Oosterburen blijven mik- en brandpunt

De Mof, zijn oorsprong, betekenis en Werdegang heeft veel losgeslagen bij onze afnemers. Daarom vandaag nogmaals en nu zelfs volop aandacht voor dat woord. (en: wordt vervolgd)

Waar bleef de Moffendijk

Maerten Claese de Moff had in 1627 een 'huijsken van riet en leem' in eigendom aan de nieuwe Suijt-Beijerlandschendijck. Het moet een zeer sober dijkwoninkje zijn geweest, want de taxatie voor de verponding, zeg maar de huurwaarde, bedroeg in dat jaar slechts vier gulden.

Deze wetenswaardigheden ontlenen we aan een taxatiekohier uit de archieven van de gemeente Oud-Beijerland. Wat Maerten voor de kost deed, vermeldt het kohier niet. Maar gelet op zijn eenvoudige stulpje was de zoon van Claes (Claese is een variant op Claasz.) waarschijnlijk een arme landarbeider, die zijn lichaamskracht verhuurde aan boeren.

Waarom hij de Moff werd genoemd, is evenmin bekend. De archieven geven op dit punt geen enkel aanknopingspunt, zegt Jan de Rooij, die het Streekmuseum Hoekse Waard bestiert en een kenner is van de geschiedenis van dit gebied. Maar dat de Moffendijk, die al sinds mensenheugenis in Zuid-Beijerland ligt, zijn naam te danken heeft aan deze landarbeider, ligt volgens De Rooij voor de hand.

Afnemer M. H. Weeda, die de eerste 23 jaar van zijn leven doorbracht in ZuidBeijerland, attendeerde ons op het bestaan van deze Moffendijk. Hij kan zich herinneren dat ook tijdens de Tweede Wereldoorlog deze naam in zwang bleef onder de bevolking, al was dat verboden door de toenmalige burgemeester die heulde met de Duitsers.

De burgervader verordonneerde dat de Moffendijk voortaan Noorddijk zou heten, omdat dat ook de werkelijke naam van de dijk was. Hij beriep zich daarbij op polderarchieven uit het begin van de zeventiende eeuw, waarin de naam Noorddijk al zou worden vermeld.

Wanneer voor het eerst sprake is van de Noorddijk, is niet precies te achterhalen. Volgens ing. M. Allewijn, die verscheidene boeken heeft geschreven over de geschiedenis van de Hoekse Waard, zijn twee jaartallen aannemelijk. In 1615 werd de polder Klein-Zuidbeijerland ingepolderd, tien jaar later het aangrenzende Groot-Zuidbeijerland. Bij een van deze inpolderingen moet de naam Noorddijk zijn gegeven aan de dijk, die in de volksmond sinds jaar en dag de Moffendijk wordt genoemd.

Na de oorlog bleef in de officiele stukken en het straatnamenregister van de gemeente Zuid-Beijerland de naam Noorddijk gehandhaafd. Een verzoek van het polderbestuur 'Den Hitzert' op 25 mei 1951, om de naam Noorddijk weer te veranderen in Moffendijk, werd om onduidelijke redenen afgewezen. Andere (semi-)overheidsinstellingen, zoals de provincie Zuid-Holland en het waterschap De Groote Waard, bleven wel de benaming Moffendijk gebruiken of kozen de gulden middenweg met de omschrijving: Noorddijk of Moffendijk.

Jan de Rooij van het Streekmuseum Hoekse Waard kan zo dertig kaarten laten zien, waaronder ook recente uit de jaren '70, waarop nog steeds van Moffendijk wordt gesproken. De Rooij is 'import'. Maar vanaf het moment dat hij in de Hoekse Waard kwam wonen, hoorde hij eigenlijk altijd over de Moffendijk praten. Heel zelden valt de naam Noorddijk. Toch heeft ook de gemeente Korendijk, waaronder Zuid-Beijerland sinds de gemeentelijke herindeling ressorteert, geen plannen voor een naamswijziging. Ach, is de redenering op het gemeentehuis, iedereen weet toch dat met de Noorddijk de Moffendijk wordt bedoeld.

Halt! Zoll! Moffrika

Afnemer ir. Hans Peters uit Hengelo las in zijn Meyers Konversationslexicon uit 1906 onder het trefwoord Muffrika en Muffrikaner: "Schertsende benaming voor het Hannoveriaanse Eemsland en zijn bewoners, die hun naar men zegt bij het beleg van Rotterdam (1663) door de Hollanders werd gegeven, omdat de Hannoveriaanse soldaten vanwege de grimmige kou pelshandschoenen (Latijns: muffula) of echte moffen droegen. In Holland gelden de spotnamen 'Mof' (iemand die een grote mond opzet, een praalhans) en 'moffrika' heden algemeen voor Duitsers en Duitsland. "

'Onvolprezen', noemt de heer Peters zijn Meyers Konversationslexicon, maar in de vergadering van het bestuur, waar zijn brief ter tafel kwam, sloeg eerst de verwarring en kort daarop de twijfel toe. 'Het beleg van Rotterdam (Die Belagerung von Rotterdam) uit 1663'? Nooit van gehoord. Wat kan de onvolprezen Meyer daar in 1906 in vredesnaam mee bedoeld hebben? Zelfs de gemeentelijke archiefdienst in Rotterdam moet ons het antwoord schuldig blijven.

Onze eigen royal Mof

Afneemster Thera Coppens uit Baarn weet dat de scheldnaam 'mof' al in de zeventiende eeuw werd gebruikt voor niet erg gewaardeerde personen van Duitse afkomst. Zelfs prins Maurits (wiens vader ons nog geen vijftig jaar eerder in het Wilhelmus had verzekerd dat hij 'van Duitse bloed' en dus inheems was) ontkwam daar niet aan.

Mevrouw Coppens: "In pamfletten komen we de term 'mof' tegen in verband met prins Maurits, die Oldenbarnevelt in 1619 had laten onthoofden. Zo lezen we in de JammerLiedekens (een verzamelpamflet dat waarschijnlijk door dominee Slatius werd samengesteld), dat de vrijheid in Holland weg is 'Door des Mofs tyrannigheydt.' Hij heeft Oldenbarnevelt vermoord, zijn doorluchte medestanders zuchten in de gevangenis, trouwe predikanten worden verdreven, kerkelijke tegenstanders worden gedood, soldaten schenden straffeloos de maagden, alles 'Door des Mofs heersich begheert'.

Het vers eindigt met de regels:

Godt salder ons saack

Met strenghe wraack

Noch voeren uyt

Eer de Mof sijn ooghen sluyt.

Met Slatius is het overigens slecht afgelopen: hij was betrokken bij een moordaanslag op Maurits en werd in 1623 onthoofd.

Ook de dichter Joachim Oudaen (16281692) schreef in zijn 'Lijkgedachtenis van den grooten Agrippijn Joost van den Vondel' in bedekte termen over de wandaad van Maurits die thans:

. . . moet eeuwig zwijgen als een Mof

Als die geen eer heeft van zijn spreken."

Het ontzet

De Spanjaarden maakten tijdens de Tachtigjarige Oorlog veelvuldig gebruik van de diensten van Duitse huurlingen. In het navolgende poeziefragment laat een rederijker die schuilgaat achter de zinspreuk 'Schout Abuys' de stad Leiden vertellen over haar wonderbaarlijk Ontzet in 1574 door 's Princen dienaren:

Deur v ben ick bedeghen / ick heb in v betrouwt / Want ghy hebt my verlost / eensdeels doer zeebaren, V rechte handt was oock / met s Princen dienaren/ Die my hebben by gestaen als helden ongeflouwt,

Ghy zyt my Burghers hulpe / inden tyden benouwt, Der Machabeen moedt / sach men in haer dalen Hoe zeer de Spaignards / dreyghden / zy hebben haer verspouwt / Sy ontsagen niemandt / Moffmaffhans, noch Walen,

Ghy waert met haer (o heer) in allen haer qualen / Sy streden vromelyck / voer vrydom, en haer rechten, Onsterffelycke Faem / zach men haer behalen

Met een volherden vast / zonder eenich falen / Dus zyn zy bevonden trouw' / Patriotsche knechten, Voer tvaderlandt, en vrydom / moet men altyt vechten.

Dit vers is voorgedragen tijdens de feestelijke viering van het Ontzet in 1578, op een door Jan van Hout uitgeschreven rederijkerswedstrijd. Het vers berust in handschrift in het Leidse Gemeentearchief, Bibliotheek 2006; het is nooit uitgegeven (zie voor deze wedstrijd verder Spektator 20 (1991), 55-85). Sprekend over Van Hout: waar komt het Van Houtcitaat, aangehaald in het O.O. nr. 26, vandaan?

Nog een oude literaire bron is de Brabbeling van Pieter Roemer Visscher, gedrukt in Amsterdam anno 1614. In het vijfde schock van de Quicken, blz. 64, is het volgende versje te vinden:

Hans Mifmaf was gisteren gaer vol ghedroncken

Nu heeft hy veel pluymen op 't hooft ghehecht

Ick wed hy sal segghen / sy zijn hem geschoncken

Om te draghen als een vroom (=dapper) Lantsknecht:

Maer ick denck wel neen / 't is anders die 't wist

Hy draechtse te droghen / hy heeft zijn bed bepist.

Ik vermoed dat er ook bij Samuel Coster nog iets te vinden zal zijn: in zijn Spel van de RijckeMan voert hij een Duitser op, die in Amsterdam misbruik komt maken van de goede sociale voorzieningen.

Dansen bij De Mof

Afnemer L. van der Jagt te Harderwijk attendeerde ons op het bestaan van het horeca-bedrijf 'De Mof' te Leusden. Komt die naam ook daar vandaan, slaat die daar ook op en heette dit etablissement tussen '40 en '45 ook zo?

Wat dit laatste betreft: jawel. Was de uitspanning genoemd geweest naar koningin Wilhelmina, de naam was op last van de bezetter gewijzigd, maar van oudsher 'De Mof', daar viel minder tegen in te brengen.

Wat de eerste vragen aangaat: waarschijnlijk wel. Dat valt terug te vinden in de tekst van de lezing die jhr. ir. C. C. Th. de Beaufort in december 1978 hield over de historie van 'De Mof' te Leusden.

De Beaufort kwam speurend in acten en archieven tot een eerste vermelding in 1609 van Brietgen Hendricx 'weerdinne' van 'De Mof'. Helaas waren de stukken van voor die periode geschreven in oud Gothisch handschrift, 'vooralsnog onleesbaar voor mij', aldus De Beaufort. De rest van de historie heeft hij wel kunnen reconstrueren. Tot en met het gegeven dat een 'dienstmaagd' op 'De Mof' in 1709 per jaar 28 gulden verdiende, plus kost en inwoning, benevens '2 paar schoenen, 2 schorteldoeken, 2 hemden en 8 el henniplaken'.

Maar de naam? "Volgens taalkundigen is dit woord van Duitse soldaten overgenomen sedert de zestiende eeuw. Het hoog-Duitse woord 'Muff' betekent: knorrepot, ongemanierde, niet spraakzame persoon.

In de zeventiende eeuw ontstond een jaarlijkse stroom van gastarbeiders uit Duitsland naar Nederland. Het waren meestal seizoen-arbeiders, die hun hebben en houden in een doek geknoopt over hun schouder, te voet langs min of meer vaste paden, Nederland binnenkwamen vanuit Hannover en Oldenburg."

"Gedurende ongeveer drie eeuwen kwam ieder voorjaar de trek naar Nederland op gang. Tussen 1700 en 1770 schat men dit aantal op ongeveer 30 000 (en dit op een bevolking van Nederland van ongeveer drie miljoen). In het voorjaar hierheen, in het najaar terug, om (sentimenteel als de Duitsers ook toen al waren) kerstmis 'bij moers thuis' te vieren."

"Hannekemaaiers (maaiers van hennep), kiepkerels of blaaspoepers (dit laatste woord afkomstig van 'Buben'), werden zij genoemd als men vriendelijk was, 'moffen' als men ze liever zag gaan dan komen."

"De eerste keer dat het woord 'mof' officieel als scheldwoord genoteerd staat, was in 1820, toen een dominee Lenhartz met 200 maaiers op een boot van Amsterdam naar Schagerbrug voer en de bevolking vanaf de wal hen luidkeels voor 'moffen' nariep. Een schandaaltje dat in die nette tijd zowaar nog de krant haalde."

Allemaal de pot op!

Er bestaan, als we W. F. Hermans mogen geloven, mensen die foto's maken van hun maaltijden en de uitwerpselen die daarvan het gevolg zijn, ten einde een verband tussen consumptie en eindprodukt te kunnen vaststellen.

Al dan niet gewapend met fototoestel, veel mensen hebben de behoefte de resultaten van hun stoelgang te inspecteren alvorens ze de onverschillige gelijkheid van het riool in te zenden.

Het was op deze hebbelijkheid dat een grappige passage uit een Franse familiefilm uit de jaren zeventig, waarvan me de titel helaas is ontschoten, speculeerde. Een vakantieganger daarin heeft de gewoonte om zijn uitwerpselen in de natuur te deponeren. Zijn kinderen, die dit verschijnsel al meermalen ongevraagd hebben bezichtigd, besluiten met een schep de drol van hun vader ongezien onder hem weg te trekken, nog voor hij de ontlasting zelf onder ogen heeft gekregen. De verbaasde, wat paniekerige uitdrukking op het gelaat van de man als hij zijn inspanning met helemaal niets beloond ziet, staat me nog levendig bij.

Een eigen ervaring met het ultramodern toilet van een Amerikaans vliegveld, waar bij het binnentreden de bril automatisch neerdaalde en een nieuw hygienisch hoesje te voorschijn schoof, waarna de faecalien onder je weg spoelden voor je er erg in had, maakte ook op mij een ongewenst geavanceerde indruk. Dat de mens een zichtbare ablutie prefereert boven een onzichtbare valt ook te concluderen uit het oude oorlogsrijmpje dat, in zichtbare beeldspraak over de Duitse bezetter handelend, zegt: 'Hoe opgelucht zult gij u voelen, als ge 't vuil weer weg ziet spoelen.'

Aan dit alles moest ik denken bij het lezen van de beschouwingen over het werk van Erica Pappritz in onze aflevering van 9 december, Buch der Etikette, waarin onder meer te lezen valt: 'Tijdens en niet eerst na het gebruik van het toilet moet men aan de beroemde ketting trekken. Hoe kleiner en gehoriger de woning is, des te sterker geldt deze wet. Laten we de techniek dankbaar zijn dat zij ons met de waterspoeling een middel aan de hand heeft gedaan tot discrete neutralisering van ongewenste geluidsachtergronden.'

Het oorspronkelijk ontwerp van ons toilet lijkt inderdaad te speculeren op een spoeling tijdens het zitten (wat inspectie vooraf natuurlijk niet hoeft uit te sluiten). Het trekmechaniek bevindt zich immers steevast aan de linkerzijde, zodat men de ketting zittend met de meest voor de hand liggende hand, de rechter dus, kan aantrekken. Een bijkomend voordeel van deze constructie is dat het islamieten ten dienste is. Volgens de Islam moet men namelijk met de linkerhand de billen vegen, opdat de rechterhand rein blijft voor het eten (of vrij om aan de ketting te trekken, voegen wij daar op eigen gezag aan toe). Dat een en ander weer eens discriminatie van linkshandigen betekent, behoeft geen betoog.

Over de aard en kwaliteit van het doortrekken en spoelen rept zelf een specialistisch werk als dat van Ben Ten Holter over hoofdstedelijke toiletten in publieke gelegenheden, Amsterdam voor dames en heren, helaas niet. En dat terwijl de constructie van het spoelmechanisme nogal wat gevolgen heeft voor de uitvoering van de stoelgang. Alleen bij het hoofdstuk over cafe 'De Leydsche Poort' lezen we er iets over: 'In het toilet ontbreekt de knop van de trekker van het spoelreservoir, maar dat is geen onoverkomelijke hindernis.' En over 'Cafe Chris' lezen we dat het oude toilet niet in de toiletruimte zelve doch in de caferuimte moest worden doorgetrokken: 'Het was een oude gewoonte om in de zaak het toilet door te trekken terwijl een nietsvermoedende nieuweling er juist op zijn gemak was gaan zitten.'

Bij de meeste toiletten heeft het oude trekmechanisme plaatsgemaakt voor andere doorspoeltechnieken. Men drukt tegenwoordig op een knop, of trekt aan een handle, die zich op het waterreservoir achter de pot bevindt. Veelal in het midden daarvan, en dat maakt het de zittende spoeler bepaald niet eenvoudig zonder overdreven lichaamsbeweging de klus te klaren. In feite dringen de nieuwe locaties van spoelingsknoppen aan op een staande spoeling.

En zulks is dan ook de overheersende praktijk, concludeerde, in Amerika natuurlijk, een onderzoek, 'the Cornell Survey of Personal Hygiene Attitudes and Practices in 1000 Middle-Class Households': 34% van de ondervraagden spoelde door tijdens het zitten; 66% stond ervoor op. Dat impliceert voor traditionele toiletten dat een groot aantal bezoekers linkshandig doortrekt.

De moderne toiletten met hun knoppen achter de rug van de zitter betekenen dan ook een soort ontmoedigingsbeleid voor zittenblijvers. Toepassing van meer geavanceerde technieken waarbij een knop of pedaal in de vloer voor het toilet is verwerkt, kan mogelijk beide gezindten weer tegemoet komen.

Laten we overigens niet te zeer klagen over de huidige stand van zaken. Nog geen twee eeuwen geleden was een watercloset slechts voorbehouden aan de groten der aarde. De oervorm van ons huidige watercloset lijkt nog het meest op de verplaatsbare poeptroontjes van de Engelse en Franse vorsten. Over de Engelse koningin Anne, die regeerde van 1702 tot 1714, lezen we dat ze bij wijze van nieuw snufje, de beschikking kreeg over 'a little place of Easement of marble with sluices of water to wash all down.'

De stoelzit, door sommigen overigens als onnatuurlijker en inefficienter beschouwd dan de primitievere hurkzit, wekte dan wellicht niet zulke obscene associaties, helemaal decent vond men het allemaal toch ook weer niet. Zo werd de pot in Frankrijk liefst aan het oog onttrokken door hem in een onschuldig ogend meubelstuk te verwerken. In de zeventiende eeuw gebruikte men daarvoor zelfs een stapel van dummy's, onbedrukte boeken. Naar de twee soorten titels die hiervoor werden benut heetten deze toiletten 'Voyage au Pays Bas' of 'Mysteres de Paris'. Je moest er, op zoek naar je gerief, maar achter zien te komen.

Gedemocratiseerd toiletgebruik in onze tijd maakt het de bezoeker eenvoudig om zijn eigen weg te kiezen. Wie zonder preventief spoelen er toch, in navolging van mevrouw Pappritz, voor wil zorgen dat hij niemand geluidsoverlast bezorgt, bezoeke het Amsterdamse cafe 'De Drie Fleschjes', waarvan Ten Holter noteerde: 'De luchtververser maakt een dusdanige herrie dat andere geluiden die eventueel gemaakt worden in het toilet ruimschoots overtroffen worden.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden