Review

Op de toppen van het gevoel en verstand

Iedere zomer zijn de weilanden achter Monk's House in het Engelse Rodmell, het huis dat ooit aan Virginia en Leonard Woolf behoorde, bezaaid met groepjes buitenlanders. Zij zijn gekomen om met eigen ogen te zien welke weg Virginia Woolf op 28 maart 1941 aflegde, voordat ze haar zakken met stenen vulde en zich in de rivier de Ouse liet zakken. Van Rodmell spoeden deze literaire toeristen zich naar het nabijgelegen Charleston, het huis waar Virginia Woolfs zuster, de schilderes Vanessa Bell, met vriend en kinderen woonde.

Daar is de sfeer minder grimmig; Bell en haar partner Duncan Grant hebben het hele huis in de loop van bijna vijftig jaar in vrolijke kleuren geverfd - tot aan de lampenkappen toe. Menig Charleston-bezoeker wil daarna zijn eigen huiskamer opvrolijken met gekleurde stillevens.

Wie het zich kan veroorloven, geeft een van de kleinkinderen van Bell de opdracht om de muurschilderingen van Grant en Bell na te schilderen. Minder kapitaalkrachtigen konden zich tot voor kort bij de firma Laura Ashley van meubelstoffen uit de collectie 'Bloomsbury' voorzien. Die collectie, ingevoerd in 1987, is niet meer verkrijgbaar.

Dat is geen gevolg van een tanende belangstelling voor Bloomsbury. In tegenstelling tot Nederland, waar van een echte Bloomsbury-manie nooit sprake is geweest, duurt ze in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië onveranderd voort. In 'Bloomsbury Pie', gaat Regina Marler, die eerder een uitstekende publicatie van de brieven van Vanessa Bell verzorgde, in op de achtergronden van dit culturele fenomeen.

Bloomsbury-fans komen voor in soorten en maten. Afgaande op Marler kunnen ze grofweg in drie categorieën ingedeeld worden: de toeristen, de tegenstanders, en de toegewijden. De Bloomsbury-toeristen lopen de weilanden bij Rodmell plat, laden in Charleston hun tassen vol met Bloomsbury-souvenirs en krijgen niet genoeg van films als 'Carrington' of 'Orlando'. De tegenstanders beschouwen Bloomsbury als het schoolvoorbeeld van intellectueel snobisme.

De toegewijden onderscheiden zich door terughoudendheid. Charleston en Rodmell mijden ze, of misschien bezoeken ze deze bedevaartsoorden 's avonds, als de toeristen weer veilig in hun hotel zitten. 'Carrington' en 'Orlando' hebben ze wel gezien, maar met lichte tegenzin.

De liefde van de toegewijden voor Bloomsbury laat zich niet makkelijk beschrijven. Ze bewonderen, maar met reserve en een zekere schaamte. “Ik sta in de tuin, en voel me een biograaf, een toerist en een indringer”, schreef Woolf-biografe Hermione Lee over een bezoek aan het huis waar het gezin Stephen ooit hun vakanties doorbracht.

Marler begint haar boek over Bloomsbury met een schets van de ontstaangeschiedenis van de groep die wij als Bloomsbury kennen. In 1904 trokken Vanessa, Virginia, Thoby en Adrian Stephen, kinderen van de kort daarvoor overleden schrijver Leslie Stephen, van de statige Londense wijk Kensington naar het minder chique Bloomsbury, op een steenworp afstand van het British Museum.

Dat was in die tijd een revolutionaire daad; de jonge mensen woonden samen zonder chaperon, in een wijk waar niemand van hun stand leefde. Thoby, net afgestudeerd in Cambridge, introduceerde er zijn vrienden bij zijn broer en zusters. Na Thoby's dood in 1906 trouwde Vanessa met Clive Bell, een van Thoby's beste vrienden.

Al gauw ontstond rond de Stephens een grote kring van vrienden, kennissen, familieleden en minnaars. Eenmaal verlost van hun familie, hadden zij zich van repressieve Victoriaanse normen en wetten bevrijd. Het credo van de Britse filosoof G. E. Moore - de leermeester van Thoby en zijn vrienden - dat je altijd zo oprecht mogelijk moet bezien wat je doet, en waarom je iets doet, zonder in dogma's en clichés te vervallen, werd hun leidraad. Ze leefden, zoals Marler beschrijft, op de toppen van hun gevoel en verstand.

Vanessa Bell had enige tijd een relatie met de kunstcriticus Roger Fry. In 1916 betrok ze met Duncan Grant, die eerder verhoudingen had gehad met Adrian Stephen, de econoom John Maynard Keynes en zijn neef Lytton Strachey, het huis Charleston, waar ze tot haar dood in 1961 samenleefden. Virginia trouwde in 1912 met Leonard Woolf, eveneens een vriend van Thoby.

De verschillende gezinnen en hun vrienden bleven elkaar in wisselende samenstellingen zien. Mensen als D. H. Lawrence, die de Stephens en vooral hun homoseksuele vrienden als de decadente uitwassen van een geprivilegieerde klasse beschouwden, zagen hen als een hechte groep. Zelf deden ze dat nauwelijks. Clive Bell heeft het bestaan van de groep zelfs altijd ontkend.

Volgens Marler werd de naam Bloomsbury pas in de jaren zeventig echt een begrip. In die tijd, stelt ze, beschouwde men vooral Vanessa Bell en haar vrienden als een soort oer-hippies, vrolijk en onbekommerd levend en liefhebbend op het Engelse platteland.

Virginia Woolf was na de opvoering van Albee's toneelstuk 'Who's afraid of Virginia Woolf' in 1962 herontdekt. Kort daarop verschenen de eerste studies over haar werk. Toen ook de belangstelling voor haar leven begon toe te nemen, verzocht Leonard Woolf in 1963 zijn neef Quentin Bell een biografie van zijn tante te schrijven.

Bells biografie vormde de opmaat voor een stroom van publicaties, waarin Woolf afwisselend tot het feminisme gerekend wordt, of - zoals door de feministische literatuurwetenschapster Elaine Showalter - juist niet, en waarin haar werk ondergeschikt gemaakt wordt aan haar leven, of andersom.

Quentin Bell zelf ging in zijn biografie niet in op Woolfs werk. Dat speelde volgens Marler een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Bloomsbury-toerisme. Voor de toeristen, schrijft ze, heeft Bloomsbury een “associatieve in plaats van een esthetische aantrekkingskracht”. De toeristische Bloomsbury-fans interesseert vooral de non-conformistische levensstijl van Vanessa Bell en haar vrienden.

En de toegewijden? Wat maakt hen tot stille aanbidders? Welnu - daar is, zoals Marler laat zien, allereerst het gegeven dat het leven en werk van zowel Virginia Woolf als Vanessa Bell een absolute eenheid vormde. Omdat zij er voortdurend op gericht waren hun ervaringen zo nauwgezet mogelijk tot uitdrukking te brengen, word je als lezer en toeschouwer hun werk en leven als het ware ingetrokken. Woolfs weergave van simpele waarnemingen, zoals die van een aspergebed in de late zon van een junidag, heeft een intensiteit die haar weerga nauwelijks kent. In het werk van Woolf en Bell, die zoals alle goede schilders en schrijvers het leven beschrijven in plaats van verklaren, zijn voortdurend nieuwe betekenissen te ontdekken.

Aan de andere kant kan ook de toegewijden een zekere hang naar associatieve bewondering niet ontzegd worden, al geldt die in dit geval niet de vermeende non-conformistische levensstijl van de Bloomberries. De toegewijden laten zich vooral inspireren door de enorme werklust van de zusters Stephen. Met afgunstig verlangen lezen ze de dagboeken van Woolf, waarin ze op onnavolgbare wijze haar dagelijkse beslommeringen beschrijft, of haar gesprekken met collega-schrijvers als Katherine Mansfield en E. M. Foster.

Die gesprekken werden lang niet altijd op hoog intellectueel niveau gevoerd, maar ook dat vormt onderdeel van de bewondering: zo briljant was Woolf, en toch zo normaal in haar angsten en verlangens. En wie droomt niet van lange zomers op het land, omgeven door boeken en vrienden? Geen wonder dat de schrijver Anatole Broyard, door Marler geciteerd, ooit verzuchtte: “Ook ik heb naar een Bloomsbury-leven verlangd”.

Marler laat zich over de redenen van haar eigen toewijding niet uit. Als een soort verkapte verklaring besluit ze haar 'sociale geschiedenis' van de Bloomsbury-manie met een citaat van een van de huishoudsters van Vanessa Bell: “Ik was gewoon gelukkig toen ik bij hen was. They were my kind of people.”

Wie dat, al dan niet stiekem, ook denkt, komt voorlopig niets tekort. De stroom van Bloomsbury-publicaties is volgens Marler nog lang niet opgedroogd. En dat is maar goed ook. Iedere generatie, constateerde Roger Fry, moet haar oude meesters opnieuw creëren. Want “als we hen niet voortdurend zouden evalueren en herscheppen, zouden ze niet alleen oud zijn, maar vooral dood”. Virginia Woolf en Vanessa Bell zijn nog steeds springlevend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden