Oost-Timor kreeg laagje vernis

De bevolking van Oost-Timor viert tien jaar onafhankelijkheid. Maar valt er eigenlijk wel iets te vieren? Journaliste Irene Slegt vroeg het aan Timorezen met wie zij op 5 september 1999 op veilig VN-terrein belandde, terwijl het land om hen heen in vlammen opging.

Pedro Unamet Rodrigues is bijna 10 jaar. Als zijn moeder, Joana Freitas (38) terugdenkt aan zijn geboortedag lopen de rillingen weer over haar rug.

Het was 7 september 1999, een paar dagen nadat de uitslag van het referendum dat de toekomst van Oost-Timor voorgoed zou veranderen, bekend werd. Haar vreugde over de onafhankelijkheid werd overschaduwd door angst.

In de nacht van 5 september hadden Indonesische soldaten en de door hen gesteunde milities het vuur geopend op de Timorezen. De gewapende groepen hadden gezworen wraak te nemen als zij de volksraadpleging over Oost-Timors onafhankelijkheid van Indonesië zouden verliezen.

Doodsbang was de hoogzwangere Joana met haar man en twee dochtertjes naar het hoofdkwartier van de Verenigde Naties gevlucht. Maar net als honderden andere Timorese gezinnen werden zij niet toegelaten op het ommuurde VN-terrein. Gillend van angst gooiden veel mensen kinderen en bejaarden over het vlijmscherpe prikkeldraad en klommen er zelf achteraan. Bloedend belandden zij op het VN terrein. „We dachten dat de milities ons allemaal zouden vermoorden”, zegt Joana Freitas.

Televisiebeelden van de panische vrouwen en kinderen gingen de wereld over en de publieke reactie die daarop volgde dwongen de VN om de poort te openen voor de vluchtelingen. Omringd door meer dan 2000 ontheemden en het kabaal van salvo’s automatisch geweervuur, beviel Joana twee nachten later van een jongetje. De VN-arts die haar hielp gaf de baby de naam Pedro Unamet, waarbij zijn tweede naam de afkorting was voor de missie van Verenigde Naties in Oost-Timor, die het referendum organiseerde. Nog dezelfde nacht werd hij gedoopt door een Australische priester.

Pedro Unamet zelf lijkt niet erg bezig met de historische geboorteplaats waar hij tien jaar geleden het internationale nieuws mee haalde. Hij is verdiept in een spelletje biljard met knikkers op een geïmproviseerd tafeltje, gemaakt van een plankje met elastiekjes als bumpers en een oude sarong als biljardlaken. Pedro is blind aan één oog, maar dat belet hem niet alle spelletjes te winnen.

Zijn oudste zus van vijftien, slaat hem van een afstandje gade. Ze zegt zich niets van de tijd bij de VN te kunnen herinneren. Voor haar generatie – in het snelgroeiende Timor de meerderheid van de bevolking – liggen de Indonesische bezettingsjaren alweer in het grijze verleden. Zij zijn net als de meeste jongeren ter wereld geïnteresseerd in popcultuur en mode, en het is tekenend dat de populairste televisieprogramma’s Indonesische soapdrama’s zijn.

Voor de Oost-Timorese jongeren was het hoogtepunt van het herdenkingsfeest op 30 augustus niet de toespraak van de voormalige onafhankelijkheidsstrijders Xanana Gusmao en José Ramos-Horta – nu respectievelijk premier en president, maar het optreden van een Indonesische popster die voor veel geld uit Jakarta is overgevlogen.

De vraag is wat de Oost-Timorezen na tien jaar precies te vieren hebben. Is het leven nu beter dan in de tijd voor 1999? Joana en haar broers, bij wie zij is ingetrokken nadat haar echtgenoot er met een andere vrouw vandoor ging, lachen verlegen om de vraag. „Fifty-fifty”, zegt een van haar broers uiteindelijk. „Het is economisch moeilijker. Alles is veel duurder en de gezondheidszorg en het onderwijs zijn slechter”, legt hij uit.

Maar daar staat tegenover dat ze in een onafhankelijk land wonen, zonder een bezettingsleger. „Ondanks alle zorgen slapen we beter dan in 1999”, voegt een andere broer toe. Geen van de aanwezigen heeft spijt van de keuze die zij toen maakten.

Sinds de Indonesiërs in 1999 het land als een smeulende puinhoop achterlieten, hebben de Timorezen hard aan de wederopbouw moeten werken. De VN die hen daarbij ondersteunden zijn nog steeds aanwezig. De speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal, Atul Khare, zegt dat „de ontwikkeling van Oost-Timor niet met grote schreden gaat, maar elke dag met een heel klein stapje”.

Die ’stapjes’ zijn zo klein dat er, vooral buiten de steden, weinig te bespeuren valt van de miljarden dollars ontwikkelingsgelden die het land heeft ontvangen. De infrastructuur is nog steeds slechter dan voor 1999. Het wegennet is verwaarloosd en veel dorpen zijn onbereikbaar, zeker in de regentijd. De boeren kunnen hun producten niet kwijt, en een derde van de Timorezen heeft geen elektriciteit, stromend water en sanitaire voorzieningen.

Toen een groepje regeringsleiders onlangs in een bergdorpje kwam, werden zij begroet met een traditioneel welkomstlied waarvan tekst was veranderd. „Welkom, oh hoge heren uit de stad in jullie mooie grote auto’s. Wij horen hier gewoonlijk enkel het zingen van de vogels. Wij hebben geen vervoer en geen mogelijkheden. Wij hebben geen geld om zaden of een tractor te kopen. De kliniek zit zonder medicijnen en de school heeft geen onderwijzer”, zongen de vrouwen tot grote hilariteit van de andere dorpsbewoners.

Ook in de steden zijn de problemen groot. De werkloosheid onder het jaarlijks gestaag groeiende aantal jongeren – Oost-Timor heeft het hoogste geboortecijfer ter wereld – ligt nog steeds rond de 50 procent. Overal hangen groepjes jongens op de straathoeken verveeld naar passanten te loeren.

Sinds Xanana Gusmao’s coalitieregering het roer overnam in 2007, is de staatsbegroting verdubbeld. Geld uit het Petroleum Fonds, waarin de inkomsten uit Oost-Timors olie- en gasvelden bewaard worden voor toekomstige generaties, is vrijgemaakt om het land te stabiliseren na de crisis van 2006. Minister van financiën Emilia Pires zegt trots dat de regering al meer dan de helft van de begroting van 680.000 dollar (ruim 450.0000 euro) heeft weten uit te geven.

Een derde daarvan is opgegaan aan korte termijnoplossingen. Tienduizenden vluchtelingen die sinds het geweld in 2006 in kampen rond de hoofdstad Dili woonden ontvingen duizenden dollars om hun huizen te herbouwen. De rebellen in de leger- en de politiemacht die verantwoordelijk waren voor de gevechten in 2006, zijn afgekocht met relatief grote sommen geld en de veteranen van de onafhankelijkheidsstrijd hebben een klein pensioen ontvangen.

Verder heeft de regering, om voedselrellen in Dili te voorkomen, de (geïmporteerde) rijst en brandstof zwaar gesubsidieerd. De façades van de stad krijgen een likje verf en overal verrijzen nieuwe regeringsgebouwen. En elke vrijdag moet iedereen, met name de ambtenaren, een bezem in de hand nemen en de straten schoonvegen. Maar het vuil wordt niet opgehaald en ligt nog dagen na te smeulen in betonnen bakken.

„Het is slechts een laagje vernis”, zegt een buitenlandse hulpverlener, „de oorzaken van de problemen worden niet aangepakt”. Volgens oppositiepartij Fretilin lijdt Oost-Timor aan de zogeheten Hollandse Ziekte, waarbij de olie- en gasdollars worden aangewend voor een permanente verhoging van de overheidsuitgaven. Maar de onderliggende economie is heel zwak en de werkloosheid torenhoog. Daarbij komt dat de regering wordt beschuldigd van corruptie en vriendjespolitiek.

Vicepremier Mario Carrascalao zegt dat ongeveer 20 procent van het budget wordt verkwanseld en dat de helft van de ministers wordt verdacht van corruptie.

„Het zijn vooral de families van de ministers die buitengewoon profiteren”, zegt journalist José Belo. In zijn weekblad Tempo Semanal stelt hij deze praktijken aan de kaak. Dit heeft hem al een rechtszaak wegens laster opgeleverd en hij krijgt regelmatig sms’jes waarin hij met de dood wordt bedreigd.

Ook de veiligheid en stabiliteit waar de Timorezen zo naar verlangden zijn betrekkelijk. Opnieuw hebben de VN geholpen om een Timorese politiemacht te trainen en de overdracht van de blauwe baretten is al begonnen. Om zich van de loyaliteit van het leger te kunnen verzekeren heeft premier Gusmao het staatsbudget van de veiligheidstroepen aanzienlijk verhoogd. Maar de broodnodige hervorming van het leger verkeert nog steeds in de planningsfase.

Joana hoopt dat de toekomst voor haar kinderen er beter uit gaat zien. „Ik wil graag dat zij kunnen studeren”, verzucht ze. Ze haalt een A4-tje te voorschijn dat ze zorgvuldig glad strijkt. Het is een kopie van een getypte brief aan de VN. „Help alstublieft met een beurs voor Pedro Unamet”, bepleit de tekst in gebroken Engels. „Hij is slim ondanks zijn handicap”, glimlacht ze trots.

Maar een antwoord heeft ze niet gekregen. Ian Martin, het VN-hoofd in 1999 had haar een kaart beloofd waarmee zij aanspraak kon maken op speciale steun voor Pedro, maar die heeft zij nooit ontvangen. De enige die haar ooit geld heeft gestuurd op haar zoons verjaardag is de VN-verpleegster die haar bijstond tijdens de bevalling.

Voorlopig moeten Pedro Unamets familie en vele anderen in Oost-Timor het doen met vage beloften. Zowel de Verenigde Naties als hun regering zeggen dat de jonge natie in 2012 op eigen benen kan staan. De komende tien jaar zou het beter moeten gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden