’Op een dag ben ik president’

Nicolas Sarkozy wordt morgen aangewezen als presidentskandidaat van de Franse regeringspartij UMP. De clan rond president Jacques Chirac zal het verzet tegen ’Sarko’ moeten opgeven.

Joost van Velzen

Hij heeft het altijd gewild. Al op de rechtenfaculteit van Nanterre, bolwerk van links activisme, heeft hij het volgens sommigen zelfs letterlijk gezegd, met een verbazingwekkende zelfverzekerdheid: „Op een dag ben ik president van de republiek.”

Zeker is dat Nicolas Paul Stéphane Sarközy de Nagy Bocsa, geboren in 1955 als zoon van een Hongaarse aristocraat en een Franse moeder, van jongs af aan ongewoon ambitieus was. En zijn voorkeur voor rechts is ook niet van vandaag of gisteren.

In mei 1968 kreeg de 13-jarige Sarkozy geen toestemming zijn Parijse lyceum te verlaten om te demonstreren. Niet tegen het gezag zoals studenten toen massaal deden, maar juist voor het herstel van de orde, voor president De Gaulle. Moeder Andrée vond het te gevaarlijk: zij belde naar school, of ze haar zoon vanmiddag alsjeblieft binnen wilden houden. Zij kende zijn karakter, wist dat haar ’nee’ geen indruk maakte. „Je hebt nog tijd zat voor politiek als je klaar bent me je studie”, zo troostte de rector zijn stampvoetende pupil.

Tijdens die studie (rechten en politicologie) sluit hij zich aan bij de Gaullistische studentenclub UJP. Ze leven op voet van oorlog met linkse verenigingen. Als Sarkozy zijn UJP-ledenkaart met pasfoto verliest, ziet hij die een paar dagen later overal terug. In het hele gebouw hangen kopieën van het pasje met de tekst: Les fascistes dehors! (Weg met de fascisten!)

Hij sluit zich in 1974 aan bij de Gaullistische partij, die dan UDR heet, in zijn chique woonplaats Neuilly vlakbij Parijs. Hij foldert, knipt en plakt en doet meestal als laatste de deur acht zich dicht.

Met zijn vader, die het gezin verliet voor een veel jongere vrouw toen Nicolas vier was, is de verhouding meestal slecht. Paul Sarkozy, een flamboyante, knappe reclameman, liet Andrée achter met twee jonge kinderen, Nicolas en zijn oudere broer Guillaume, en een baby, François. Andrée zat niet bij de pakken neer. Zij ging weer studeren en werd advocaat.

Als Paul zijn tweede vrouw verlaat voor een zekere Inès van twintig, weigert Nicolas zijn vader drie jaar lang te zien. Hij is ook kwaad omdat Paul, die Hongarije na de komst van het rode leger in 1944 ontvluchtte, geregeld de alimentatie vergeet.

De jonge, energieke Sarkozy valt op, is binnen een jaar jeugdvoorzitter van de UDR-afdeling van zijn departement. In 1976 sluit hij zich aan bij de net opgerichte RPR , het vehikel dat Jacques Chirac president moet maken.

Hij is 28, en sinds twee jaar advocaat, als hij zijn eerste verkiezingen wint: hij wordt burgemeester van Neuilly-sur-Seine. Ten koste van de veteraan Charles Pasqua die een jaar eerder nog getuige was van zijn huwelijk met Marie-Dominique Curioli. Het huwelijk (twee kinderen) strandt in 1989. Het is de tol van een leven voor de politiek, zegt Sarkozy. Zijn tweede vrouw, Cécilia Ciganer Albeniz, dochter van een Russische vluchteling, wordt ook zijn medewerker.

Zes jaar later is Sarkozy parlementslid, op zijn 38ste minister van financiën.

Zijn carrière wijkt af van die van veel andere Franse toppolitici, zoals zijn rivalen Dominique de Villepin en Ségolène Royal. Zij drongen via de elitaire bestuursschool ENA meteen door tot de staf van een presidentskandidaat. Sarkozy begon onderaan de ladder, zoals hij zelf graag benadrukt, en had nooit een betaalde functie voor de RPR of Chirac. „Materiële afhankelijkheid betekent politieke afhankelijkheid”, zegt hij daarover. En: „Ik had geen contacten, geen kapitaal, ik was geen ambtenaar en ik had een buitenlands klinkende naam die velen er van had weerhouden de schijnwerpers op te zoeken.”

Niet dat hij niet lange tijd tot Chiracs entourage behoorde. Chirac adoreerde hem, zag zichzelf in Sarkozy terug. Volgens de journalist Franz-Olivier Giesbert is er één belangrijk verschil: Sarkozy is ’minder ontdaan van overtuigingen’ is dan Chirac, die het politieke midden heilig heeft verklaard.

Zijn hang naar onafhankelijkheid heeft een prijs. Als ’Sarko’ niet Chirac, maar Edouard Balladur steunt in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1995 (die Chirac wint) wordt de verrader Sarkozy op een zijspoor gezet.

Vier jaar later mag hij wel de lijst van de partij aanvoeren voor de Europese verkiezingen. Het wordt een catastrofe: Sarkozy haalt 12 procent van de stemmen en trekt zich voor een tijdje terug. In 2001 publiceert hij een opmerkelijk programmatisch boek, ’Libre’. Rechts moet zich nu eindelijk eens rechts durven noemen, schrijft hij. Hij pleit voor hervormingen (die Chirac niet aandurft) en voor een politiek die zich verzoent met ’de mensen die zich massaal hebben afgekeerd van de politieke elite, welke kleur die ook heeft’. Hij doet verslag van de onveiligheid in het Parijse openbaar vervoer en slaat alarm over de verwaarlozing van dit thema.

’Libre’ is in zekere zin een profetisch boek, want in april 2002 beleeft Frankrijk een kiezersopstand die alleen vergelijkbaar is met de Fortuyn-revolte in Nederland. De socialistische kandidaat Jospin verliest van Jean-Marie Le Pen, die het in de tweede ronde aflegt van Chirac.

Sarkozy mag het proberen als minister van binnenlandse zaken. Dat wordt zijn politieke dood, zo hopen velen in de Chirac-clan. Maar hij wordt als crime fighter in recordtijd heel populair. Weg met de laksheid, zo luidt zijn credo, de politie zal weer optreden.

Sarkozy-haters zijn er ook, heel veel zelfs. Ze verwijten hem dat hij in troebel water vist, dat hij zich ongegeneerd begeeft op het jachtterrein van Le Pens Front National. Dat hij ook voorstellen doet voor positieve discriminatie, stemrecht voor immigranten en een staatsbijdrage voor moskeeën, doet voor zijn tegenstanders niet ter zake.

Als hij criminele jongeren in de voorsteden ’gespuis’ noemt waar hij de Kürcher (hogedrukspuit) op wil zetten, zwelt de kritiek aan tot een storm. Volgens links Frankrijk draagt hij een grote verantwoordelijkheid voor de ongekende rellen van november 2005.

Toch komt Sarkozy sterker uit die crisis: hij doet het nog beter in de peilingen dan ervoor.

Maar het verzet, ook in eigen kring, houdt aan.

Hij wordt ten onrechte beschuldigd van het aannemen van steekpenningen, een schimmige affaire die nog steeds niet is opgelost maar waarbij alles in de richting van Villepin wijst. Sarkozy laat Villepin op zijn beurt vallen als deze in problemen komt als hij het ontslagrecht voor jonge werknemers wil versoepelen.

Villepin reageert enthousiast op het nieuws dat Cécilia Sarkozy (tijdelijk, zoals later blijkt) haar biezen heeft gepakt vanwege een affaire van Sarko met een jonge partijgenote. De media tonen geen genade en volgen de affaire op de voet: dan had hij maar niet zo te koop moeten lopen met zijn ’geweldige huwelijk’, geeft hij later toe in zijn boek ’Témoignage’, dat vorig jaar een bestseller was.

Ze blijven hem dwarszitten, Villepin en Chirac. De laatste denkt zelfs na over een nieuwe kandidatuur. Ook al is hij 74, lopen er vrienden over naar het Sarkozy-kamp en wil 81 procent van de Fransen hem met pensioen sturen.

Chirac, die tegen Sarkozy’s voorgenomen verbouwing van het Franse sociale model is, lanceert de laatste tijd het ene na het andere voorstel ’voor de komende vijf jaar’. Daarbij houdt hij zo’n beetje het midden tussen Sarkozy en de grote tegenstander, Ségolène Royal.

Villepin klaagt over de zwakke campagne van Sarkozy, die nog niet los komt uit de schaduw van Royal. Hij zaait subtiel twijfel over de vraag of Sarko de strijd überhaupt wel aankan en hekelt de ’kazernetucht’ die rond de nieuwe leider zou heersen. Sarkozy moet die geluiden morgen voor 50.000 toeschouwers zien te overstemmen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden