Ook de onheilsprofeet krabbelt terug

De Kilimanjaro in Tanzania.

Het schandaal dat zich dezer dagen ontvouwt rond manipulerende klimaatonderzoekers zal de aanstaande conferentie in Kopenhagen geen goed doen, vermoedt Hans Labohm. Maar ook los van Climategate ziet hij de kritiek op de gevestigde klimaatwetenschap groeien.

Maandag begint de internationale klimaatconferentie in Kopenhagen. De bedoeling is dat hier afspraken gemaakt worden over een opvolger van het verdrag van Kyoto, dat in 2012 afloopt. Het verdrag beoogt een beperkte vermindering van de CO2-uitstoot van vooral de industrie. Deze gedachte stoelt op het geloof dat CO2 (een broeikasgas) tot opwarming van de aarde zou leiden.

Tot op zekere hoogte zou een opwarming gunstige effecten voor de mensheid kunnen hebben. Hogere temperaturen kunnen immers onder meer leiden tot een verhoging van de landbouwproductie, waardoor een groeiende wereldbevolking kan worden gevoed. Maar als de opwarming meer dan twee graden Celsius bedraagt dan zijn de effecten negatief – zo is althans de veronderstelling.

In Kopenhagen zullen de duimschroeven strakker worden aangedraaid. De bedoeling is dat de CO2-uitstoot verder wordt beperkt (met twintig procent ten opzichte van het peiljaar 1990). Ook is er de intentie het aantal deelnemers aan Kyoto uit te breiden (aan het huidige verdrag doen alleen de EU-lidstaten en landen als Rusland en Japan mee), bij voorkeur tot alle landen ter wereld. Allemaal dienen ze bindende emissieverplichtingen aan te gaan. Zal dat ook lukken?

De voorbereidingen voor Kopenhagen zijn al jaren aan de gang. Maar aan de vooravond lijkt het erop dat de onderhandelingen muurvast zitten. Tegelijkertijd is er groeiende twijfel aan de wetenschappelijke onderbouwing van de menselijke broeikashypothese.

Voor hun klimaatbeleid gaan overheden uitsluitend af op de rapporten van het VN-klimaatpanel, ofwel het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Maar dat panel heeft behoorlijk wat steken laten vallen.

De bekendste flater is wel die van de ’hockeystickgrafiek’ – genoemd naar zijn vorm – die een prominente plaats innam in het voorlaatste rapport van de IPCC. Het was een temperatuurreconstructie van de laatste duizend jaar. Ze liet een geleidelijke daling zien vanaf het jaar 1000, die omsloeg in een sterke stijging gedurende de laatste honderd jaar. De suggestie was dat de temperatuur na de industriële revolutie krachtig was toegenomen, veroorzaakt door de uitstoot van CO2 als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen. Vooral de opwarming van de laatste vijfentwintig jaar zou zonder precedent zijn geweest. De hockeystick werd daarmee de icoon van het IPCC en speelde een hoofdrol in het alarmisme dat door vooraanstaande leden van dat panel werd uitgedragen.

Maar de temperatuurreconstructie van de hockeystick bleek belangrijke tekortkomingen te vertonen. De goedgedocumenteerde middeleeuwse warmteperiode (die waarschijnlijk warmer was dan nu) en de Kleine IJstijd waren er nauwelijks in te zien. Uiteindelijk bezweek de ’hockeystick’ onder deze kritiek en werd afgevoerd. In het laatste, vierde IPCC-rapport was hij niet meer te vinden.

Toch bleef het panel verkondigen dat er een opwarming zonder precedent gaande was en dat we die vooral aan de mens moesten toeschrijven. Maar zo rond 1998 gebeurde er iets vreemds. De temperatuur begon te dalen, terwijl de CO2–concentratie bleef toenemen. Geen enkel klimaatmodel had dat voorspeld. Gegeven het feit dat er miljoenen worden uitgegeven aan officiële klimaatvoorlichting, lag het voor de hand dat deze ontwikkeling keurig zou worden gemeld, net zoals het Centraal Plan Bureau de recentste economische ontwikkelingen altijd direct publiceert. Dat gebeurde niet.

De grafiek die deze tendens zichtbaar maakt zul je dan ook tevergeefs zoeken in het officiële voorlichtingsmateriaal. Hieruit (zie op deze pagina) wordt duidelijk dat de oppervlaktetemperaturen (Hadley) en met behulp van satellieten gemeten temperaturen (MSU) vanaf 1998 een dalende tendens vertonen. De CO2-concentratie in de atmosfeer loopt daarentegen verder op.

Deze grafiek is het misschien wel best bewaarde geheim van de klimaatalarmisten. Waar heb je immers een geldverslindend klimaatbeleid voor nodig als de temperatuur al uit zichzelf daalt? De grafiek laat – op een ook voor leken inzichtelijke wijze – in één oogopslag zien dat de temperatuur daalt en niet, zoals de alarmisten beweren, steeds sneller stijgt. Voorts blijkt uit de grafiek dat de klimaatmodellen het bij het verkeerde eind hebben gehad. Ten slotte toont de grafiek dat er geen correlatie bestaat, geen wederzijdse onderlinge betrekking, tussen CO2 en temperatuur, waarbij het vermoeden rijst dat er ook geen causaliteit is.

Wetenschappers die de menselijke broeikashypothese aanhangen zien in deze grafiek slechts een tijdelijke afwijking van een langere opwarmingstrend. Zij verwachten dat de temperaturen weer snel zullen oplopen. Maar er zijn ook IPCC-coryfeeën (zoals Noel Keenlyside en Mojib Latif, beiden in Duitsland werkzaam), die voor de komende tien jaar of misschien zelfs langer, lagere temperaturen verwachten. In hun klimaatmodellen houden zij namelijk ook rekening met oceaanstromingen die van invloed zijn op de gemiddelde wereldtemperatuur. En dan zijn er geologen (zoals Don Easterbrook) en astrofysici (zoals Kees de Jager en Habibullo Abdussamatov) die voor de komende decennia een forse afkoeling verwachten – in hun vakjargon: een Maunder Minimum. Dat is de periode van 1645 tot 1715 toen het zo’n anderhalf à twee graden Celsius kouder was dan nu.

De vraag is wie gelijk zal krijgen. Maar op z’n minst tonen de verschillen in opvatting aan dat de wetenschap verdeeld is. En als de wetenschap verdeeld is, heeft het beleid geen degelijk fundament om allerlei acties te kunnen legitimeren. Als immers niet vaststaat wat de belangrijkste klimaatbepalende factoren zijn, hoe moeten we het klimaat dan beïnvloeden – als dat al zou kunnen? Maar de politiek lijkt gevangen te zitten in de klimaathysterie. Wetenschap lijkt daarbij geen rol meer te spelen.

Het is ironisch dat zo vlak voor Kopenhagen tal van wetenschappers uit de kast komen en kritische opmerkingen maken over het wijdverbreide klimaatalarmisme. En dat zijn dit keer niet de bekende klimaatsceptici.

Zo verloopt bijvoorbeeld het uitsterven van miljoenen planten- en diersoorten als gevolg van de opwarming van de aarde niet volgens plan. Een aantal wetenschappers uit Oxford is van mening dat dit uitsterven zwaar wordt overdreven. Kathy Willis stelde dit onlangs letterlijk zo. Ook in India nemen wetenschappers stelling tegen de alarmerende verhalen over het afsmelten van de gletsjers in de Himalaya. Recentelijk verscheen een rapport, opgesteld in opdracht van het Indiase ministerie voor milieu en bossen. Dit trok de conclusie dat de gletsjers niet waren geslonken als gevolg van de opwarming van de aarde. In feite is de afkalving de laatste tijd minder geworden en sommige gletsjers groeien zelfs weer aan.

Ook onheilsprofeet Al Gore krabbelt terug. Op basis van recent wetenschappelijk onderzoek erkent hij nu dat de rol van CO2 minder belangrijk is dan hij eerder heeft gesuggereerd. Dat betekent, aldus Gore, dat het moeilijker zal worden om in de VS een politieke consensus over de vermindering van CO2-emissies te bereiken.

Maar er stonden toch vierduizend wetenschappers achter de boodschap van het IPCC-rapport? Dat was althans altijd het verhaal van het klimaatpanel. De Australische wetenschapper John McLean is gaan graven en rekenen. Hij kwam tot de conclusie dat er slechts zestig wetenschappers direct betrokken zijn geweest bij de cruciale boodschap van het IPCC in het laatste rapport. Die luidde dat het voor meer dan negentig procent zeker is dat meer dan de helft van de opwarming die sinds 1950 heeft plaatsgevonden, door de mens was veroorzaakt. Toch horen we nog vaak: „Alle wetenschappers zijn het erover eens...” Daarbij wordt vergeten te vermelden dat er meer dan dertigduizend wetenschappers zijn geweest die zich in het zogenoemde Oregon Petition Project publiekelijk van de menselijke broeikashypothese distantieerden.

Een andere enquête, onder Duitse klimatologen (uitgevoerd door de Duitsers Hans Kepplinger en Senja Post), wees uit dat ongeveer een derde vóór de menselijke broeikashypothese is, een derde tegen en de rest onbeslist. Daarnaast is er een lijst van meer dan zevenhonderd gekwalificeerde wetenschappers, die uitleggen waarom zij er niet in geloven.

Maar laten we oppassen met dit soort cijferspelletjes. Wetenschap is immers geen democratie, waarbij met handopsteken wordt beslist. Het gaat in de wetenschap om bewijzen. En het onomstotelijke wetenschappelijke bewijs voor de menselijke broeikashypothese is nooit geleverd.

Het blijkt heel moeilijk om een wetenschappelijk debat tussen de voor- en tegenstanders van de grond te krijgen. Waarschijnlijk moet dit voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan het feit dat het klimaatonderzoek vanaf het begin in het korset van de menselijke broeikashypothese is gesnoerd, en daarmee gepolitiseerd. De klimatologie diende om het geloof in de menselijke invloed op het klimaat bevestigen. Zo verschafte deze jonge tak van wetenschap legitimiteit aan een beleid dat was gericht op het ’redden’ van de planeet. Kamerbreed heeft de politiek de afgelopen twintig jaar in toenemende mate hieraan steun gegeven. Als nu zou blijken dat al die moeite geen enkel aantoonbaar effect heeft op het klimaat en op een misvatting berust, dan zou dat tot een politieke ramp leiden met enorm gezichtsverlies voor alle betrokkenen.

Een andere reden waarom zo’n wetenschappelijke discussie zo moeilijk op gang komt hangt wellicht samen met het feit dat de opwarming van de aarde de ’moeder’ van alle milieuangsten is. ’Klimaat’ is tot quasireligie verheven, en niet meer vatbaar voor rationele argumenten.

Lord Nigel Lawson, de voormalige minister van financiën van het Verenigd Koninkrijk en thans klimaatscepticus, schreef daarover: „Het is duidelijk dat dit [het sceptische standpunt] geen gemakkelijke boodschap is om over het voetlicht te brengen. Niet in de laatste plaats omdat klimaatverandering vaak het karakter heeft van een geloofsovertuiging en niet geschikt wordt bevonden als onderwerp van rationele discussie. Naar ik vermoed is het geen toeval dat het klimaatabsolutisme in het bijzonder in Europa in vruchtbare bodem is gevallen. Want in Europa is de secularisatie het verst voortgeschreden en hebben de traditionele religies de minste invloed. Toch voelen mensen nog steeds behoefte aan troost en hogere waarden, waarin eens door de religies werd voorzien. En zo is het klimaatdebat het beste voorbeeld van de quasireligie van het ’groene alarmisme’, alsook van de ’mondiale heilsbelofte’. Deze heeft het vacuüm opgevuld dat de traditionele religies hebben achtergelaten. Het ter discussie stellen van de mantra van de klimaatverandering wordt als blasfemie ervaren. Maar dat kan geen basis voor rationele politieke besluitvorming zijn.”

Een deel van die steun kan ook op grond van aardsere motieven worden verklaard. Het klimaatcomplex bestaat uit vele gevestigde belangen. De klimaatwetenschap is van overheidssubsidies afhankelijk. Als de klimaathype zou overwaaien, mag worden verwacht dat die financieringsbronnen opdrogen. Verder hebben zich vele politici en bureaucraten in de voorhoede van het klimaatalarmisme genesteld. Als de klimaatscepsis doorzet, zullen zij aan invloed inboeten. Ook zijn er industrietakken die zich – gelokt door genereuze subsidies – op duurzame energie hebben gestort (bijvoorbeeld zonne-energie en windenergie). En ten slotte is er de milieubeweging, die het gevaar loopt haar geloofwaardigheid, invloed en financiële ondersteuning te verliezen, als tot brede lagen van de bevolking doordringt dat de opwarming van de aarde alleen bestaat in de virtuele werkelijkheid van de klimaatmodellen. Al deze gevestigde belangen zullen zich verzetten tegen een opkomende golf van klimaatscepsis.

Het huidige klimaatbeleid zal overigens ook van grote invloed zijn op het karakter van onze samenleving. Als we de tendens van het huidige beleid, dat door bijna alle politieke partijen wordt gesteund, extrapoleren, dan resulteert dat in een sluipende collectivisering van onze maatschappij. Deze zal uiteindelijk uitmonden in een ecologische planeconomie. Een dergelijke ontwikkeling zal ernstige negatieve gevolgen hebben voor het welvaartscheppend vermogen van deze samenleving, onze levensstandaard en – nog belangrijker – voor onze persoonlijke vrijheid en de vrijheid van ondernemen.

Wat gaat er nu in Kopenhagen gebeuren? Het ziet ernaar uit dat de klimaattop op een fiasco zal uitlopen. De standpunten van de belangrijkste spelers liggen eenvoudigweg te ver uiteen om een akkoord te kunnen bereiken. China, India, Rusland en de ontwikkelingslanden verdenken het Westen ervan hun economische ontwikkeling door een soort ’klimaatkolonialisme’ te willen blokkeren. Zij willen hun energiebeleid niet laten bepalen door de rijke landen, waarvan de bevolking per hoofd tien- of twintigmaal zoveel CO2 uitstoot als zij zelf doen. Zij stellen zich op het standpunt dat de rijke landen het klimaatprobleem hebben veroorzaakt.

De Amerikaanse regering heeft voorts grote moeite om haar klimaatplannen door de Senaat te loodsen. Als dat al zou lukken – hetgeen hoogst twijfelachtig is – willen de VS in geen geval aan een ’internationale architectuur’ voor de opvolger van Kyoto deelnemen. Als ze al iets doen zullen ze zich tot eigen bodem beperken, en niet onder de jurisdictie van een of andere supranationale autoriteit opereren.

De Australische regering stuit op toenemende politieke weerstand voor haar plannen om Kyoto II te ondertekenen. Rusland heeft aangekondigd zijn CO2-uitstoot in 2020 met dertig procent te verhogen. Duitsland is weliswaar voorstander van een opvolger van Kyoto, maar zal toch in moeilijkheden komen om zijn klimaatdoelstellingen te realiseren. Als Duitsland kerncentrales vervangt door kolencentrales lijkt het uitgesloten dat het land zijn uitstootdoelstellingen zal halen. Polen, Tsjechië en Slowakije hebben geprotesteerd tegen de vermindering van de CO2-uitstoot door hun industrie die de Europese Commissie voorstelde. Berlusconi hult zich vooralsnog in stilzwijgen. Maar het zou mij niets verbazen als hij nog met een voor broeikasgelovigen onaangename verrassing zal komen. En ten slotte is geen enkel westers land bereid geweest zich vast te leggen op concrete bedragen voor klimaathulp aan de ontwikkelingslanden. Tegen deze achtergrond lijkt Kopenhagen gedoemd te mislukken.

Uiteraard zullen prachtige diplomatieke formuleringen zo’n uitkomst proberen te verhullen. Maar eens komt er een einde aan dat verstoppertje spelen. Het ziet er evenmin naar uit dat deze fundamentele verschillen in de toekomst kunnen worden overbrugd. Dat zou betekenen dat Kyoto in Kopenhagen zijn Waterloo zal vinden.

En dan komen, als donderslag bij heldere hemel, aan de vooravond van de conferentie ook nog allerlei machinaties aan het licht van invloedrijke klimaatwetenschappers. Sommige commentatoren kwalificeren Climategate al als het grootste wetenschapsschandaal in de moderne geschiedenis. Wat is het geval?

Op 20 november werd bekend dat computerhackers vertrouwelijke documenten en e-mails hadden buitgemaakt van de Climatic Research Unit (CRU) van de universiteit van East Anglia, een van de belangrijkste leveranciers van temperatuurdata en andere wetenschappelijke informatie aan het IPCC. De hackers maakten hun vondst via internet openbaar. Aanvankelijk leek het om een hoax te gaan. Maar al snel erkenden de auteurs dat het materiaal authentiek was.

Het ging om informatie over de wijze waarop de CRU gegevens manipuleert, onzekerheden wegmasseert, weigert inzage te geven in data en rekenmethoden aan collega-wetenschappers, uitgevers van wetenschappelijke bladen intimideert om geen artikelen te plaatsen die niet met de menselijke broeikashypothese overeenstemmen, en zich inspant om klimaatsceptici buiten de deur te houden. Explosief materiaal en vernietigend voor de reputatie van de CRU. De directeur en klimaatonderzoeker Phil Jones is deze week opgestapt.

In de VS heeft de Republikeinse senator Inhofe inmiddels aangedrongen op een diepgaand onderzoek. In Engeland heeft Lord Nigel Lawson hetzelfde gedaan. In Nederland heeft milieuminister Jacqueline Cramer de gebeurtenissen – vooralsnog – gebagatelliseerd.

Al met al mogen we hopen dat het fiasco van de conferentie in Kopenhagen een ontnuchterende invloed zal hebben op de klimaatdiscussie, zodat het debat eindelijk tot een rationele afweging van het huidige beleid zal leiden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden