Op de dodelijke stippellijn

Eijsden lag aan de 'goede' kant van de grens, maar de oorlog hield het Limburgse dorp in z'n greep. Vluchtelingen passeerden de Duitse stroomdraad of staken de Maas over in spectaculaire operaties.

Vluchters kozen hun moment. De nacht van 26 op 27 november 1916 was aantrekkelijk. Het regende zo hard dat Duitse grenswachten uit vrees voor een nat pak minimaal patrouilles zouden lopen. De dichte bewolking maakte het aardedonker.

Een grote groep vluchtelingen sloop vanaf de Voerstreek naar de Nederlandse grens bij Eijsden. Zo'n zeventig Belgen, in leeftijd variërend van 17 tot 25 jaar, hoopten zich via Nederland en Engeland uiteindelijk aan te kunnen sluiten bij de eigen troepen die in de uiterste westhoek van Vlaanderen met geallieerde hulp het laatste stukje niet-bezet vaderland tegen de Duitsers verdedigden. Een aantal Russen had zich bij hen gevoegd. Ze waren ontsnapt uit krijgsgevangenschap. Hier vlakbij werkten ze onder barre omstandigheden aan de aanleg van een spoorweg tussen Aken en Tongeren.

Een Fransman had de leiding van deze vluchtpoging. Hij had een isoleertang om de elektrische draad, de dodelijke grensafscheiding, door te knippen. Bij het door hemzelf aangebrachte gat wachtte hij met een revolver in de hand tot iedereen was gepasseerd. Iedereen haalde heelhuids de vrijheid. Twee Duitse grenswachten en hun officier werden neergeschoten.

De groep werd opgevangen in de kantine van de zinkwitfabriek in Eijsden. Dezelfde nacht arriveerden daar nog twintig vluchtelingen met een nat pak. Ze waren komen zwemmen vanuit het Belgische Ternaaien aan de overkant van de Maas.

Eijsden lag weliswaar aan de 'goede' kant van de grens, in het neutrale Nederland, maar de Eerste Wereldoorlog hield het dorp ruim vier jaar in zijn greep. Al op de eerste dag van de Duitse inval in België trokken enorme hoeveelheden troepen door de Voerstreek. Direct over de grens verrees een legerkamp met 25.000 militairen en duizenden paarden. Ter vergelijking: Eijsden telde in die dagen zo'n 2900 inwoners.

Vanaf de tweede dag staken de bezetters delen van naburige Belgische dorpen in brand. Veel inwoners van de streek vluchtten naar Nederlands Limburg. Eijsden was voor velen de eerste halte op veilig gebied. Grote groepen bleven er hangen. Zelfs later in de oorlog, toen nogal wat Belgen weer terug naar huis waren gegaan en de meest armlastige vluchtelingen waren 'opgezonden' naar opvangkampen noordelijker in Nederland, bood Eijsden nog onderdak aan achthonderd tot duizend van huis en haard verdreven Belgen.

Toch maakte de oorlog Eijsden en omgeving Nederlandser. Tot dan toe was de grens aan de rand van het dorp echt een stippellijn op de kaart geweest. Het uiterste zuiden van Limburg, de Voerstreek en de regio Luik vloeiden op natuurlijke wijze in elkaar over. Eijsdenaren werkten over de grens, kinderen volgden daar soms het laatste jaar van de lagere school om wat Frans te leren, Belgische franken waren ook in Eijsden meer in zwang dan Nederlandse guldens.

De oorlog maakte de grens harder. Aanwezigheid van marechaussees en soldaten afkomstig uit andere delen van Nederland en het dienen van jonge Eijsdenaren elders versterkten de band met de eigen natie. De deels vanuit Den Haag gecoördineerde distributiewet, die de voedselvoorziening in tijden van schaarste op peil moest houden, had een soortgelijk effect.

Vanaf de zomer van 1915 leek de afscheiding compleet, nadat de Duitsers aan de grens van België met Nederland een elektrische draad met een dodelijke spanning van tweeduizend volt hadden neergezet. Eijsden was op dat moment pas twee jaar bezig met het aanleggen van stroom in nog slechts een beperkt aantal delen van de gemeente. De aanpalende Voerstreek had nog geen elektriciteit.

Ondanks de nieuwe versperring ging het smokkelen gewoon door. En alleen al op de korte grensstrook bij Eijsden bleven vluchtelingen het proberen. Soms vonden ze de dood aan de draad. Anderen slaagden wel in hun opzet. Met Russen ontstonden soms taalproblemen: een ontsnapte en gevluchte krijgsgevangene wist slechts met een tekening duidelijk te maken dat hij bij de marine van het tsarenrijk had gevaren.

Gekaapt stoombootje

Niet alleen individuen probeerden Nederland te bereiken. Eind 1916, begin 1917 kreeg Eijsden te maken met de nodige spectaculaire vluchtpogingen. Op 10 december probeerde een groep van twee- à driehonderd Belgen de grens over te komen. Nadat de Duitsers hen ontdekten, wisten slechts honderd het neutrale Nederland te bereiken. Bij een twee uur durend vuurgevecht werden vier vluchtelingen gedood. Ze werden later ter plekke zonder enige ceremonie begraven. Zes mannen raakten gewond. De Duitsers namen 37 vluchters gevangen. Dertig van hen kregen de doodstraf, die later werd omgezet in levenslang.

Vier dagen eerder was het een groep Belgen wel gelukt met een gekaapt stoombootje, de Anna. De kranten hadden later verschillende lezingen over hoe het gelukt was om de Duitse bewakers van het schip te overmeesteren. Volgens de Limburger Koerier hadden die simpelweg een revolver op zich gericht gekregen. Het Algemeen Handelsblad beweerde dat een paar Belgen een gezellig praatje hadden aangeknoopt met de Duitsers. Daarbij hadden ze een borrel aangeboden. Het tweede glaasje bevatte slaapmiddel. Terwijl de bewakers wegzakten in een diepe rust kon de Anna worden volgeladen met vluchtelingen en de Maas opvaren.

De tocht hield op net onder Eijsden. Daar hadden de Duitsers de elektrische draad ook over de rivier gehangen en hing bovendien een dikke ijzeren ketting in het water. De Anna voer naar de oever. De vluchters legden het laatste stuk naar Nederland lopend af.

Meer durfals waagden het via de Maas. Begin januari 1915 probeerden vier Belgen verborgen in het kolenruim van een schip dat van Luik naar Maastricht moest, naar Nederland te vluchten. Bij de grens besloten de Duitsers het schip uitvoerig te controleren. Aangekomen bij de kolen staken ze op verschillende plekken een schop in de zwarte voorraad. Op zeker moment werd de spade aan de onderkant vastgehouden. De grenswachten groeven in de kolen en vonden drie van de vier Belgen. De ander maakte zich in een hoekje zo klein mogelijk en werd niet gevonden.

Op 27 februari 1917 meerde bij het Nederlandse douanekantoor in Sint Pieter (toen nog een zelfstandige gemeente, tegenwoordig onderdeel van Maastricht) een kolenschip af. Op een teken van de kapitein kwamen 26 gitzwarte mensen tevoorschijn, 24 mannen en twee vrouwen. Ze lachten, huilden en schreeuwden: "Vive la Hollande!" Hun vluchtpoging was gelukt. Op 20 februari waren ze met z'n allen in een speciaal gemaakte, nauwe holte onder het vrachtruim gekropen. Zeven dagen van spanning waren nu ten einde.

Ketting in de Maas

De spectaculairste vlucht over het water vond een kleine twee maanden eerder plaats. Jules Hentjens, kapitein van de stoomsleepboot Atlas V, achtte in de avond van 3 januari 1917 de tijd rijp voor de uitvoering van een heel lang voorbereid plan. In Coronmeuse, aan de noordkant van Luik, propte hij zijn boot vol met 103 Belgische vluchtelingen. De wisseling van de wacht aan de oevers, een moment van onachtzaamheid bij de Duitsers, gebruikte hij om zijn boot naar het midden van de Maas te laten glijden. Daar zette hij de machines aan.

Hentjens maakte gebruik van het hoogwater. De Maas stroomde snel en waaierde breed uit. Dat maakte het voor Duitsers niet makkelijk om te achtervolgen, maar het vergde ook het uiterste van de stuurmanskunsten van de kapitein van de sleepboot.

De Atlas V werd beschoten vanaf de oevers. De kogels ketsten af. Hentjens had zijn boot laten beschermen met stalen platen. Het schip doorstond veel meer: de aanvaring met de pijler van een brug, mitrailleurvuur vanaf een ponton dat de Atlas omvervoer, de ketting in de Maas.

Uiteindelijk meerde de Atlas V af aan de Maasoever in Eijsden. De Belgische hymne en Waalse volksliederen werden gezongen. Er klonken vreugdekreten als 'Vive la Belgique!' en 'Vive le roi!' In het duister werden soortgelijke dingen geroepen vanuit het bezette Belgische Ternaaien aan de overkant van de rivier. Sluitingsuren golden even niet. Het aan de Maas in Eijsden gelegen café Du Passage d'Eau opende middenin de nacht zijn deuren. De directeur van de plaatselijke zinkwitfabriek trakteerde de vluchtelingen om zes uur 's morgens op een receptie.

Het heroïsche verhaal van de Atlas V bleef ook na 1918 tot de verbeelding spreken. Pater Martial Lekeux schreef een roman over de vlucht. De Franse regisseur Rene Jayet verfilmde die in 1937. In 'Passeur d'hommes' waren de originele gebeurtenissen in een melodramatisch plot opgenomen, waarin een dochter van een gefusilleerde verzetsman verliefd wordt op de kapitein van de sleepboot.

Wie vandaag de dag Luik binnenrijdt vanuit Maastricht wordt vrijwel meteen na binnenkomst van de stad van de rechter- naar de linkeroever van de Maas geleid. De naam van de brug die daarvoor zorgt: de Pont Atlas.

Gebeurtenissen en gevoelens van toen

Het boek 'Schampschot. Een klein Nederlands dorp aan de rand van de Groote Oorlog' verweeft de grote geschiedenis van de internationale strijd honderd jaar geleden met de geschiedenis van het dorp Eijsden. Daar schonden de Duitsers de Nederlandse neutraliteit in augustus 1914. Daar vroeg de Duitse keizer Wilhelm II in november 1918 asiel aan. Op de grens tussen neutraal en bezet gebied werd een hele samenleving uit het lood geslagen.

Historicus en journalist Paul van der Steen reconstrueerde aan de hand van de archieven en kranten de gebeurtenissen en gevoelens van toen. 'Schampschot' van Van der Steen verschijnt op 2 augustus bij uitgeverij Balans in Amsterdam; 288 blz. 19,95 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden