Oók op 4 mei tijd voor verzoening

Dodenherdenking 4 mei 2009 (Werry Crone/Trouw)

Nederland zou de grootheid moeten opbrengen om de Duitse ambassadeur op de Dam uit te nodigen.

De Tweede Wereldoorlog nooit uit de Nederlandse samenleving weggeweest, hoewel de capitulatie van nazi-Duitsland al bijna 65 jaar geleden is.

Voortdurend (wetenschappelijk) onderzoek naar die periode levert nog steeds vaak verrassende resultaten op. Maar ten aanzien van de Duits-Nederlandse betrekkingen is er sprake van een merkwaardige ambivalentie. De afwijzende reacties op de wens van de Duitse ambassadeur Thomas Lüufer om te worden uitgenodigd op de eerstvolgende nationale dodenherdenking op 4 mei passen helaas helemaal in dat beeld. Daarmee wordt, bedoeld of onbedoeld, een van de laatste taboes in de omgang met vooral de eigen geschiedenis nog eens geaccentueerd.

Vooraf dit: dodenherdenking en bevrijdingsdag zijn ook jarenlang een controversieel onderwerp aan het Haagse Binnenhof geweest, waarbij de discussie vooral ging over het feit of de zondag voor een plechtigheid in aanmerking kwam, of werknemers een verplichte snipperdag moesten opnemen en welke gevallenen er op 4 mei herdacht zouden worden. Pas vanaf 1988 (!) zorgt het nieuw gevormde Nationaal Comité 4 en 5 mei voor meer duidelijkheid en coördinatie..

Het politiek-psychologische normaliseringproces – een term van de historicus Friso Wielenga – tussen Nederland en (West-)Duitsland verliep na 1945 moeizaam en vooral aarzelend. Weliswaar waren de economische banden alweer vrij snel hersteld, op politiek niveau duurde dat veel langer.

Pas in november 1969 kon bondspresident Gustav Heinemann, als eerste Duits staatshoofd sinds 1907, een staatsbezoek aan Nederland brengen. Het feit dat Heinemann tot de categorie ’goede Duitsers’ behoorde, zal zeker degene hebben aangesproken die in een simplistisch ’goed/fout’-denken was grootgebracht en dat dankbaar omarmde.

Daarnaast bleef het enigszins raadselachtig, waarom Heinemann wel een krans mocht leggen bij de Hollandsche Schouwburg, terwijl een bezoek aan het Anne Frank-Huis minder passend werd geacht.

Op het hoogste niveau – na Heinemann kwam bijvoorbeeld een van zijn opvolgers Richard von Weizsücker met oprechte spijtbetuigingen naar ons land – werd een en andermaal berouw getoond voor vijf jaar Duitse bezetting en voor wreedheden jegens (joodse) Nederlanders.

Op lager niveau was die toenadering overigens al in de jaren vijftig begonnen, toen tientallen Duitse jongeren in het kader van Aktion Sühnezeichen in ons land meehielpen bij verscheidene kerkelijke (bouw-)projecten. In ieder geval zullen houding en opvattingen van prins Claus, wiens Duitse komaf met veel argwaan gepaard ging, ook de laatste Nederlandse twijfelaar hebben overtuigd dat Duitsland de inktzwarte bladzijden uit zijn geschiedenis erkent en zich bij voortdurend van zijn loodzware verleden bewust is.

Minstens zo belangrijk is ten slotte de vaststelling dat de Bondsrepubliek in de relatief korte tijd van haar bestaan tot een voorbeeldige democratie is uitgegroeid. Waarom van onze kant dan niet de grootheid opgebracht om eens op te houden met het huidige Duitsland nog steeds met machtswellust, onbetrouwbaarheid en grootheidswaan in verband te brengen?

Wanneer dat besef is doorgedrongen, kan de ambassadeur (of een andere Duitse hoogwaardigheidsbekleder) toch met goed fatsoen niet langer van de Dam worden geweerd. Wat is de angst bij de tegenstanders eigenlijk? Dat Lüufer –hij is van 13 mei 1945 – de bezettingsjaren gaat bagatelliseren, de wreedheden van zijn landgenoten zal ontkennen of de Holocaust zal relativeren? Of zou hij zijn gehoor voorzichtig en bescheiden een aantal geslaagde en minder geslaagde voorbeelden van Vergangenheitsbewültigung in zijn land geven? Dat zal een aantal Nederlanders vermoedelijk een ongemakkelijke avond bezorgen.

Eerlijk gezegd denk ik dat Lüufer namens het huidige Duitsland „voor de slachtoffers en overlevenden en hun families het hoofd zal buigen” en zich oprecht zal verontschuldigen voor „het grote leed dat mijn land uw land heeft aangedaan”. Die woorden staan tussen aanhalingstekens, omdat het citaten zijn uit eerdere toespraken van deze ambassadeur, gedaan bij 4 mei-herdenkingen in Venray-Ysselsteyn en Kamp Vught, plechtigheden waarbij hij opvallend genoeg nadrukkelijk wél ’in functie’ was uitgenodigd. Mij dunkt dat zo’n openbare schuldbekentenis door overlevenden, nabestaanden én nieuwe generaties moet worden aangegrepen om ook zelf de hand ter verzoening te reiken – waar dat tenminste nog niet is gebeurd.

De tijd is gekomen dat gevoelens van verontwaardiging en vergelding plaats maken voor vertrouwen en verzoening. Een andere V, die van verdriet, kan niet door mensen worden weggenomen. Maar betekent het niets wanneer uitgerekend de ambassadeur van Duitsland in het bijzijn van alle mogelijke betrokkenen dat verdriet erkent en deelt? 4 mei 2010 op de Dam is daarvoor de aangewezen gelegenheid: niet ondanks het feit dat er nog leden van ’de’ oorlogsgeneratie zijn, maar juist omdat ze er gelukkig nog zijn!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden