Oorlogsinstituut verhuist naar voormalig onderkomen Duitse bank

Van een onzer verslaggeefsters AMSTERDAM - Het Riod wordt afgestoft. Letterlijk en figuurlijk. Niet alleen dat het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie verhuist - 500 meter verder op de Amsterdamse Herengracht - het 52-jarige instituut wordt in de nieuwe behuizing ook toegankelijker, opener. Iedereen, met vragen over de oorlog, kan er straks binnenlopen.

Het Riod 'nieuwe stijl' heeft voor het eerst zelfs een voorlichter. Onderzoeker David Barnouw, al achttien jaar werkzaam bij het Riod, verdeelt zijn tijd sinds kort eerlijk tussen onderzoek en voorlichting, behalve dat hij nu, als coördinator verhuizing, even van onderzoekstaken is vrijgesteld.

Hij erkent dat het instituut vroeger behoorlijk gesloten was. Als je als student, wetenschapper, journalist of zomaar als geïnteresseerde leek iets wilde weten, moest je je verzoek schriftelijk motiveren. Eenmaal binnen, bekroop je het gevoel dat je wel heel erg bevoorrecht was dat een medewerker de moeite wilde nemen je de gevraagde informatie aan te reiken. Hoe anders wordt dat straks, als het Riod op 24 maart zijn deuren heropent. Bij de informatiebalie wordt de bezoeker verwezen naar de ruime studiezaal, gebouwd in de overkapte binnenplaats tussen het 19de-eeuwse pand en het koetshuis. In het midden is een rond gat uitgespaard waarvan met glas een vide is gemaakt. Rondom de uitgespaarde ruimte, waarin planten of ander groen worden aangebracht, zijn tegen de hoge ramen tafels geplaatst waar het straks aangenaam lezen en studeren is. “Wie weet wat voor leuke ontmoetingen hier plaats zullen vinden”, zegt Barnouw. In het voormalige koetshuis komen het knipsel-en foto-archief waarin de bezoeker zelf mag grasduinen. “Alleen staan er strenge straffen op zelf terugzetten, anders is straks niets meer te vinden”, waarschuwt Barnouw.

De studiezaal is de enige nieuwbouw in het 'kasteel' dat de steenrijke tabakshandelaar Jacobus Nienhuys tussen 1888 en 1890 in twee aangrenzende grachtenpanden liet bouwen door architect Abraham Salm. Dat hij de architect geheel de vrije hand liet, is zeer zichtbaar, evenals het feit dat geld geen rol speelde. Salm gebruikte dure materialen als marmer, ivoor, peren- en palmhout.

Ook hanteerde hij een mengeling van stijlen - onder meer geput uit 16de-eeuwse Franse paleizen - die zich vooral laat omschrijven als overdadig en barok. Zoals het monumentale trappenhuis, rondom een vide, bekroond met een gebrandschilderde koepel. Staande op de tweede verdieping kon Jacobus Nienhuys hier, via een metershoge spiegel, zien wie hem kwam bezoeken.

Overal zijn muren en plafonds rijkelijk gedecoreerd of beschilderd, hangen kroonluchters en in een aantal salons staan nog de originele tegelkachels. Die in de vergaderzaal op de eerste verdieping is gigantisch en doet Oosters aan. En neem het pronkstuk: het met sterren versierde Turks bad, op de overloop van de tweede verdieping. Salms schepping is opvallend intact, op een paar details na, zoals het 'overbehangen' van de gebloemde muurschilderingen in het trappenhuis en een eigentijds kunstwerk van twee reusachtige, koperachtige ringen in de vide. De vorige gebruikers: de Duitse Bank en het ministerie van financiën hadden blijkbaar respect voor de historie.

Het is een kleine speling van het lot dat het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie een pand betrekt waarin een kleine 25 jaar de Duitse Bank huisde. “Die bank, die in tegenstelling tot de Nederlandse bank geen staatsinstelling was, kocht het pand in de jaren twintig”, vertelt Barnouw. “De reden was waarschijnlijk dat Duitsland, ondanks het verbod daartoe op grond van het Verdrag van Versailles, toch een duikbotenprogramma wilde opzetten en daar illegaal geld voor nodig had. Amsterdam was sinds de 17de eeuw hét financieel centrum en bovendien was Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal geweest, dus kozen de Duitsers Amsterdam voor hun, deels legale en deels illegale, financiële transacties.”

In 1945 confisqueerde de Nederlandse overheid het pand als 'vijandig vermogen' en werd de Rijksgebouwendienst de nieuwe beheerder. Tot vorig jaar diende het als filiaal van het ministerie van financiën, dat in de kelder onder meer papieren over de staatsschuld opsloeg. Ook het Riod komt het nu goed van pas dat de Duitse Bank in de kelders immense kluizen aanbracht. Daarin komt het overgrote deel van de heiligdommen van het Riod: het papierarchief van drie kilometer, de 50 000 boeken en 150 000 foto's.

Nee, het Riod is nog niet zo modern dat dit alles op microfiches is opgeslagen. Volgens David Barnouw zou dat zoveel menskracht vergen dat dat vooralsnog onbetaalbaar is. Een klein deel van het archief, dat betrekking heeft op de jodenvervolging, wordt op microfiches gezet door het Jad Vashem-instituut in Jeruzalem en het Holocaust-museum in Washington. Een andere mogelijkheid tot computeriseren zou het 'scannen' van de archiefstukken zijn, maar die techniek is nog niet toereikend voor de door ouderdom vergeelde of anderszins slecht leesbare papieren. Wel kan de bezoeker in de studiezaal straks op monitoren zien wat zich waar in het archief bevindt.

Nieuwe openheid of niet, om begrijpelijke redenen blijven archiefstukken over personen voor de meeste mensen gesloten, zelfs na ruim vijftig jaar. Informeren of je buurman soms 'fout' was in de oorlog blijft dus taboe. Daarvoor werd en wordt verwezen naar justitie.

Wat Barnouw opvalt is dat de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog nog immer niet tanende is. “Toen 1985 naderde, dacht ik dat dat het hoogtepunt zou zijn. Dat verwachtte ik omstreeks 1995 weer, maar de verzoeken om informatie blijven doorgaan. Van wetenschappers, journalisten en bijvoorbeeld straatnamencommissies of 4- en 5-meicomités.”

Napoleon

Ondanks het feit dat zo'n 65 procent van de huidige bevolking na 1945 geboren is. “Als ik aan discussies deelneem, wil ik nog wel eens provocerend zeggen dat de Tweede Wereldoorlog jonge Turken en Marokkanen worst zal wezen. Je merkt wel dat voor sommige jongeren de Tweede Wereldoorlog net zo vreemd is als Napoleon. Aan de andere kant staat de europeanisering die de neiging tot 'eigenheid' vergroot, ook op dit gebied: de oorlog in ons land was heel anders dan elders.”

Toch kun je je afvragen of die oorlog over een tiental jaren niet zo ver verleden tijd is dat het Riod zich meer met eigentijdse oorlogsgeschiedenis bezig zal moeten houden. “Voor die toekomst van het Riod is een ministeriële commissie ingesteld en wij wachten met spanning af waarmee die zal komen”, zegt Barnouw.

“In de jaren zestig is (onder de voorganger van dr. L. de Jong - red.) wel eens gesproken over het omvormen van het Riod tot een instituut voor eigentijdse geschiedenis, maar de aandacht voor de tweede wereldoorlog is nooit verflauwd. Denk maar aan de recente publiciteit rondom het nazi-goud en de Nederlandse SS'ers.” Behalve het onderzoek over Srebrenica zit het Riod dus niet te wachten op onderzoek naar eigentijdse drama's zoals in Rwanda. “Als het onderzoek naar 'Srebrenica' goed afloopt, heb je kans dat we meer vragen op dat gebied krijgen, maar dat zal steeds op z'n merites beoordeeld moeten worden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden