Oosterhuis herontdekt de traditie

In zijn nieuwe gebedenboek grijpt Huub Oosterhuis terug op de oudste gebeden uit het christendom. Soms klinkt dat opvallend traditioneel, dan weer verrassend fris.

Marc van Dijk

Hij is de man die God durft te tutoyeren, die hem al begin jaren zeventig in een lied toeriep: ’Die zegt god te zijn, laat hij te voorschijn komen, wat hebben wij aan een naam alleen’.

In zijn nieuwe boek slaat de priester, dichter, liturgievernieuwer Huub Oosterhuis (1933) soms een heel andere toon aan, in een taal die niet direct aan zijn andere werk doet denken: ’Stichter van onvergankelijke blijdschap. Bevrijder Jezus, van heel de mensheid, aller zondigen Heiland’.

Goed, het betreft hier een bewerking van een gebed van Clemens van Alexandrië, kerkelijk dichter aan het eind van de tweede eeuw na Christus. Maar toch: Oosterhuis selecteert de tekst, bewerkt hem en presenteert hem niet voor niets tussen zijn eigen teksten.

’Kom bevrijden’ is een bundeling van 150 gebeden en liederen van Oosterhuis (natuurlijk niet toevallig evenveel als er psalmen zijn), grotendeels bekend, deels nieuw. Een soort hedendaags equivalent van zijn succesvolste boek ooit, ’Bid om vrede’ (1966), dat in twaalf talen vertaald werd. Daarin verzamelde hij de gebeden en gezangen die hij in zijn eerste zes jaar als liturgisch dichter had vervaardigd. In ’Kom bevrijden’ maakt hij opnieuw een selectie, en kan hij kiezen uit ruim vijftig jaar.

Des te opmerkelijker zijn de teksten die in dit boek voor het eerst verschijnen, en die soms dichter bij de kerkelijke traditie lijken te staan dan zijn oudste werk. Zo zijn er maar liefst twee gebeden met Maria in de hoofdrol en duikt ineens een oude dogmatische formule over Jezus op, nota bene uit de rk geloofsbelijdenis, het credo van Nicea (325 na Chr.): ’God van God, licht van licht’.

Het doet enigszins denken aan de ontwikkeling van het onderzoek van kunsthistoricus Ernst van de Wetering, die met zijn Rembrandt Research Project sinds eind jaren zestig aan de hand van de nieuwste inzichten probeert te bepalen welke schilderijen ’echt’ van Rembrandt zijn en welke niet. In de eerste decennia werd er heel wat doorgestreept, maar aan het eind van zijn carrière moet hij af en toe bekennen dat er soms wat al te voortvarend geschrapt werd.

Huub Oosterhuis: „Ik heb niets geschrapt, ik ben altijd bezig geweest met vertalen en bewerken. Zelfs mijn eerste liedjes zijn volledig afgeleid uit Paulus en de evangeliën. Ik heb niet zoveel zelf bedacht, ik heb hoogstens op het oude doorgedacht. Ik heb gerangschikt en geordend; niet alleen bijbelse beelden, maar ook teksten uit de kerkelijke traditie.

Daarbij heb ik wel dingen weggelaten. Er waren teksten die even in de ijskast moesten. Omdat het vaste samenstel van teksten – Kyrie, Gloria, Agnus Dei – in de katholieke liturgie werkelijk alles domineerde.”

En nu mogen ze de ijskast weer uit? „Ja. In de loop van de jaren ben ik misschien scherper gaan zien dat die stemmen er ook bij horen. En dat ze ook in mij klinken. Dat wil niet zeggen dat je ze nu in de liturgie ook weer zomaar moet gaan gebruiken. Je moet in de liturgie nooit iets achteloos doen.”

En dus klinkt er in Oosterhuis’ Amsterdamse Studentenekklesia voor het eerst sinds de jaren zestig weer een Agnus Dei (’Lam Gods’), inclusief vraag-antwoord-spel tussen koor en gemeente.

Oosterhuis: „Maar mijn versie is wel zo ongeveer het tegendeel van het traditionele Agnus Dei. In katholieke kerken wordt tijdens de eucharistieviering gezongen: ’Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u over ons’. In mijn bewerking staat er:

Als een lam, draag de zondelast de wereld uit –

heb jij gezegd, heb jij gedaan, Jesu Christe

heb jij gezegd, dat wij het doen, jou achterna.

Dát is de oorspronkelijke visie, denk ik. Een opdracht, in plaats van een heilig offer in voltooid verleden tijd. Het ging er in de eerste Jezusgemeenten niet om dat brood en wijn in lichaam en bloed van Jezus zouden worden veranderd, het ging erom dat zijn volgelingen worden veranderd in het lichaam van de messias.

Zoals ik Jezus in een tafelgebed laat zeggen: ’geef je leven zoals ik het gaf: wees mijn zachte kracht, mijn lichaam en mijn ziel in deze wereld.’

Die oproep is verloren geraakt in de formuleringen die door alle zangkoren van de wereld op grote melodieën worden gezongen.”

Het doorbreken van de ’achteloze’ herhaling van formules, die daardoor hun betekenis verliezen, is altijd een van Oosterhuis’ centrale strijdpunten geweest. Hij herinnert zich hoe Bernard Huijbers, zijn eerste componist, aanvankelijk onder elk nieuw lied de gebruikelijke slotregels krabbelde: ’Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, zoals het was in het begin en nu en altijd, tot in de eeuwen der eeuwen. Amen’. En die streepte Oosterhuis dan weer door.

Maar ook dit ’kruisteken’ dat hij ooit bewust wegliet, neemt in zijn nieuwe boek weer een centrale plaats in. Oosterhuis: „Elke psalm wordt nog steeds met die doxologie, dat kruisteken, afgesloten. Dat is een eenkennige christelijke gewoonte geworden. Om te benadrukken dat de god van de psalmen dezelfde god is als die van het dogma van de drie-eenheid. Die gewoonte heb ik nooit overgenomen, en dat doe ik nog steeds niet. Maar wat ik wél wil, is die formulering vernieuwen. God opnieuw identificeren, om van dat lege, veel gebruikte en misbruikte woord een levende naam te maken. Ik wil bidden:

in de Naam van God – Ik zal er zijn

in de naam van Jezus – Hebt elkander lief

in de kracht van de Geest

die het aangezicht van deze aarde zal vernieuwen.

Met deze woorden heb ik mijn kleinkinderen gedoopt, en vele anderen.”

Deze ’drie-eenheid’ is ook de driedeling van het boek geworden. Het eerste gebed is overigens van God zelf, omdat het bidden in de Bijbel bij God begint, zegt Oosterhuis. Jezus (’jij eeuwige zoon van je Vader’) is ruim vertegenwoordigd, onder andere in de tafelgebeden. Maar ook in de bewerkingen van de oudste gebeden uit de christelijke traditie, die soms ineens verrassend fris klinken, zoals in ’U roep ik’: ’God mens geworden, wij god geworden’. Oosterhuis: „Wij god geworden? Er zullen mensen zijn die zeggen: dat gaat me te ver. Tja, dan moet je niet bij mij zijn. Hippolytus van Rome, tweede eeuw. Ik zou zoiets niet op eigen houtje durven zeggen. Maar ik laat het graag meedoen. Het heeft ook altijd meegedaan, in de grote theologie van de menswording.”

Een gebedenboek van Huub Oosterhuis is onvermijdelijk ook een liturgisch en theologisch statement. Hij is van plan om een exemplaar naar bisschop Wiertz van Roermond te brengen, met wie hij over zijn laatste boeken naar eigen zeggen steeds prettig heeft kunnen praten.

Maar los van alle theologische en kerkelijke angels is en blijft bidden toch ook een hoogst persoonlijke aangelegenheid. Bidt Oosterhuis zelf eigenlijk? „Bidden en schrijven is voor mij nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden. Ik beleef het schrijven zoals ik vroeger het bidden beleefde.”

Oosterhuis is zijn hele leven vooral een ’voorbidder’ geweest. In het voorwoord beschrijft hij hoe hij als puber al werd ingeschakeld om de voorbeden te schrijven voor de verplichte mis van de jeugdige gevangenen in het Observatiehuis in Amsterdam-West. Ene meneer Macke, een matrassenhandelaar die de voorbeden in rap Amsterdams uitsprak, vond dat de jonge Oosterhuis meer taalgevoel had dan hij. Maar hij spoorde hem ook aan om het vooral niet te ingewikkeld te maken.

Die eis dat anderen het moeten kunnen meevoelen, zeggen of zingen, werd deel van Oosterhuis’ systeem. „Ik ben me altijd bewust van die rol. Dus het is een gestileerde vorm van bidden. Zomaar wat bidden kan ik niet.”

Hij probeert zo intiem mogelijk om te gaan met God. „Dat hoort ook bij bidden, denk ik. Dat je alles kunt zeggen. Dat je kunt roepen: waar ben je? Je zwijgt zo diep in alle talen dat het lijkt alsof je niet bestaat. Die aanspreekvorm komt uit de psalmen, dat zijn hartsuitstortingen, tegen een God die hoort. Dat is het grensverleggende.

De psalmen zijn de leerschool geweest van de hele christelijke gebedstraditie. In de oudchristelijke teksten die ik bewerkt heb, is dat nog heel goed zichtbaar. Die gebeden uit de eerste eeuwen zijn helemaal vanuit de joodse beeldenwereld gedacht en samengesteld. Ik wil laten zien dat onze traditie daar onlosmakelijk mee verbonden is. Het is één stroom.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden