Ook ik was het jongetje dat alles goed moest maken

In de kerstvakantie bladerde ik door 'Kinderen die alles moesten goedmaken', een uitgave van Joods Maatschappelijk Werk. De titel verwijst naar een uitspraak van Ischa Meijer die zich in zijn gedicht 'Victorieplein' het jongetje noemde dat het gedwongen verblijf van zijn vader en moeder in het kamp Bergen-Belsen moest goedmaken maar daar nooit in was geslaagd.


Mijn oog viel meteen op een interview met Maurits Blog en Marjan Meijer, de uitbaters van de koosjere broodjeszaak Sal Meijer die toen nog in de Scheldestraat in de Rivierenbuurt gevestigd was. Ze vertelden over de zwijgzaamheid waarmee ze in de jaren na de bevrijding waren opgevoed. Je moest niet te veel laten merken wie je was, hielden hun ouders hen voor. Niemand moest aanstoot aan je kunnen nemen. Maurits en Marjan die hun broodjes warm vlees tegenwoordig in Buitenveldert aan de man brengen: 'Je merkte gewoon dat je niet voor je Joods zijn moest uitkomen.' Anno 2017 is dat nauwelijks meer voorstelbaar: in een buurt als Amsterdam-Zuid kijkt echt niemand er meer van op als er een rabbijn met hoge hoed en lange zwarte jas langsloopt. Maar eind jaren veertig, begin jaren vijftig was dat anders, dat herinner ik me ook nog uit mijn eigen jeugd. Over je Joodse afkomst sprak je alleen binnenskamers, in de familiekring. De buren hoefden niet te weten wie je was en wat je ouders in de oorlog hadden meegemaakt, je leerkrachten en medescholieren evenmin. In veel opzichten gedroegen mijn ouders zich alsof ze nog steeds zaten ondergedoken, en dat zal zeker ook invloed op mij hebben gehad.


Pas in 1967 kwamen wij Van Weezels uit de kast, toen Israël zich tijdens de Zesdaagse Oorlog staande had weten te houden tegen Egypte, Jordanië en Syrië tegelijk. Wat waren we trots op het dappere Joodse landje dat plotseling heer en meester was over de Golan-hoogte, de Westelijke Jordaanoever en de Sinaï-woestijn. Na vijftig jaar bezettingspolitiek en nederzettingenbeleid is van die trots bij mij overigens weinig meer over. Maar 1967 was wel het moment waarop ik mijn identiteit ontdekte.


Wie heeft jou geleerd dat je een soort supermens moet zijn?, wilde je vorige week van me weten. Nou, niemand dus. Mijn ouders hielden me wel altijd voor hoe belangrijk het was hard te werken op school en iets te bereiken in de samenleving. Daarbij werd regelmatig verwezen naar de ooms, tantes, nichtjes en neefjes die die kans niet hadden gekregen omdat ze er niet meer waren. Ook ik was het jongetje dat alles goed moest maken en ik sluit niet uit dat ik daardoor zo'n onverbeterlijke workaholic ben geworden.


Mijn ouders leerden me ook dat het niet raadzaam was je kwetsbaar op te stellen en te veel van je emoties aan de buitenwereld te laten zien. Want daar konden kwaadwilligen misbruik van maken, had de ervaring uitgewezen. Dat verklaart vast waarom ik me naar buiten toe vaak stoerder voordoe dan ik ben. Het lijkt me een stap vooruit dat jij niet de behoefte hebt zo'n façade op te houden.


Liefs, papa

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden