Op de poeppoli leert Emma dat poepen de gewoonste zaak van de wereld is.

Pijn hebben, gepest worden op school omdat je stinkt: kinderen die niet kunnen poepen, zijn meestal niet ziek, maar hebben wél een probleem. Op de ’poeppoli’ van het Maaslandziekenhuis in Sittard wordt op een bijzondere manier aan een oplossing gewerkt.

Emma (4) krijgt haar Woepie de Poepie-diploma. Ze heeft laten zien dat ze heel goed op de wc kan poepen. Ietwat verlegen klimt de kleuter op de troon, een speciale stoel die voor deze feestelijke gelegenheid in de Kinderpoepspreekkamer is gezet. Maar even later kijkt ze stoer in de camera, als ze, prinsessenkroon in het blonde haar, diploma in de hand, op de foto wordt gezet.

Haar ouders, Paul en Mariët van Meer, zijn opgelucht. „Emma roept nu opgewekt: ik ga poepen. Zes maanden geleden was dat iedere keer een drama”. Ruim een jaar hebben ze lopen tobben. „Het was heel zielig, de ontlasting werd op een gegeven moment hard, ze kreeg pijn, ging het ophouden, de poep werd alleen maar harder, de pijn erger.” De huisarts bood geen soelaas. Het kind zou er vanzelf wel overheen groeien, dacht hij.

Veel kinderen die terechtkomen op het poepspreekuur van de de afdeling Pedagogische Zorg van het Maaslandziekenhuis in Sittard zijn in een soortgelijke vicieuze cirkel beland. „Poepen gaat steeds moeilijker. Dat betekent niet alleen pijn en ongemak, maar ook schaamte. Want vaak lekt er dunne ontlasting weg langs die harde poep. Kinderen kunnen dat niet ophouden en doen het in hun broek. Zeker als ze al naar school gaan is dat vervelend. Bestaat de kans dat ze ook nog gepest worden, wat weer tot allerlei gedragsproblemen kan leiden”, zegt Elly Boer die samen met Els Hochstenbach de ’poeppoli’ leidt.

Ouders zitten er net zo mee. „Zij schamen zich vaak ook. En ze voelen zich schuldig: wat heb ik fout gedaan, vragen ze zich af.” De goedbedoelde adviezen van de omgeving (van meer muesli eten tot gewoon harder aanpakken) helpen ook al niet.

De kinderen zijn niet ziek. „Vóór ze hier komen heeft de kinderarts vastgesteld dat er geen lichamelijke afwijking is”, aldus Boer. Zaak is dan de vicieuze cirkel te doorbreken. Dat begint meestal met het geven van laxeermiddelen. Hochstenbach: „We helpen eerst alles weer te laten doorstromen, om de angst en de spanning weg te halen.”

Ook wijzen de pedagogisch medewerkers de ouders op het belang van een goede ’toilet-omgeving. „Om goed te kunnen poepen moet je in een hoek van negentig graden zitten”. Boer laat een veel te grote wc zien, beschilderd in vrolijke kleuren. Ze vraagt ouders altijd daar even op te gaan zitten, zodat ze voelen hoe vervelend het is half in de pot weg te zakken en met je voeten boven de vloer te bungelen. Dat een toiletverkleiner en een voetenbankje nuttig zijn, hoeft daarna geen betoog meer. Daarna volgt de eigenlijke behandeling, waarin lichamelijke, psychosociale, emotionele en opvoedkundige aspecten aan de orde komen.

Van poep een normale zaak maken, is de essentie. Dus mogen kinderen op de speciale poster die aan de muur van de kinderpoepspreekkamer hangt, eerst aanwijzen hoe hun poep eruitziet. Als spruitjes, een komkommer of toch meer als een maïskolf? Aan de hand van een tekening wordt duidelijk gemaakt wat er gebeurt met een boterham die via de mond in het lichaam verdwijnt. Ze mogen lol maken met een scheetzak en een baby verschonen die, jawel, een drolletje in zijn luier heeft. Van klei (van die echte vette) kunnen ze mooie keutels maken. En natuurlijk zijn er allerlei boeken.

Gemiddeld komt een kind met een ouder vijf à zes keer naar Sittard. Tussendoor wordt er thuis geoefend. Boer en Hochstenbach hebben de ouders daarvoor duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat ze op één lijn zitten én dat straffen niet werkt. „Een kind doet zoiets nooit met opzet. Druk uitoefenen, dreigen, dat heeft geen zin. Het raakt alleen maar meer verkrampt. Dan knijpt het de poep naar binnen in plaats van het naar buiten te drukken.”

Belonen werkt wel, ontdekten ook de ouders van Emma, zelfs als die beloning ogenschijnlijk maar uit iets heel kleins bestaat. Na overleg met Elly Boer begonnen ze met hun dochter tweemaal daags op vaste tijden vijf minuten op de wc te zetten („de eierwekker ernaast”). Voor iedere keer dat dat goed ging kreeg ze een stickertje. Aan het eind van iedere week volgde iets speciaals. „Dan mocht ze zelf kiezen wat ze wilde gaan doen”. Het toilet was inmiddels gezellig gemaakt met tekeningen en slingers. Al hoefde daar niet meteen resultaat zichtbaar te zijn. Dat ging via de luier, in de luier op het potje, direct in het potje, naar uiteindelijk de wc. Vader Paul: „Dat was misschien wel de belangrijkste les: kleine stapjes nemen, het tijd geven”.

Tachtig tot vijfentachtig procent van de kinderen kan na een paar maanden (weer) gewoon naar de wc. Vorig jaar werden in Sittard zo’n 60 kinderen op deze manier behandeld, in leeftijd variërend van 2 tot 16 jaar met een piek tussen de 3 en 7. Omdat de vraag groot is, werd de poli onlangs uitgebreid. Voor Emma zit het er inmiddels op. Samen met ’juffrouw Elly’ leest ze nog één keer over de mol die wilde weten wie er op zijn kop heeft gepoept. En dan huppelt ze na een opgewekt ’dag’ vrolijk het ziekenhuis uit.

(Om privacyredenen zijn de namen van Emma en haar ouders gefingeerd)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden