. Ook Daniël weigerde aanvankelijk de wijding. Op een dag komt aartsbisschop Gennadius hem opzoeken, gestuurd door keizer Leo. „Hoewel alle begeleiders van de aartsbisschop doorgingen de heilige onder druk te zetten, gaf hij toch geen krimp, en zo verstreek de dag. Terwijl de mensenmenigte verging van de dorst vanwege de hitte, gaf de bisschop, toen hij zag dat hij niets bereikte, de aartsdeken de opdracht een gebed uit te spreken. Zelf bleef hij staan en sprak een gebed uit waarin hij de heilige tot priester wijdde. Toen zei hij tegen Daniël: ’Zegen ons, heer priester. Vanaf nu bent u priester door de genade van Christus. Want toen ik mijn gebed uitsprak, heeft God u vanuit de hemel zijn handen opgelegd.’ Daarop schreeuwde de menigte urenlang: ’Hij is het waardig!’ Daarna verzochten allen, met de aartsbisschop, hem het volgende: ’Laat toch de ladder neerzetten, want wat u probeerde te ontvluchten, bent u nu toch geworden.’ De rechtvaardige gaf er nu wel toestemming voor en de aartsbisschop klom omhoog met in zijn handen de beker van het heilige lichaam en het kostbare bloed van de goede middelaar Jezus Christus, onze God. En na elkaar met de heilige kus begroet te hebben reikten zij elkaar de communie uit. Toen daalde de aartsbisschop af, ging naar het paleis, en vertelde alles wat er gebeurd was aan de keizer.”

Hoe betrouwbaar is de biografie van Daniël? Wie de auteur was weten we niet. Wel weten we dat hij claimt Daniël persoonlijk te hebben gekend en tot diens kring van leerlingen te hebben behoord. Die claim is beslist betrouwbaar, zeker als het gaat om de laatste levensfase van de heilige. Die wordt op zo’n manier beschreven (en ook nog in de eerste persoon) dat nauwelijks valt te betwijfelen dat we met een ooggetuigeverslag te maken hebben. Uit andere bronnen blijkt dat de auteur over betrouwbare informatie beschikte en die gebruikte – ondanks alle hagiografische pathos waarmee hij een en ander vertelt. In dit opzicht onderscheidt zijn biografie zich gunstig van veel andere hagiografische geschriften uit de vroeg-Byzantijnse tijd. Zelden is de auteur op historische onjuistheden te betrappen, al doet zijn geïdealiseerde beeld van de drie keizers die een rol in Daniëls leven speelden, geen recht aan de veel grimmiger werkelijkheid.

Het verschijnsel pilaarheilige was een lang leven beschoren.

Uit de eerste vijf eeuwen na de dood van Simeon en Daniël kennen we er niet minder dan vijftig. De laatste, ons bekende pilaarheilige is midden negentiende eeuw nog gezien in de Krim.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden