OOK OPENBARE OUDERS WILLEN GODSDIENSTLES VORMINGSONDERWIJS

Discussiëren, of beter gezegd: tobben, over de identiteit van de school was tot voor kort voorbehouden aan het bijzonder onderwijs. Openbare scholen leunden comfortabel achterover in hun neutrale stoel. Maar de discussie over identiteit kan niet uitblijven, nu het openbaar onderwijs meer en meer 'actief pluriform' wil zijn. Het gesprek over het karakter begint voorzichtig, met vier regionale bijeenkomsten over het godsdienstig en levensbeschouwelijk onderwijs op de openbare school. Dat steeds minder gemeenten die lessen subsidiëren zal niet onbesproken blijven.

“Op een openbare school moet je heel tolerant zijn”, becommentarieert Erik Molenveld, beleidsmedewerker van de vereniging openbaar onderwijs (VOO), het voorval. “Dit is een manier van denken die in de samenleving voorkomt. Dus mag aangeboden worden op de openbare school. Je moet dat als leerkracht accepteren, maar als mens kun je het daar weleens moeilijk mee hebben.”

Het voorbeeld illustreert perfect de positie van het godsdienstig en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op de openbare shool. Dat wordt wel gegeven in het gebouw van de school, aan leerlingen van de school en binnen lestijd, maar het valt volledig buiten de verantwoordelijkheid van de school en het bevoegd gezag. Dat spoort met de opvattingen in dit land over het karakter van het openbaar onderwijs, zegt Molenveld: “In het vormingsonderwijs vindt waardenoverdracht plaats, en daarom valt het niet onder het bevoegd gezag, en staat het ook niet in het leerplan.”

Daarmee is het ook iets heel anders dan het vak geestelijke stromingen. Dat staat op het programma van zowel de openbare als de bijzondere school. In dat vak gaat het om kennis van geestelijke stromingen hier en elders. Wat de leerkracht zelf vindt blijft buiten schot, en vorming eveneens. Bij het vormingsonderwijs is dat anders. Daar kan de docent, die altijd van buiten komt, bij wijze van spreken ook met de leerlingen bidden.

Is geestelijke stromingen een verplicht vak, godsdienst of levensbeschouwelijke vorming is dat niet, en kan dat vanuit de opvattingen over het openbaar onderwijs ook nooit zijn. Omdat de lessen wel onder schooltijd vallen, krijgen de kinderen die niet meedoen in die tijd iets anders. Daarmee mogen ze evenwel nooit een voorspong krijgen op de kinderen die wel aan die lessen meedoen. In de praktijk wordt de keuze dan ook veelal omschreven als 'bijbel, humanisme of kleien'.

Bijbel of humanisme? Ja, want kerkelijke en humanistische organisaties zijn verantwoordelijk voor het aanbod van de lessen. Zij betalen die ook, maar daarvoor krijgen ze vaak subsidie van de gemeente. Zo kan het dus voorkomen dat de gemeente als bevoegd gezag niets te zeggen heeft over het vormingsonderwijs, maar het anderzijds als lokale overheid wel financiert.

Basisscholen zijn afhankelijk van de gelovigen en de humanisten, of ze in hun folder kunnen schrijven dat de leerlingen de mogelijkheid hebben vormingsonderwijs te volgen. Als het er niet is, kan dat nooit de openbare school verweten worden; is er een groepering die de lessen wil geven, dan is het openbaar onderwijs verplicht die toe te laten. Is die er niet, dan is er geen vormingsonderwijs.

Uit cijfers van 1992 blijkt dat er op tachtig procent van de openbare scholen destijds een of andere vorm van vormingsonderwijs was. Het humanistisch vormingsonderwijs (HVO) werd op 32 procent van de scholen gegeven, protestant-christelijk, rooms-katholiek en oecumenisch waren goed voor 73 procent en islamitisch godsdienstonderwijs kwam op twee procent van de scholen voor - en wat minister Dijkstal van binnenlandse zaken betreft wordt dat laatste aanzienlijk uitgebreid. Hij overweegt in zijn Minderhedennota te zetten dat islamitische leerlingen les in hun godsdienst moeten krijgen. Als dit verder reikt dan kennis over de Koran kan dit op de openbare school alleen in de paar uurtjes godsdienst.

In zijn algemeenheid neemt de belangstelling voor het vormingsonderwijs toe. “We groeien tegen de verdrukking in”, meldt Dian Vermeulen, medewerker van het pedagogisch studiecentrum HVO. Haar collega Hans Spinder van het centrum voor educatie van de Nederlands Hervormde kerk, dat plaatselijke gemeenten assisteert, komt met dezelfde mededeling. Ook voor de godsdienstlessen is meer en meer belangstelling. Dat komt, zeggen beiden, doordat er steeds meer basisscholen zijn waar het vormingsonderwijs gegeven wordt. “Want steeds meer ouders vragen erom”, zegt Spinder. Niet dat het vaak een bewuste keus is, dat godsdienstonderwijs: “Nee, dat valt wel mee. Ze willen de kinderen wel iets meegeven, maar ze weten zo gauw niet wat. Dus laten ze de kinderen maar naar de godsdienstles gaan.”

De invulling van de lessen hangt sterk af van wie de zaak heeft georganiseerd. Spinders centrum voor educatie bij voorbeeld staat een 'open' aanbod voor. Hoewel Spinder spreekt over een 'missionaire activiteit', kan naar zijn mening het opdringen van het geloof nooit de bedoeling zijn, en zieltjeswinnerij al helemaal niet. “Wij zijn al heel tevreden als leerlingen later zeggen goede herinneringen te bewaren aan de lessen.”

Maar het kan ook anders. Als de plaatselijke hervormde bij de gereformeerde bond hoort - die trouwens zijn eigen adviescentrum heeft - dan zullen de lessen ook meer dat karakter hebben. Altijd is diegene die de lessen wil geven, afhankelijk van de belangstelling van leerlingen, of meer nog: van de ouders. Zo zou het kunnen zijn dat een pinkstergemeente lessen godsdienst wil geven. Als daarvoor voldoende leerlingen zijn, dan kunnen ze gewoon beginnen.

En als ze geld hebben. Dat is een heikel punt. Gemeenten zijn niet verplicht het vormingsonderwijs te betalen en sommige doen dat ook niet. In 1992 had nog 74 procent van de gemeenten een subsidieverordening, maar dat worden er steeds minder. Spinder heeft niet de indruk dat het intrekken van de subsidie gebeurt uit onwil: “Er zitten bijna nooit anti-godsdienstige sentimenten achter. Meestal wordt het ingegeven door banale bezuinigingsdrift.” Hij vindt dat jammer, want de gemeenten hebben volgens hem in dezen ook een verantwoordelijkheid. Spinder hoort bovendien nogal eens van scholen dat ze er zeer aan hechten. “Zij zeggen tegen ons: wij vinden het godsdienstonderwijs belangrijk voor onze school, voor de kinderen, zij leren bij jullie iets dat wij niet kunnen meegeven.”

Als een gemeente de subsidie intrekt, komen humanistische en kerkelijke organisaties, die elkaar normaal gesproken als collega's zien, niet zelden tegenover elkaar te staan. De humanisten vinden het financieren van het vormingsonderwijs een taak van de overheid. Als die niet meer betaalt, dan houdt het op. Principieel ziet Spinder dat ook zo. Maar meestal neemt de kerk, die veelal wat ruimer in haar jasje zit dan het HVO, de kosten op zich. Spinder: “Dat leidt tot spanningen op plaatselijk niveau. Als je doorgaat, geef je de gemeente argumenten in handen om te zeggen: zie je wel, ook al betaal je als overheid niks, het gaat toch wel door. Maar als het eenmaal is geschrapt, dan komt het niet meer zo snel terug. Bovendien laat je, door door te gaan, zien dat je als kerk wel je verantwoordelijkheid neemt voor het openbaar onderwijs. Dan heb je meer recht om de gemeente te vragen waar hun verantwoordelijkheid dan blijft.”

Ook de verengiging openbaar onderwijs is een krachtig voorstander van het verstrekken van subsidie. “Afbouwen en stoppen leidt tot verarming van het aanbod”, zegt beleidsmedewerker Molenveld. “Als er geen geld is, maak je het voor organisaties onmogelijk om de lessen te verzorgen. Dat gaat ten koste van de aantrekkelijkheid van het openbaar onderwijs.”

Gemeenten kunnen vanuit diezelfde financiële overwegingen trouwens ook besluiten juist wel vormingsonderwijs te gaan betalen. Maastricht is daarvan een mooi voorbeeld. Een aantal islamitische ouders wilde zijn kinderen naar een islamitische school sturen. Daarvoor zijn ze aangewezen op Kerkrade of Helmond. Dat zou Maastricht 50.000 gulden kosten, want de gemeente is verplicht de kosten van het vervoer te betalen. Het betalen van het islamitisch godsdienstonderwijs op een openbare school in Maastricht zelf was maar liefst de helft goedkoper. Ook de ouders vonden dat een aantrekkelijk voorstel, en op die manier kon Maastricht 25.000 gulden besparen.

Molenveld van de VOO constateert tevreden dat het openbaar onderwijs op deze manier een aantal kinderen binnen boord kon houden. Hij schaamt zich er helemaal niet voor te zeggen dat de vormingslessen niet alleen een bijdrage leveren aan de pluriformiteit, maar dat de openbare school er ook gewoon heel goed mee voor de dag kan komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden