Ook onkruid verdient aandacht

Schrijvend en tekenend wilde hij dienstbaar zijn aan de wereld. Maar eerst moest hij radicaal breken met familie.

In zijn geveltuintje bloeit nog steeds onkruid. Dat liet hij zijn gang gaan, misschien licht gearrangeerd, op kleur en bladvorm. In de border, aan de overkant van het pad, staan bakken met officiële planten, keurig verzorgd door de tuincommissie.

Guus van Hemert woonde de laatste vijftien jaar in het Berchmanianum in Nijmegen, het imposante pand van de jezuïeten, waar hij in de jaren vijftig zijn priesteropleiding gevolgd had. Toen hij er in 1997 weer kwam wonen, trok hij in het bijgebouw, waarin ook het archief gevestigd is. Zijn buren, mede-paters, gaf hij voor hun verjaardag een boom, of een witte druif, of iets anders voor in de border. Zo staat daar ook een acer, een Japanse esdoorn, die straks, in de herfst, weer vuurrood zal kleuren. Naast zijn eigen voordeur duldde hij louter onkruid.

Onkruid figureert ook in zijn aquarellen. Guus tekende onkruid dat tussen stoeptegels door piept, of dat leunt tegen een fietsenklem. De tekeningen hangen ingelijst in het hoofdgebouw van het Berchmanianum. In dit klooster, tegenwoordig ook verpleeg- en verzorgingshuis voor jezuïeten, volgde Guus van Hemert begin jaren vijftig als jonge priesterstudent de filosofiecolleges.

Dat tekenen heeft hij zijn leven lang gedaan. Hij had het van huis uit meegekregen. Vader Van Hemert was architect en interieurontwerper. Guus, die zijn puberteit beleefde in de oorlogsjaren, wilde aanvankelijk de kunstzinnige kant op. Hij schreef zich na de oorlog in voor de Academie voor Beeldende Kunst. Zijn generatie, vol idealen, wilde de nieuwe vrijheid vullen met daden van schoonheid en goedheid. In zijn eerste jaar op de academie dacht hij dat zijn dienstbaarheid vruchtbaarder zou zijn in een ander veld. Hij besloot jezuïet te worden. Zijn opleiding begon in Grave. Vanuit Voorburg gezien, waar hij was opgegroeid, helemaal aan de andere kant van het land. Guus was de enige niet. In de naoorlogse jaren kwamen er per jaar wel 25 aankomende priesters bij. In de refter was gedekt voor tachtig man.

De keuze voor een religieus leven vereiste een radicale breuk met de eigen familie. Slechts een paar keer per jaar mocht die op bezoek komen. Onderling spraken de novicen niet over thuis. Van de leiding leerden ze, afstandelijk met elkaar om te gaan. De jonge priesterstudenten spraken elkaar aan met u. Guus heette 'frater Van Hemert'. Een vorm van onthechting die, zeggen zijn generatiegenoten achteraf, onnodig strikt was.

In Nijmegen kreeg Guus van Hemert zijn filosofieopleiding. Als architectenzoon herkende hij het Berchmanianum als een uitbundig voorbeeld van de stijl van de jaren twintig. Kleurrijk glas in lood, bogen, donkere baksteen, hoge lichte wanden in de refter. Die wanden smeekten om wandschilderingen.

Samen met medestudent Piet Wiemers, vier jaar ouder, beschilderde hij de wanden van de refter. Hij maakte een kruisscène, een portret van Jan Berchmans, de jonggestorven pater naar wie het pand genoemd is, en van Petrus Canisius, de 16de eeuwse Nijmegenaar die de eerste jezuïet van Nederland werd. De portretten zijn gezet in een losse, organische vorm in grijs. Tot hun verbazing zagen zijn medestudenten en de rector op een dag bij het avondeten een afbeelding van een engel met een duif boven de deur naar de aula. Die had Guus er op de laatste middag van zijn studie nog even opgezet, snel en zonder voorstudie. Het was er zo kaal, vond hij.

Ook in het schrijven wilde hij dienstbaar zijn aan een betere wereld. Hij werd redacteur van het katholieke maandblad De Heraut. En hij ging columns schrijven voor Trouw. In die stukjes portretteerde hij mensen met een fijn pennetje, net zo fijn als zijn tekeningen. Er zat niets prekerigs in. Als hij al een boodschap wilde uitdragen, dan was het dat ieder mens het verdient om met veel aandacht beschouwd te worden. Net zoveel aandacht als voor onkruid dat tussen de straatstenen groeit.

Bij de redactie van De Heraut leerde hij Nelly Rooymans kennen, secretaresse van het blad. Binnen de orde was hij openhartig over hun wederzijdse genegenheid. De provinciaal overste was het er mee eens dat Guus toch jezuïet kon blijven, in warme verbondenheid met Nelly. Zo ver als Huub Oosterhuis, die vond dat een jezuïet ook best getrouwd kon zijn, ging Guus niet. Trouwen of samenwonen met Nelly, dat was niet aan de orde. Veertig jaar, tot aan haar dood in 2006, bleven ze hecht verbonden in een intieme vriendschap. Ze liepen er niet mee te koop, maar op verjaardagsetentjes in het buurtje bij het Berchmanianum kwamen ze samen.

Het waren de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie, de jaren waarin, na vier eeuwen van stilstand, een vloed van vrijheidsdrang door katholiek Nederland stroomde. Surfend op die golf van optimisme voerden religieuzen ook in hun privéleven allerlei veranderingen door. Maar diezelfde golf joeg ook menigeen de orde uit, zoals ook bij andere orden en congregaties. Nederland was welvarend geworden en vrij. Het idealisme dat na de oorlog tot een massale aanmelding bij kloosters geleid had, vond geen voeding meer. Bij de jezuïeten verliet elke twee weken wel iemand de orde. Guus van Hemert, toen een veertiger, bleef.

Die geest van de jaren zestig spreekt uit het bisschoppelijke voorwoord van de nieuwe catechismus, uitgekomen in 1966. Dat boek waarin de uitgangspunten, de geloofsleer en de spiritualiteit van de katholieke kerk op uitdagende wijze verwoord zijn, had een anonieme eindredacteur. Achteraf zei Guus van Hemert - hij was die eindredacteur - dat de naam catechismus zeer ongelukkig was gekozen. Een algemenere naam had het boek en de boodschap ervan een veel breder publiek kunnen geven. Ondanks de verzoenende toon werd de catechismus inzet in de polarisatie die katholiek Nederland tot in de jaren negentig diep verdeelde.

Hij maakte voor de KRO televisieuitzendingen over religieuze kunst. Op bewaarde banden is te zien hoe hij vol vuur toelichting geeft op het Lam Gods, het altaarstuk van de gebroeders Van Eyck, dat in Gent hangt, of op het Isenheimer-altaar, dat in Colmar te zien is. Zijn gedrevenheid deed niet onder voor die van Pierre Janssen, die voor de Avro met 'Kunstgrepen' iets vergelijkbaars deed.

Guus van Hemert wilde een stadsreligieus zijn, net als Ignatius, de stichter van de jezuïeten. Hij trok in een flat in de toen nieuwe Nijmeegse wijk Dukenburg. Een flat met geluidsoverlast en waarvan het trappenhuis vervuilde. Hij leefde daar in zijn eigen ritme: laat op, en 's avonds lang televisie kijken. Met die tv ging hij om als met onkruid: hij koesterde het apparaat, ook toen het oud was en nauwelijks meer werkte. Overdag genoot hij van alles wat aan natuur te vinden was, in de stad of daarbuiten. Het gele Jacobskruiskruid, een dood vinkje dat hij naast het trottoir vond, een vleugel nog gespreid. Ze kregen een tweede leven dankzij penseel en potlood van Van Hemert.

Naast de korte stukjes in Trouw wilde hij ook een groter werk schrijven, een roman die zich moest afspelen in de eerste eeuwen van het christendom. Met grote toewijding verdiepte hij zich in de geschiedenis van de derde eeuw. De voorbereiding duurde zo lang dat hij maar niet aan schrijven toekwam. Toen het boek 'In het licht van Omega' eindelijk af was, zeiden vrienden dat het meer een studieboek was dan een roman. De drie hoofdpersonen dienden als kapstokken om het verhaal van het vroege christendom te dragen. Veel vlees en bloed hadden ze niet. Guus van Hemert kon die kritiek wel verdragen en zelfs beamen.

Nadat hij weer in het Berchmanianum was gaan wonen, bleef hij schilderen. Op een van zijn aquarellen staan Turkse vrouwen die voor een kerk langslopen, een ander toont een stel koeien in een olijfboomgaard in Zuid-Spanje, of koeien naast de Waalbrug bij Nijmegen. Hij schreef er met potlood geestige, lichtvoetige commentaren bij.

Over zijn ziekte klaagde hij niet. Wel leidde de ziekte van Huntington ertoe dat hij de laatste vijf jaar stiller werd, meer teruggetrokken. Het spreken ging moeilijker, hij kon nauwelijks rechtop blijven staan. Van het bijgebouw moest hij verhuizen naar de verpleegafdeling in het Berchmanianum. Zijn laatste aquarel is bibberig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden