Ook stoere moeders zetten de knop om

In haar boek ’De Spitsuurclub’ breekt Marja Pronk een lans voor het keuzefeminisme. Vrouwen dwingen tot arbeidsdeelname werkt averechts. „Moedergevoelens zijn een gegeven. Ontken ze niet, maar faciliteer ze.”

’Als vrouwen het druk hebben, is tijd voor zichzelf het eerste waar ze op bezuinigen. Hun accu opladen staat onder aan het prioriteitenlijstje. Herkennen jullie dit?”

Trainer en adviseur Marja Pronk geeft workshops op het gebied van werkdruk, stress en balans en de inzetbaarheid van werknemers in hun verschillende levensfasen. De twintig vrouwen in de zaal knikken instemmend. „Ja, of je gaat wel op de bank zitten, maar dan voel je je weer schuldig!”, reageert er een. „Precies”, zegt Pronk, „en dat vreet juist energie in plaats van dat je ervan oplaadt.”

Ze laat de toehoorders een lijst persoonlijke energizers opstellen – ’waarvan word jij echt vrolijk en ontspannen?’ – en adviseert ze dagelijks voor minstens een daarvan de tijd te nemen.

Ook vraagt ze iedereen twintig ’dingen waar je goed in bent’ op te schrijven. Dit stuit op een zekere weerstand. „Twintig? Wat veel!”, roept iemand. „Dat wil ik niet. Ik ben gewoon een goed mens, dat moet genoeg zijn”, zegt een ander.

„Grappig hè, die reactie krijg ik heel vaak”, vertelt Pronk na afloop van de workshop. „Vrouwen vinden het moeilijk hun kwaliteiten en talenten te erkennen en daarvoor te gaan staan. Terwijl je jezelf daar juist heel goed mee kunt oppeppen.”

Jezelf wat vaker een schouderklopje geven en focussen op wat die dag wél is gelukt in plaats van op dat waar je niet aan toegekomen bent: behalve het motto van haar workshop is het ook een van de boodschappen van Pronks boek.

In ’De Spitsuurclub’ breekt zij een lans voor de keuzevrijheid van vrouwen in de drukste periode van hun leven. „Van die ’spitsuurfase’ is meestal sprake wanneer vrouwen de zorg voor kinderen combineren met een baan”, legt Pronk uit. „Ze kunnen kiezen hoe ze die fase inrichten, als thuisblijf- of thuiswerkmoeder, parttime moeder of juist carrièremoeder.”

Maar die keuzevrijheid, volgens Pronk een van onze grootste verworvenheden, komt steeds meer onder druk te staan. Met de hete adem van de vergrijzing in de nek, probeert de overheid zoveel mogelijk vrouwen de arbeidsmarkt op te krijgen. Maar die stimulans tot arbeidsparticipatie gaat onvoldoende gepaard met faciliteiten voor moeders en kinderen.

Pronk: „In alle maatregelen die genomen worden, spelen kinderen een ondergeschikte rol. Zo is het ritme van het bedrijfsleven totaal niet afgestemd op dat van school en gezin. Flexwerken en telewerken staan nog in de kinderschoenen. Op je 45ste ben je uitgerangeerd, terwijl je dan net weer volledig inzetbaar bent. Lang niet alle scholen in Nederland bieden een continurooster, zodat veel kinderen ’s middags naar huis moeten voor de lunch. En er wordt veel gepraat over de prijs van kinderopvang, maar om de wachttijden te bekorten, roept men dat we het met de kwaliteitseisen maar even iets minder nauw moeten nemen. Het zijn allemaal factoren waardoor moeders eerder minder dan meer zullen gaan werken.”

De dwang tot grotere arbeidsdeelname en uitbesteding van kinderen heeft een averechts effect, aldus Pronk.

„Boven aan het prioriteitenlijstje van elke vrouw staan haar kinderen. Zodra die er zijn, gaat bij haar de knop om, al had ze voorheen nog zo’n grote mond. Als het kind achttien is, wil zij kunnen zeggen: ik ben er voor het grootste deel bij geweest. Moedergevoelens zijn een gegeven en het heeft geen zin om te lopen sjorren aan iets waar geen beweging in zit. Ontken die gevoelens niet, maar faciliteer ze. Beschouw kinderen en arbeidsmarkt niet als twee verschillende werelden, maar stem ze op elkaar af. Want ze zijn allebei afhankelijk van dezelfde mensen.”

In haar boek ’Weg met het Deeltijdfeminisme!’ schrijft Heleen Mees dat hoogopgeleide vrouwen die geen volwaardige carrière nastreven, hun eigen kapitaal verkwisten en zo zichzelf en de samenleving tekortdoen. Vrouwen moeten nu eens écht aan het werk, vindt ze, in plaats van te blijven steken in inferieure deeltijdbanen of in het verfoeilijke anderhalfverdienersmodel.

In Nederland is dat model zo’n beetje de norm en volgens Mees is het niets meer dan de bevestiging van traditionele rolpatronen. Hoe kunnen werkgevers vrouwen voor vol aanzien als die genoegen nemen met de helft van het salaris van hun man, vraagt zij zich af. Het lijkt alsof het vrouwen aan iedere ambitie ontbreekt en, vindt Mees, daarmee zadelen ze niet alleen zichzelf, maar ook hun dochters op met een gemankeerd zelfbeeld.

„Ouderwets”, zo omschrijft Pronk veel van Mees’ ideeën. „Het is allemaal te dwingend. Ik vind dat je niet neerbuigend mag doen over thuisblijfmoeders of vrouwen die in deeltijd werken en alleen de fulltime carrièrevrouwen serieus moet nemen. Je moet al die keuzes respecteren én mogelijk maken. Noem het deeltijdfeminisme, maar vrouwen zijn pas echt vrij als ze keuzes kunnen maken waar ze helemaal achter staan.”

Vrouwen gebrek aan ambitie verwijten, vindt Pronk al evenmin terecht. „Stoppen of minder gaan werken heeft meer te maken met het welbevinden van de kinderen dan met het ontbreken van ambitie. Parttime moeders krijgen naar hun hoofd dat ze thuis zitten te mutsen, maar ze zorgen er wel op hun manier voor dat hun kinderen lekker in hun vel zitten, zodat die straks evenwichtig de arbeidsmarkt op kunnen. Zij dragen hun steentje bij aan de toekomst en economische groei.”

Pronk gelooft niet dat vrouwen hun dochters daarmee het verkeerde voorbeeld geven. Ze vreest eerder het tegenovergestelde: dat het onmogelijk maken van dit soort keuzes ertoe zal leiden dat steeds minder vrouwen gaan werken.

„De volgende generaties zien ons worstelen met de combinatie zorg en werk. Ze krijgen het gevoel dat het niet te doen is en dat ze moeten kiezen tussen kind óf carrière. Voor vrouwen zal het kind de doorslag geven. Als het allemaal wat beter geregeld was, hoefde dat niet.”

Wat ook zou helpen, meent Pronk, is een wat grotere solidariteit tussen vrouwen onderling. „Terwijl we in de spitsuurfase allemaal ons best doen om te zoeken naar de juiste vorm, bekritiseren we elkaar om onze keuzes. Maar de thuisblijfmoeder is niet beter dan de carrièremoeder, en omgekeerd ook niet. We moeten stoppen met die scheve blikken op het schoolplein.”

Merkwaardig in het hele verhaal is dat de rol van de man steeds buiten schot lijkt te blijven. De vrouw moet beslissingen nemen over zorg en baan, maar intussen werkt van de mannen nog slechts een op de zeven in deeltijd.

„Het is raar”, beaamt Pronk. „Hoewel ze het waarschijnlijk best eens zijn met een gelijkere verdeling, mengen maar weinig mannen zich in het debat. Misschien uit angst dingen weg te geven, misschien om niet voor watje te worden aangezien. Toch zie je dat steeds meer mannen een rol willen spelen in opvoeding en zorg. Werkgevers houden daar echter nog lang niet voldoende rekening mee. Ook daarin valt nog heel wat winst te behalen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden