Op de Ireneschool draait nu alles om taal

De zwarte Prinses Ireneschool in de Haagse Schilderswijk presteerde zes jaar geleden nog ondermaats. De leerkrachten kregen begeleiding, er kwamen nieuwe boeken. Met succes: de leerlingen scoren nu bovengemiddeld. Al blijft het vwo nog te hoog gegrepen.

Lezen saai? De tienjarige Sanna (groep 6) schudt heftig haar hoofd, haar blauwe hoofddoek veert mee. „Dit boek, ’De billenknijpers’, heb ik al vaak gelezen, het is echt leuk.”

Ze is verdiept in haar literatuur achterin de klas op de eerste verdieping van de Prinses Ireneschool, in de Haagse Schilderswijk. Sanna’s ouders zijn van Marokkaanse afkomst, thuis spreekt zij voornamelijk Arabisch. Toen ze op school kwam kon ze een beetje Nederlands. „Want mijn ouders kunnen ook best wel Nederlands praten.”

Dat geldt lang niet voor alle ouders van de kinderen op deze christelijke basisschool met 325 voornamelijk allochtone leerlingen, van 25 verschillende nationaliteiten. Directeur Alexander Rose: „Gemeten naar de vooropleiding van de ouders behoren wij volgens de onderwijsinspectie tot de categorie zwaarste achterstandsschool”.

Die inspectie maakte onlangs bekend dat 15 procent van alle leerlingen de basisschool met een leesachterstand van twee jaar verlaat. Daaronder veel allochtonen. Twintig procent van de vmbo-leerlingen beheerst het Nederlands onvoldoende om zelfs schoolboeken die speciaal voor hen zijn geschreven, zelfstandig te lezen. Het taalonderwijs moet veel beter, aldus de inspectie.

De Prinses Ireneschool onderkende dit taalprobleem al zes jaar geleden. Het deed mee aan het vierjarig School ontwikkelingsproject (Sop), een programma ter verhoging van de kwaliteit van het onderwijs, gemaakt door het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum (CPS) uit Amersfoort. Inmiddels is Sop geëvalueerd door de Universiteit van Utrecht: het programma werkt. De gemiddelde score voor de Cito-eindtoets is zelfs fiks hoger (tien punten) dan een paar jaar terug en boven het landelijk gemiddelde voor deze leerlingengroep.

„Resultaten van leerlingen verbeter je allereerst door op een professionelere manier les te geven”, verklaart adjunct-directeur Dineke Knoester. „De leerkrachten moesten geregeld buiten schooltijd extra trainingen volgen. Het is zwaar geweest.”

Directeur Rose:. „Traditioneel is de leerkracht de baas in zijn eigen lokaal. Hij regeert op zijn eigen eilandje. Het gevolg is dat er te weinig continuïteit in het lesprogramma is en dat is niet goed voor de resultaten. Die eilandencultuur is hier nu weg.”

Centraal in de vernieuwing is de aanstelling van drie zogenoemde Sop-coaches, voor de onder-, midden en bovenbouw. Wies Schmitz is een van hen, zij bezoekt regelmatig de klassen en ondersteunt en beoordeelt de leerkrachten. „Ik kijk bijvoorbeeld of de lesopbouw goed is. We hebben nieuwe manieren geïntroduceerd om de kinderen de stof te laten leren. Ze werken nu onderling in groepjes van twee of vier. Daardoor heeft de leerkracht meer tijd om extra instructie te geven aan de zwakkere leerlingen. We toetsen verder met grote regelmaat zodat we precies weten wie dreigt achter te blijven. Er is een grote nadruk op taalonderwijs: technisch lezen, begrijpend lezen, woordenschat.”

Maar er zijn keerzijden: extra tijd voor taal en rekenen, betekent minder tijd voor de andere vakken, bijvoorbeeld muziek of tekenen. „We horen dat natuurlijk wel eens terug van de leerkrachten: taal legt wel een erg grote druk op het weekprogramma.”

Toch is dit volgens de school de enige weg. Knoester: „Als ze naar het voortgezet onderwijs gaan wordt alleen gekeken naar hun taal- en rekencapaciteiten en niet of ze goed kunnen tekenen of timmeren.”

Het Taalonderwijs begint al vroeg. Aan de school is een peuterspeelzaal verbonden voor kinderen vanaf 2,5 jaar. Ook op deze ’voorschool’, zegt Knoester, herken je de kinderen die thuis gestimuleerd worden. „De ene zegt: ’Juf, mag ik naar de wc?’ De ander slaat op zijn plasser, gebarentaal. De een zegt: ’Mag ik met de poppen spelen?’, de andere wijst alleen maar.”

Knoester: „Een behoorlijke groep ouders is bezig met overleven, ze hebben financiële problemen, huisvestingproblemen, relatieproblemen.” Schmitz: „Thuis worden hun kinderen niet erg gestimuleerd, ze zijn altijd in deze wijk. Ze krijgen aanwijzingen van hun ouders: doe dit, doe dat, maar een echt gesprek voeren is er niet bij. Als wij in groep 8 op excursie gaan naar het Binnenhof, hier vlakbij, dan zijn er altijd kinderen die daar nog nooit geweest zijn.”

De school is gedurende de hele schooltijd bezig met uitbreiding van de woordenschat. „We kijken samen naar het Jeugdjournaal en naar het Klokhuis. We werken met veel plaatjes, met computerprogramma’s.”

Die aandacht voor taal maakt dat er in de bovenbouw soms weinig tijd is voor de verplichte zaakvakken: biologie, aardrijkskunde en geschiedenis. Juist die vakken zijn voor veel van deze leerlingen moeilijk, doordat in de lesboeken begrippen staan die ze niet kennen, zeggen de leerkrachten.

Ongeveer vijftig procent van de leerlingen, schatten de leerkrachten, komt uit een ’taalarm’ gezin. Ook al zijn zij in hun dagelijks taalgebruik als ze in groep 6 zitten al behoorlijk vaardig, hun woordenschat is, zowel in Nederlands als in hun moedertaal, klein. Een woord als ’industrie’ is moeilijk voor hen, het is een abstract begrip. Het staat voor fabrieken, eindproduct, werknemers. Schmitz: „Kinderen lezen het woord maar hebben geen begrip van de betekenis.”

Toch zijn de boeken voor de zaakvakken vergeven met dit soort termen, zien de leerkrachten. En dat maakt het onderwijs moeilijk. Rose is al langer op zoek naar een nieuwe methode voor biologie. Maar er is niets te krijgen dat voor zijn leerlingen geschikt is, zegt hij. „We doen het vak nu zonder methode, met een programma van schooltelevisie. Die boeken zijn of te ingewikkeld met lange lappen tekst en moeilijke begrippen. Of ze zijn te praktisch. Dan staat er: ga naar een weiland en doe dit of dat. Sommige kinderen hebben nooit een koe gezien. Als je vraagt waar melk vandaan komt, zeggen ze: van Albert Heijn.”

De Cito-scores van de Prinses Ireneschool zijn gestegen, maar dat betekent nog niet dat deze kinderen naar de universiteit zullen gaan. Van de circa 35 kinderen van groep 8 gaat na de zomer de grote meerderheid naar de kader- of basisopleiding van het vmbo. Acht gaan naar vmbo-t, drie naar de havo. Niet één heeft een vwo-advies.

Toch kent de school haar succesverhalen. Een paar jaar geleden kwam er een meisje uit Iran in groep 6, haar ouders waren hoogopgeleide asielzoekers. Knoester: „Ze sprak geen woord Nederlands. Twee jaar later verliet ze de school met een vwo-advies op zak. Een intelligent meisje met een grote woordenschat, zij pikte het Nederlands zo op.” Voorlopig blijft zij een uitzondering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden