Op een goed moment zag ik een balschoentje voorbij schuiven

Geboren vóór, in of kort na de eerste wereldoorlog, een leven waarin kerk en godsdienst een rol speelde die met de jaren veranderde, soms radicaal of meer dan eens. 'De dagen onzer jaren zijn zeventig jaar of als wij zeer sterk zijn tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet,'' weet de psalmist. Wat zegt de 'zeer sterke' er zelf van? Vandaag de dertiende aflevering: Norbert Schmelzer (75), katholiek.

Componeren is een mooi vak. Ik ben meer een pianospeler en een liedjesman, maar als ik een wat groter talent had gehad was ik componist geworden. Of arts, wanneer ik tegen bloed had gekund. Of priester, als het celibaat er niet was geweest. Ik heb het allemaal overwogen maar het werd tenslotte de politiek.

Ik ben de eerstgeborene. Mijn broer is een jaar jonger. De Schmelzers hebben oorsprongen in Luxemburg, de Elzas, het Saarland en nog verder terug in Wenen. Mijn vader, een begaafde, artistieke man, werkte bij de Rotterdamse bank. Hij sprak zijn talen vloeiend, speelde piano en viool, tekende en schilderde. Een echte heer in de beste zin van het woord. Bezonnen, beheerst, bescheiden.

Mijn moeder had ook gevoel voor artisticiteit maar meer in passieve zin. Als toehoorder, toeschouwer. Wanneer ze zelf piano speelde vond ze het nodig om daarbij te gaan zingen. Daar moesten wij altijd een beetje om lachen. Ze was extravert, aanwezig en ambitieus. Een vechtster. Wilde ons opstuwen in de vaart der volkeren. Mijn vader had daar niet zoveel behoefte aan. Mijn ambitie heb ik van haar, mijn liefde voor de muziek van hem. Ze vormden een mooi stel, die twee. Hebben ons een zorgeloze jeugd gegeven. Dat werkt nog altijd door in een 'Het-komt-wel-goed-gevoel'.

We gingen vaak vanuit Rotterdam naar het strand met het Hofpleintreintje. Als we uitstapten in Scheveningen kon je bij westenwind de zee horen en de geur van de wijde verte opsnuiven. Wij sleepten de hele weg met onze schepjes over de leisteentjes, rettetettet. Die wandeling van het stationnetje naar de zee is voor mij het beeld van de zorgeloosheid van mijn jeugd.

Mijn ouders waren katholiek, maar niet praktiserend. Ze hebben ons wel laten dopen - dat vonden ze hun plicht -, geloofden ook in God, maar het instituut sprak hen niet aan. Ze lieten het aan ons over of we ter kerke wilden gaan. Ik ging regelmatig. Ben iemand die zich thuisvoelt in een club waar mensen elkaar inspireren, corrigeren, bemoedigen. Bovendien was ik onder de indruk van de mystieke kracht van de sacramenten. En er was nog een derde, minder verheven reden voor kerkbezoek. Mijn broertje en ik hadden de slechte gewoonte om na afloop van de mis de op de grond gevallen centen en dubbeltjes te verzamelen. Niet voor de collectebak, maar om er drop van te kopen. Buiten deze jeugdzonde was ik een redelijk brave, serieuze, ambitieuze jongen. Ik wilde goede prestaties leveren. Mijn broer was speelser, vrijgevochtener.

Na een niet-katholieke lagere school in Rotterdam dachten mijn ouders aan het Gemeentelijk Gymnasium in Den Haag. We woonden inmiddels in Wassenaar. Toen mijn vader doorkreeg dat hij de schoolkas moest spekken met een niet gering bedrag en dat het katholieke Aloysiuscollege veel goedkoper was, stuurde hij ons daar naartoe. De jezuïeten hebben op mij een grote invloed gehad. Zij zijn toch de soldaten van Christus, om niet te zeggen, de generaals. Vechtersbazen, en wij leerlingen waren de stoottroepers. Zo werden wij ook aangepakt en ik moet je bekennen, ik vond het prachtig. De discussie-avonden waar we geest en hart konden scherpen, de toneelclubs, het literair genootschap.

Ik had en heb alleen één punt van kritiek. De jezuïeten waren nogal verknipt in hun houding ten opzichte van vrouwen en droegen dat op ons over. Alles was zonde. Ik heb nooit één meisje waar dan ook aangeraakt. Vrouwen waren gevaarlijk. Mij werd ook dringend ontraden om op dansles te gaan. Dat zondebesef werd ons op retraites nog eens extra ingepeperd. Ik was vrij gewetensvol, om niet te zeggen angstig. Ik piekerde er niet over om een doodzonde te begaan en in de hel te eindigen. Ik ben het huwelijk ingestapt zonder enige ervaring met het vrouwelijk geslacht.

Toch is mijn dankbaarheid groter dan mijn kritiek. Van de jezuïeten heb ik het besef van het geloof als de bindende en vitaliserende factor van het leven. Ik wilde graag een loyaal lid zijn van de katholieke geloofsgemeenschap, alleen moesten ze me niet vertellen dat het monopolie aan ons was. Ik had me verdiept in de goddelijke genade en tot mijn vreugde ervaren dat die zich niet stoort aan grenzen van landen, rassen, klassen of geaardheid. Als je dat weet, kun je niet meer aannemen dat er één Zaligmakende Kerk is. Dat is in strijd met Gods goedheid. Daar hadden mijn strijdbare leraren niet veel van terug.

Naast de godsdienstlessen hebben de geschiedenislessen me gevormd. In de vijfde klas las ik Mein Kampf. Ik was verbijsterd. Wat een rassenwaan, wat een gewetenloze en duivelse ideologie. Het was voor mij een beslissende ervaring. Ik wist vanaf dat moment dat ideologische grondslagen bepalend zijn voor de loop van de geschiedenis. In mijn latere loopbaan stond ik dan ook huiverig tegenover puur pragmatische politiek. Daar heb ik tóén, in die vijfde klas gymnasium, een allergie voor gekregen.

Ik ben in Tilburg economie gaan studeren. De grote kracht van die universiteit zat hem in de filosofische vakken en daar wilde ik me in scholen, want ook economie is geen waardevrije wetenschap; wordt in haar toepassing gedragen door levensbeschouwing en geloof. Hoe mijn geloof er toen uitzag? Zo'n beetje als nu. God heeft oorsprong en bestemming van de schepping voor zijn verantwoording genomen. Het staat voor mij vast dat de mens en de natuur geen verzamelingen van toevalligheden zijn. Er moet achter die perfectie een hogere macht schuilen net als achter het ingeschapen verlangen om in vrijheid en verantwoordelijkheid een goed mens te zijn. Ik wil niet beweren dat me dat altijd gelukt is, maar het geweten kan eenvoudigweg geen biologisch-chemische reactie zijn. Dat bestaat niet.

Van die hogere macht heb ik nooit een beeld gehad en ook niet willen hebben. Elk beeld, behalve Jezus, is voor mij een beperking van de immense grootheid van het goddelijke. Ik ben er ook van overtuigd dat er engelen zijn. Stenen, planten, dieren, mensen; in zo'n schitterend opgebouwde schepping zit naar mijn diepste overtuiging en ervaring tussen mens en god nog een schakel. Die van zuivere geesten. Anders zou het een muziekstuk zonder coda zijn.

In de oorlog vertegenwoordigde ik Tilburg in de Raad van Negen, de landelijke raad van het studentenverzet. Zoals je zult begrijpen was het voor mij - en vele anderen - onmogelijk de loyaliteitsverklaring te tekenen. Niet tekenen betekende naar Duitsland gestuurd worden, dus dook ik onder. Mijn broer en ik bezaten samen een zeilboot waar we, vanwege de razzia's op het water, weinig plezier meer aan beleefden. We verkochten de boot en van mijn deel van de opbrengst heb ik tijdens de onderduik twee jaar lang compositielessen genomen bij Robert de Roos.

Hij zei me dat ik beroepscomponist kon worden, ik dacht daar anders over. Ik was niet ontevreden over mijn composities, maar ze hadden niet het niveau waar de mensheid op zat te wachten. Muzikant, daar heb ik nog wel over gedacht in de periode vlak na de oorlog. Twee dagen na bevrijding stond een vriend van me met een Amerikaanse jeep voor de deur. Hij zei: “Ik kom je halen. Het amusement voor de Limburgse stoottroepen in Duitsland heeft dringend behoefte aan vers bloed”. Ik vond het een prachtig plan. Correctheidshalve heb ik mijn ouders meegedeeld dat ik artiest werd, en de volgende ochtend zat ik in Duitsland achter een vleugel te componeren. Ik ben daar een klein half jaar gebleven. Toen de beroepsmusici boven water kwamen werd onze groep ontbonden en kreeg ik eervol ontslag als soldaat.

Ik had genoten van die maanden en dacht: Ik word cabaretier. Mijn vader was een wijs man, hij zweeg. In de late herfst van dat jaar ben ik maar weer economie gaan studeren. Toen wist ik ook dat ik de politiek in wilde. Roeping? Ja. Romantisch uitgedrukt: de dienst aan het algemeen belang. Een bijdrage leveren aan de opbouw van een humane en vreedzame samenleving. Er zat ook wel een beetje ijdelheid bij. Ik heb 'n keer gezegd, daar ben ik later nog om bespot: “Als er dan toch macht moet zijn dan heb ik die liever zelf”. Ik kan goed leven met macht in de zin van 'gecontroleerde invloed'.

Maar, hoe kwam ik in de politiek? Een hoogleraar raadde me aan ervaring op te doen in een internationale onderneming. Dat werd Unilever. In '48 gaf een dispuutgenoot een dansfeestje bij hem thuis. Op een goed moment zag ik een balschoentje over de vloer schuiven. Ik raapte het op, keek in het rond om te zien van wie dat schoentje was en kwam in gesprek met de eigenaresse. Ze vroeg me: “Wat interesseert jou eigenlijk in het leven?” “De politiek”. “Dan moet jij met pappie praten”. “Wie is dat dan?” “Romme”. Een paar dagen later ben ik afgereisd naar de grote voorman van de KVP, de sfinx van Overveen. Aan het eind van het gesprek zei hij: “Jij moet inderdaad de politiek in, maar niemand heeft ooit van jou gehoord. Dat moet veranderen. Ga eerst maar eens publiceren”.

Ik had inmiddels een baan bij de directie Europese integratie van het ministerie van economische zaken. Ik ben artikelen gaan schrijven, lid geworden van de KVP en haar commissie Buitenland. In oktober '56 kreeg ik een telefoontje. Of ik bij Romme wilde komen. Hij was bezig met de samenstelling van het laatste kabinet Drees en zocht een staatssecretaris. Dat werd mijn beslissende stap in de politiek.

Ik was in '50 getrouwd. Een huwelijk met goede, maar ook moeilijke momenten. Het oudste zoontje overleed in zijn eerste levensjaar aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking. Het tweede kind, een dochtertje, kreeg toen ze drie was een maag-darmontsteking. Doordat het infuus te laat kwam, is ze is in het ziekenhuis aan uitdroging gestorven. Het derde kind raakte op driejarige leeftijd geestelijk gehandicapt na een hersenontsteking. Hij is nu tweeënveertig. Daarna hebben we nog twee gezonde kinderen gekregen.

Veel om te verwerken ja, heel veel, maar niet té veel. Het geloof heeft me de kracht gegeven om door te gaan. Ik dacht: “Ook al zie ik de zin niet, het móét zin hebben”. Ik ben niet gaan rebelleren tegen de Grote Baas. Of ik de zin later ontdekt heb? Misschien dat ik ben gaan beseffen hoe relatief en kwetsbaar aards geluk is. Ik koester de band met mijn kinderen. Ik heb Norbert en Pia indringend gevraagd of ze tekort zijn gekomen aan mij als vader. Ze hebben allebei gezegd: “Als je er was, was je er ook helemaal”.

Het allerbelangrijkste dat ik hun heb proberen mee te geven is betrouwbaarheid en eerlijkheid. Ja, precies die eigenschappen waarvan sommige critici me, na de beroemde Nacht, verweten dat ik ze niet bezat. Zij stelden zich op het standpunt dat ik op een onfatsoenlijke manier moord met voorbedachte rade zou hebben gepleegd op het kabinet Cals. Dat was hard maar niet ondragelijk. In de politiek kun je overeind blijven op twee voorwaarden. Ten eerste dat je voor je eigen geweten eerlijk en in het algemeen belang hebt gehandeld. Ten tweede dat je door je partij gesteund wordt. Wat de pers en andere partijen van je zeggen is interessant maar niet doorslaggevend.

De mythe dat mijn optreden doelbewuste moord was en het einde van mijn politieke carrière zou hebben betekend, is vijf-en-twintig jaar later doorgeprikt door onder andere Martin van Amerongen in zijn toneelstuk 'De Nacht'. En dan die beroemde uitspraak van Wim Kan, 'Schmelzer, een gladde teckel met een vette kluif in zijn bek'. Ach, politici waren toch vooral bedroefd als ze níét werden genoemd in zijn conférences. Bovendien, een teckel is een intelligent en trouw beest, daar wil ik wel mee vergeleken worden. Glad of niet.

Ik heb een lied opgedragen aan Wim Kan. Tekst: Michel van der Plas. Muziek: Norbert Schmelzer. Ik speel het even voor je. Dan hoor je hoe ik het opgevangen heb.

'Je waagt je op het hellend vlak / je kiest de politiek / je wordt een teckel in dat vak / en verre van ludiek / en nu die teckel buiten staat / zeg ik en plein public / helaas nu is het veel te laat / om te leven van muziek'.

Misschien kom ik over als een koele strateeg, kil, beredeneerd, maar dat is schijn. Emotie is voor mij een enorme, mobiliserende kracht. Stimuleert me tot wat heet 'de kunst van het mogelijke'. Ik praat liever over 'georganiseerd vertrouwen'. Emotie maakt ook kwetsbaar ja. Twee jaar geleden ben ik doorgezaagd in het ziekenhuis. Ik had twee verstopte kransslagaders, daar zitten nu vier bypasses. Ik functioneer weer als voor de operatie alleen ben ik in één klap opener geworden. Emotioneel op het overgevoelige af. Droevige gebeurtenissen kan ik niet meer aan.

Na zevenentwintig jaar is mijn huwelijk, dat was ontwricht, beëindigd. Dat gebeurde op haar initiatief. Ze had al langere tijd een relatie met een van mijn collega-fractievoorzitters. Die voor mij dramatische beslissing kreeg een jaar later een gelukkige wending, toen ik Daphne ontmoette. Ze had een liedje van mij vertaald. Ik was diep onder de indruk van de poëtische kracht van haar vertaling, en later ook van haar. We zijn getrouwd en ik ben erg gelukkig. Het is een harmonieus en inspirerend huwelijk.

Na mijn ministerschap van buitenlandse zaken ben ik meer achter de schermen gaan werken. Ik vind politiek nog steeds wezenlijk en de moeite waard, maar de werkelijkheid is weerbarstiger dan ik vroeger dacht. Ik ben mezelf en het vak meer gaan relativeren. Nee, niet het leven. Er is een beginsel dat niet wordt aangetast door de tijd en door de dood. Ons aardse bestaan krijgt een vervolg dat zijn wortels heeft in dit leven. Hoe meer geluk je hier hebt opgebouwd voor anderen en jezelf, hoe meer geluk ook daar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden