Op dit eiland is geen vluchteling te zien

Duizenden vluchtelingen maakten de laatste maanden de oversteek vanuit Tunesië en Libië naar het Italiaanse eiland Lampedusa. Schrijver Daniël Rovers reist ze vanuit het Noorden tegemoet.

Amsterdam - Milaan
Als de Eurolinesbus Brussel uitrijdt, vertelt Slim over de buikpijn die hij vanochtend had. Nee, niets verkeerd gegeten, het was een gevoel - verdriet. Vanochtend had hij na het ontbijt zijn vriendin gedag gekust: Griet, een Vlaamse die hij twee maanden geleden ontmoette in een Brugs café. Ze werkte als secretaresse bij een shampoofabriek. Zijn lach lijkt hem pijn te doen als hij de foto's laat zien. Griet is blond, glimlacht en draagt een halflange rok. Hij toont het briefje dat ze in zijn rugzak bij zijn boterhammen met chocopasta stopte; een nuchtere liefdesverklaring - Tu vas me manquer, mon beau -met Bic geschreven in een rond meisjeshandschrift.

Slim is een 28-jarige Tunesiër die sinds vier jaar in Brugge woont. Hij is marktkramer, en verdient in de zomermaanden zo'n vierduizend euro schoon in de hand. Hij heeft een wijkende haarlijn en het aandoenlijke van mannen die iets te stoer kauwgom kauwen. De file van de Brusselse spits negeert hij. Het heeft geen zin om je druk te maken als je weet dat er nog zo'n twintig reisuren volgen. Hij is op weg naar Bologna om zijn verblijfsdocumenten voor twee jaar te verlengen, en hoopt op meer. In 2004 kwam hij in Italië, vlak voordat de Italiaanse regering anti-immigratieakkoorden met haar zuidelijke buurlanden sloot, waaronder Libië. Khadafi zou voortaan met alle middelen de bootvluchtelingen tegenhouden, Berlusconi zorgde ervoor dat het wapenembargo tegen Libië werd opgeheven. Dat jaar nam het aantal illegale immigranten in Italië af met negentig procent.

Met hulp van zijn zus, die in Antwerpen woont en met een Belg getrouwd is, kwam Slim uit Italië in het keurige, rustige, zo niet saaie Brugge terecht. Daar heeft hij de revolutie in Tunesië nauwlettend gevolgd. Le chien Ben Ali is naar Saoedi-Arabië verdreven, en Slim verwacht nu de renaissance van zijn vaderland. Hij kent Lampedusa, dat op nog geen tweehonderd kilometer van Tunesië ligt; alhoewel hij zelf gewoon met een toeristisch visum in Italië terecht kon. Je kunt er lekker vis eten, scampi's, weet hij, zoals eigenlijk overal rond de Middellandse Zee. Slim lacht en neemt nog een hap van zijn Belgische boterham met chocopasta. En snorkelen, voeg ik eraan toe, want dat was wat ik in een middagje googlen over Lampedusa leerde, op een website gewijd aan de Pelagische eilanden. En natuurlijk vermeldt de website ook de vluchtelingen. Het onheil wordt in perspectief geplaatst: "De kans dat je tijdens een (duik)vakantie een lichaam aantreft is echter klein. Je hoeft er niet bang voor te zijn dat zoiets gebeurt. Op Lampedusa tref je ook geen asielzoekers aan op straat. Deze worden namelijk opgevangen in het opvangkamp op het eiland."

Europa vindt dat de vluchtelingen die Lampedusa aandoen vooral een Italiaans probleem zijn. De landen hebben elk hun eigen 'ontmoedigingsbeleid'. Dat kan ver gaan. The Guardian meldde op 7 mei dat een schip van de Navo, waarschijnlijk het vliegdekschip Charles de Gaulle, noodsignalen heeft genegeerd van een boot die dagenlang zonder brandstof in de Middellandse Zee ronddobberde. Aan boord 72 mensen, onder wie twee baby's. Volgens de overlevenden, elf in totaal, waren er twee verkenningsvliegtuigen overgevlogen. De vluchtelingen hadden de kinderen in de lucht gehouden om hun nood duidelijk te maken, maar hulp kwam er niet. Een woordvoerder van het Franse leger ontkende eerst dat het vliegdekschip in het gebied was geweest, later werd elk commentaar geweigerd. Een pijnlijke zaak voor een alliantie die een 'humanitaire' missie uitvoert. Ook Malta weigerde elke hulp, en zo dreef de boot terug naar Libië, waar de elf overlevenden prompt werden gearresteerd. Eén stierf er kort na aankomst, een tweede overleed in de politiecel.

Op de achterste stoelen van de Eurolinesbus waren Ghanezen gaan zitten, vier mannen en een vrouw met haar dochter, een meisje van vier. Het meisje beschikte over een jaloersmakende voorraad nacho-chips. Tijdens de korte stop in Luik sprak ik Matthew; op het Amstelstation was hij op het allerlaatste moment de bus ingestapt. Hij woonde in Amsterdam-Noord. Hij had vanaf 2008 in Italië gewoond, daar een verblijfsvergunning gekregen maar geen werk (een op de drie jongeren heeft er geen werk), en was vertrokken naar Nederland. Als schoonmaker verdient hij nu, zwart, de kost.

Vlak voor de Zwitserse grens wordt de bus bij een péage van de weg gehaald. Controle. Vijf agenten van de Franse douane staan in de berm, plus een kleine zwarte labrador. Een zaklamp schijnt in de cabine. Alle passagiers verlaten de bus en nemen hun handbagage mee. Koffers, rugzakken en kartonnen dozen worden uit de laadruimte geladen. Vijftig passagiers staan op een rij op de stoep. Dan begint de hond aan de lijn te trekken, hij heeft er zin in. De agente met de hond wordt van hot naar her getrokken. Il cherche, il cherche, roept ze ferm.

Bij Slim houdt de hond halt en begint te snuffelen. Hij moet zijn tas openmaken. Er wordt niets gevonden, het zijn de boterhammen met chocopasta waarop de hond is afgegaan.

De douaniers babbelen wat met de passagiers. De Poolse chauffeurs tillen een kind de bus in dat het koud heeft gekregen. Een zwoele avond, even voor middernacht. Ongezellig is het niet.

Het wordt een lange nacht. Op het videoscherm: Kindergarten Cop, met Arnold Schwarzenegger, van Poolse ondertitels voorzien. Als ik mijn ogen open, zie ik een Zwitsers bergmeer. Het wordt licht. We rijden langs het Comomeer. In Milaan nemen we afscheid met de gène van mensen die onverwacht de nacht met elkaar hebben doorgebracht. De eerste krant die ik inzie is de Corriere della Sera van de vorige avond. Nieuws uit Lampedusa: daar is een boot met 527 vluchtelingen op de rotsen gelopen. Het zijn Afrikanen, merkt Slim op als hij de foto ziet. En dat klopt, want deze vluchtelingen komen uit Eritrea, Tsjaad en Somalië, luidt het onderschrift. Onder hen twaalf kinderen. Met het uitbreken van de oorlog in Libië zijn ze vandaar vertrokken. Ingezette foto's tonen drie baby's. De reporter vertelt over de menselijke ketting die hulpverleners en dorpsbewoners vormden om de overlevenden uit de branding te helpen. Het verhaal dat goed afliep. De slotzin is een uitspraak van een vluchteling: È uno dei giorno più belli della nostra vita: een van de mooiste dagen uit mijn leven. Een sentimentele zin, en toch ontroert hij. Het zal mijn slaaptekort zijn. In Nederland worden deze mensen gelukzoekers genoemd.

Milaan - Napels
Het wordt avond in Milaan. Een jongen verkoopt rozen op een terras. Hij heeft ook nog hoeden in de aanbieding, hij draagt er vijf op zijn hoofd. Hij komt uit Bangladesh, zegt hij. Hij kan niet ouder dan twintig jaar zijn. Zijn gezicht heeft nog niet de geharde trekken van een uitgebluste staatverkoper. Ik geef hem wat kleingeld; een fooi, een belachelijk gebaar.

In de overvolle bus in Napels noteer ik dat een op de vijf automobilisten een gordel draagt, dat de waslijnen nog over de stegen hangen, dat scooterbestuurders sms-jes sturen terwijl ze op een volle rotonde de stadsbus links inhalen. La Repubblica bericht over vijf Nigerianen die begin mei vier Ghanezen geofferd zouden hebben toen hun schip, vanuit Libië onderweg naar Lampedusa, in een storm terecht kwam. Een animistisch ritueel, bedoeld om de zee te kalmeren. De getuigenis is van een Ghanese jongen. De krant schrijft dat het nog twee dagen bleef stormen na het offer. Ik word misselijk als ik het bericht lees. Wat drijft mensen ertoe zoiets te doen?

Napels - Porto Empedocle
Het vluchtelingenkamp is vanaf het snelwegviaduct te zien, op de weg naar de zuidkust van Sicilië. Naast het voetbalstadion en de markt: de hoge stalen hekken, de barakken en noodcontainers, de staande zwarte figuren. Lijn drie rijdt vandaag niet, ik moet lopen in de richting van het hoge viaduct.

Destiny heet hij, en ik haal hem in op het moment dat een tegemoetkomende auto met daarin drie jonge mannen opeens scherp uitwijkt naar rechts; scherzo! Destiny, een dertigjarige Nigeriaan, schudt zijn hoofd. Hij is ook op weg naar het kamp, zijn broer (zelfde moeder én zelfde vader) verblijft er, nu alweer een paar maanden. De kleren die hij aanheeft zijn in Napels op de markt gekocht. Het is één uur 's middags nu, de zon schroeit het met afval bedekte asfalt van de markt. We proberen water te kopen, en wat vruchten, maar de abrikozen gaan per kilo, of niet. Rot maar op als je het niet bevalt. Bij een andere kraam kopen we een zak lauwe friet, voor een euro. Water is er helaas niet. Het zijn de Italianen die Engels spreken, aldus Destiny, die altijd weer het aardigste blijken.

De poort van het kamp passeren we vlotjes, Destiny staat al bij de soldaten, die met metaaldetectoren en machinepistolen zijn bewapend. Ze controleren papieren, en die van Destiny voldoen niet. Mijn Nederlandse paspoort evenmin - ik kan terugkeren als ik officieel toestemming heb gevraagd. Buiten de poort wachten we in de schaduw van een struik. Al snel komt de broer, Bartholomew, naar buiten. Hij heeft water bij zich, plastic bekertjes en een nieuwe simkaart. We verkassen naar een grote eucalyptus-boom driehonderd meter verderop, op een braakliggend veld naast het stadion, te bereiken door een gat in de afrastering. Dit is het officieuze park van het kamp. Een groep Afghanen en Nigerianen dooft de resten van het vuur waarop ze zojuist hebben gekookt. Libië, daar zijn ze het over eens, dat is de hel. "Je wordt er gestenigd als je pech hebt. Libya, no good, no good."

Het is wachten totdat de winkel van het stadion opengaat en er bier kan worden gekocht. Twee jaar geleden kwam Destiny op Sicilië aan. De eerste overtocht mislukte; een harde wind noodzaakte de boot terug te keren. Het kostte drie maanden voordat hij het geld (1500 dollar) bijeen had gesprokkeld voor een nieuwe overtocht. De tweede keer vertrok hij met een Zodiac, waarin 73 mensen zaten samengepakt, ze moesten op de randen zitten. Een vrouw en een jongeman sloegen onderweg overboord. De Zodiac - geen ship maar een boat, zegt Destiny - stopte niet. Dat had ook geen zin gehad, niemand droeg een reddingvest, ze zonken als bakstenen.

De Afghanen lijken de Nigerianen te wantrouwen, wellicht ook de blanke in hun midden, de man met de verbrande wangen, de bergschoenen en de afritsbroek. In een rij lopen ze terug door het hoge gras naar het kamp. Ik blijf achter met de Nigerianen. Ik vraag of dat een gevangenis is, het gebouw met de metershoge prikkeldraadhekken naast het opvangkamp. Het blijkt het 'uitzetcentrum' te zijn - in het Engels klinkt het minder eufemistisch: deportation camp- dat sinds een paar maanden ook fungeert als opvangkamp.

Porto Empedocle - Lampedusa
De M.N. Palladio vertrekt stipt om 23:59 uur. Dit is een ship, de nachtboot naar Lampedusa, een afgeschreven cruiseschip waarvan de Lidobar gesloten is, het zwembad leeggepompt. Ik ga op het panoramadek staan, en ben de enige. Vanaf hier zie ik het vluchtelingenkamp van het ruwe havendorp liggen, hoewel de juffrouw van de VVV me verzekerde dat er hier beslist geen kamp was. Het is een grote tent, zoals die in Nederland bij recepties en feesten wordt gebruikt. Een hoge muur maakt het kamp onzichtbaar voor de buitenwereld.

Per tien worden de mannen naar buiten geleid voor medisch onderzoek, of voor de vingerafdruk die hun in het kader van het Schengen-verdrag wordt afgenomen.

Om 6:22 uur zie ik dolfijnen voor de boeg uit zwemmen. Lampedusa komt rond acht uur in zicht, maar het duurt nog een tijd voor we de haven bereiken. Aan de horizon vaart een groot passagiersschip weg naar het vasteland. Het eiland zelf is langwerpig, zandkleurig, droog. Er is een blauwe boot op de rotsen te zien. Zaten daar de 537 vluchtelingen op die ternauwernood gered werden? Moeilijk voorstelbaar, want de boot is niet langer dan een stadsbus.

Rond 9:30 uur lopen we de haven binnen, die vol kleine visserschepen ligt, schepen van de kustwacht, de politie en de Carabinieri. Op de kade vrachtwagens, een noodhospitaal van het Rode Kruis, wat politiemensen, maar geen enkele vluchteling. Ik loop omhoog naar de hoofdstraat, de zon schijnt onbarmhartig. In de Via Roma, met vierkante stenen huizen in afbladderend pastel, plof ik neer in een koffiebar. Mannen komen aangereden op hun scooter, bestellen een koffie, praten wat, rijden weer weg.

Met enige moeite vind ik een hotel, ik gooi mijn rugzak neer en zet de tv aan. Bericht uit Lampedusa. Deze ochtend is een schip met aan boord 1300 Afrikaanse vluchtelingen naar het vasteland van Italië vertrokken. Ik heb de boot gemist.

's Avonds loop ik rond in de haven en zie het scheepskerkhof. Er liggen zo'n vijftig boten. Een houten kiel, zo'n acht meter lang, twee meter breed. De meeste zijn blauw geschilderd, een Arabisch opschrift op de boeg. Het waren meestal de vluchtelingen zelf - Eritreërs, Ethiopiërs - die als kapitein werden aangesteld. Het leverde hun een korting op, maar niet altijd de beste kapitein. De boten worden bewaakt door twee soldaten, alsof deze site een geheim bevat. Aan de kade, voor het beste hotel van het dorp, staat een televisieploeg van de RAI; de camera en de lampen zijn gericht op een klapstoel, die met de rug naar de pittoreske haven staat opgesteld. Het is wachten op het nieuws van negen uur. Ik schud de hand van Rosario, de redacteur die het liefst vandaag al uit het Italië van Berlusconi vertrekken zou, naar Spanje of Duitsland. Hij heeft alle tijd van de wereld sinds hij op 18 februari op het eiland neerstreek. Toen was er groot nieuws: 20.000 jonge Tunesiërs waren aangekomen en sliepen op de kade. De opvang was slecht geregeld, de Tunesiërs richtten vernielingen aan, eisten onmiddellijk vertrek naar het vasteland. Berlusconi kwam naar Lampedusa en stuurde schepen. Eenmaal in Italië zouden de Tunesiërs vooral naar Frankrijk vertrekken.

Wat de laatste weken gebeurt, is van een andere orde, vindt Rosario. Het zijn nu echte, voornamelijk Afrikaanse vluchtelingen die Libië zijn ontvlucht, na eerder de dienstplicht in de dictaturen Eritrea en Ethiopië. Of de oorlog in Tsjaad. En de Ghanezen, en Nigerianen? Ja, oké, daar is geen oorlog, maar ze hebben gevaar gelopen, tijdens de tocht die ze moesten ondernemen om alleen al tot aan de zee te geraken. Ik vraag Rosario naar nieuws over de mensenoffers. Een gerucht, vermoedt hij, er is hem nog geen enkele bevestiging bekend van dat bericht. Het zijn woorden die zich verspreiden als gif. Het negenuurjournaal begint. Dominique Strauss-Kahn is de opening.

Op Lampedusa kom je geen vluchteling tegen. Vanaf de kade worden ze meteen naar het opvangkamp gereden. Op de enige toegangsweg ernaartoe staat een politiepatrouille, journalisten wordt de toegang geweigerd. Wie van een prijzig azuren vakantie-eiland houdt, komt dus gerust naar Lampedusa toe. Het is hypocriet de toeristen hier te veroordelen, besef ik. Niet het rotsachtige eilandje is de boosdoener, maar het restrictieve asielbeleid van Europa. Alsmede de weigering om ook maar te spreken over een systeem van Europese greencards, wat sommige jonge Afrikaanse en Aziatische werkzoekenden de levensgevaarlijke (en peperdure) tocht zou besparen.

Er drijft geen lijk in het water en gevaarlijk is Lampedusa niet.

Op maandagochtend staat er een stevige wind uit het noorden. Aan de kade weten de journalisten dat er vandaag geen vluchtelingen meer aan land komen. Een Britse journaliste suggereert haar tolk: 'If there is more wind, they are more likely to get into trouble, right?' Iedereen wacht: de vluchtelingen op beter weer, de pers op de aankomst van de ellende. Tegen een dreigende zonnesteek (mijn hoed met brede rand raakte ik al op het Amstelstation kwijt) koop ik met grimmig genoegen een gele baseballpet, opschrift LAMPEDUSA. Ik ben geen ramptoerist.

De drie volgende dagen gebeurt er niet zo veel. Ik ontmoet de plaatselijke timmerman Angelo, die vorig jaar met Kerstmis door zijn vrouw verlaten werd en dezelfde dag een hartaanval kreeg. Ik spreek de projectleider van Artsen zonder Grenzen, die uitlegt dat onderkoeling, uitdroging, duizelingen, zeeziekte en kramp (door de zithouding aan boord) de voornaamste klachten van de vluchtelingen zijn.

Op donderdag zie ik mijn eerste bootvluchtelingen. Ze worden opgewacht door een bataljon politiemannen en hulpverleners (op de eerste rij) en fotografen en cameramensen (tweede rij). Omdat er een tankschip in de haven ligt, wordt uitgeweken naar de kade voor de journalistenhotels. Rosario fluistert dat het op de finish van de Giro d'Italia lijkt, maar als de schepen van de kustwacht naderen, en de zwarte mannen en enkele vrouwen zichtbaar worden op het dek, een lege blik in hun ogen, flitst het door me heen: dit is de aankomst van een slavenschip. De hulpverleners doen toegewijd hun werk, ze dragen blauwe plastic handschoenen. Een politieagent houdt - zonder handschoenen - een negerkindje in de lucht.

Eén fotografe lijkt moeite te hebben met de beelden die ze achter haar lens ontwaart. Mariangela heet ze, een Italiaanse sociale wetenschapper die hier onderzoek doet. Zij noemt het ook een slavenschip, want, zegt ze, velen hebben een lening moeten afsluiten; dat geld moet eerst worden terugbetaald. Onwetendheid is volgens haar het grootste probleem voor de vluchtelingen. Ze weten niet waar ze aan toe zijn, welke rechten ze hebben, hoe een asielprocedure in zijn werk gaat. De Italiaanse overheid - moedwillig of als gevolg van het grote aantal vluchtelingen - blijkt die informatie niet te verstrekken. Mariangela kijkt geërgerd: dat is waar de aanwezige pers naar zou moeten vragen. Het raam van de autobus met de mannen erin staat open. Een Britse journaliste steekt haar microfoon in de opening en vraagt waar ze vandaan komen. Een man antwoordt met een lage stem: 'Libië'. Ze vraagt uit welk land hij komt. De man roept iets over zwarte Afrikanen - wat genegeerd wordt - en zegt dan: 'Nigeria'.

De bus rijdt weg.

Amsterdam, epiloog

Thuis in het frisse Nederland kom ik via Kleis Jager, correspondent van Trouw in Parijs, in contact met Khalid (27). Hij kan vertellen over het leven 'na' Lampedusa, waar hij begin maart vanuit Tunesië aankwam. 24 uur duurde de reis, hij betaalde voor de overtocht omgerekend 1500 euro. Vanuit Parijs, waar hij een kamer met drie vrienden deelt, laat hij telefonisch weten dat hij zich van Lampedusa de goede opvang door het Rode Kruis herinnert. Uitgeput waren ze geweest, de 120 man die op een boot van amper achttien meter hadden gebivakkeerd. Ze werden in barakken gehuisvest en konden gaan en staan waar ze wilden. Dat was allemaal begin maart. De koffie was goed op Lampedusa, het ijs lekker, de mensen vriendelijk. Vijftien dagen duurde zijn verblijf, toen werd hij met hondervijftig man op het vliegtuig gezet naar Bari. Daar hield de opvang op. Hij nam de trein naar Parma, naar Nice, naar Cannes - en vandaar naar Parijs. En nu? Hij verblijft met zijn vrienden in het achtste arrondissement, en hoopt op een baan - in de bouw, de horeca, in Frankrijk, Duitsland, Amsterdam? Hij heeft geschiedenis gestudeerd. "We zijn geen barbaren, moet je weten, we hebben een opleiding genoten, werk is het enige dat we van Europa willen."

Daniël Rovers is schrijver. In augustus verschijnt zijn tweede roman 'Walter'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden