Ook de journalistiek was vroeger beter

Er gaapt een diepe kloof tussen de journalist en de mensen waar hij voor schrijft. Terwijl de journalist zichzelf vooral ziet als iemand die gewoon zijn vak beoefent en dus ook, net als in het geval van de meeste andere beroepen, rustig in deeltijd zou willen werken, ziet de lezer hem nog altijd 't liefst als de man in de lange regenjas. Als de man die dag en nacht voor zijn krant in de weer is en altijd gebeld kan worden, omdat het werk niet zomaar werk is, maar een roeping.

PETER SIERKSMA; RUUD VERDONCK

In het afgelopen donderdag ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van het Genootschap van Hoofdredacteuren gepresenteerde rapport over de verhouding tussen journalist en lezer 'op gepaste afstand' staat het zelfs nog mooier: 'Hij (de journalist) ziet er wat 'warrig, uit komt veel in het café, is een stevige roker en drinker, leeft solitair in een chaos van boeken, papieren en volle asbakken. Hij komt niet aan een stabiel gezinsleven toe, mede omdat hij voortdurend op pad moet zijn, maat hij heeft een uitgebreid netwerk van relaties.'

Verder staat de journalist volgens de lezer politiek gezien links van het midden. En dat klopt: 48 procent van de totaal 198 bij het door het Instituut voor Strategische Kommunikatie uitgevoerde onderzoek betrokken journalisten rekent de PvdA tot zijn voorkeur. Bij de 230 ondervraagde lezers is dat slechts 19 procent, die zijn vooral de VVD toegedaan. Wat de lezer echter niet zal vermoeden, is de relatief losse binding tussen de journalist en de krant waar hij voor werkt. Terwijl van de lezer meer dan 50 procent zijn krant geen dag kan missen, zei ruim één-derde van de journalisten geen abonnement op zijn eigen krant te nemen als hij er niet meer bij zou werken. Het geldt overigens vooral voor journalisten die bij een regionale krant werken (35 procent). Onder de landelijke journalisten ligt het percentage (19 procent) duidelijk lager.

Ziet de rechtse lezer de linkse journalist dus blijkbaar nog steeds als een romantische held, andersom, zo vermeldt het rapport, bestaan er ook wel een paar ernstige misverstanden. Want de journalist 'heeft (nog altijd) het idee dat de lezerzijn eigen mening in de krant wil herkennen'. Maar niets is minder waar, zeggen de onderzoekers. De lezer wil juist niet naar de mond gepraat worden, maar meningen! De onderzoekers besluiten met de aanbeveling dat de kloof kleiner moet worden. Hoe dat moet, laten ze echter in het midden.

Wat op de feestmiddag der opinieleiders nauwelijks aan bod kwam, was een andere uitkomst van het onderzoek: de grote verschillen tussen journalisten van landelijke en van regionale kranten. Ook daar gaapt een kloof.

Zo diep zelfs, dat de weerslag daarvan in het komende nummer van 'De Krant', het mededelingenblad van het Cebuco, het centraal bureau voor courantenpubliciteit zullen ontbreken. De uitkomsten zouden de decisionmakers en creatieven in het reclamevak maar te makkelijk bevestigen in hun vooringenomenheid ten opzichte van de regio.

Wat is er dan zo slecht aan het onderzoek voor het imago van de kranten bij de adverteerders? Het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren bestaat voor het grootste deel uit hoofdredacteuren van regionale kranten, en zij zijn het die zich een belangrijk deel van de uitkomsten vooral mogen aantrekken. En dat terwijl het onderzoek nog opzienbarender was geweest als de conclusies helemaal waren toegespitst op het onderscheid tussen journalisten bij landelijke kranten en bij regionale kranten, en niet op die tussen journalisten in het algemeen en lezers van kranten in het algemeen. Op die momenten dat de regionale journalisten worden afgezet tegen hun collega's bij landelijke kranten, scoren ze op belangrijke punten van onderzoek dermate zorgwekkend, dat gerust gesproken mag worden van de crisis in de regionale journalistiek.

Van de journalisten bij een landelijke krant zou 19 procent z'n eigen krant niet eens meer lezen als hij er eenmaal vertrokken was (ook bepaald een cijfer om van wakker te liggen), maar bij de regionale journalisten ligt dat cijfer zelfs op 35 procent Elders blijkt dat niemand (0 procent) van de journalisten bij landelijke kranten 'niet zo trots' is op z'n werk, terwijl maar liefst 9 procent van de journalisten bij regionale kranten dagelijks met lood in de schoenen achter de tekstverwerker kruipt. Het is dan volstrekt logisch dat 41 procent van de journalisten bij landelijke kranten zich volledig kan herkennen in het imago van hun krant terwijl dit bij regionale kranten afneemt tot een schamele 24 procent.

ROMANTISCH

Het onderzoek van het Instituut voor Strategische Communicatie had tot doel de positie van de journalist nader te bepalen: hoe ziet hij zichzelf, hoe ziet hij zijn krant hoe denkt hij dat de lezer hem ziet en hoe ziet de lezer hem in werkelijkheid? De conclusie na deze enquête is, dat het beeld dat journalist en lezer van elkaar hebben even verschillend als traditioneel is. De lezers hebben nog een romantische voorstelling van de journalist. De journalisten zelf denken dat ze geen roeping meer hebben, maar gewoon een vak als alle andere beoefenen en dat ook beoefend kan worden als alle andere.

Des te opmerkelijker is het dat gevraagd de journalist te plaatsen op een ladder met verschillende beroepen (van burgemeester van een grote stad tot treinconducteur), zowel journalist als lezer uitkomen op iets tussen een huisarts en een leraar Engels aan De havo - ter geruststelling van de journalisten: dit lijstje geeft ook een reeks andere beroepen reden tot zorg over en studie naar het imago. Maar het meest springt dan in het oog dat journalisten de status van een tv-presentator veel hoger inschatten dan de lezers dat doen. De journalisten plaatsen Paul Witteman direct na de burgemeester en net voor een lid van de Tweede Kamer. De lezers hebben hem een heel stuk lager zitten: nog net boven de gewone dagbladjournalist.

Dat geeft al veel aan over het grote verschil in waardering die journalist en lezer voor elkaar hebben. En ook hierin speelt weer het grote verschil tussen journalisten bij landelijke kranten en bij regionale dagbladen een rol. In de eerste groep zegt 56 procent een redelijk beeld te hebben van de lezer, en dat is dan een kritisch meedenkende lezer, een veeleisende informatiezoeker annex een maatschappijkritische consument. Journalisten bij regionale kranten vinden in veel ruimere meerderheid (72 procent), dat ze een redelijk beeld hebben van hun lezers, maar dat zijn dan ineens vooral passieve informatienemers, die samen een vat vol tegenstrijdigheden vormen. Zo loopt de waardering voor het eigen produkt aardig gelijk op met de waardering voor de eigen lezer.

Het zelfbeeld en lezersbeeld bij journalisten van regionale kranten stemt somber, en dat terwijl daar 49 procent vindt dat ze redelijk tot goed betaald worden, terwijl 51 procent van de journalisten bij landelijke kranten vindt dat ze (veel of enigszins te laag betaald worden. Maar blijkbaar weegt het loonzakje niet op tegen de gevoelens over de wijze waarop het brood verdient wordt.

Het ISK heeft de uitsplitsing naar resultaten bij landelijke en regionale journalisten niet. Bij alle onderdelen gemaakt, omdat gezocht moet worden naar het beeld van de journalist. Een nadere uitsplitsing van de resultaten zou een nog frappanter beeld tevoorschijn kunnen roepen, met sterkere accenten dan nu boven tafel zijn gekomen.

Bovendien worden allerlei particuliere eigenaardigheden op een hoop gegooid. Zo is nauwelijks het feit meegewogen dat journalisten bij regionale kranten hoe lezers niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk kennen. Journalisten bij een landelijke krant hebben niet voortdurend met 'de Nederlander' te maken. Verslaggevers bij een regionale krant krijgen, dankzij hun dikwijls regionaal gebonden onderwerpen, een heel aardig beeld van hun stad- of streekgenoot. En daar moeten ze dan in hun verslaglegging nog rekening mee houden. Daarnaast is er natuurlijk ook sprake van een journalistieke rangorde, die zegt dat je belangrijker bent bij een landelijke krant dan bij een regionale, zoals ze samen ook denken dat je dan bij de televisie nog veel belangrijker bent.

Iets daarvan valt ook terug te vinden bij het antwoord op de vraag in hoeverre de krant een rol speelt in het maatschappelijke debat. Volgens 44 procent van de journalisten bij regionale kranten is-dat op hun produkt niet van toepassing. Bij de landelijke kranten is nog maar 25 procent het daar mee eens. of neem de vraag of ze nogal sensatiebelust zijn. Ja, zegt 24 procent van de regionale verslaggevers; ja, zegt nog maar 8 procent van de landelijke.

Daar staat dan weer tegenover dat 51 procent van de journalisten bij regionale kranten vindt dat zij buiten een commerciële activiteit als oplage marketing staan. Bij landelijke dagbladen vindt maar liefst 81 procent dat ze met die commerciële activiteit niks te maken hebben.

Sombere resultaten allemaal voor de 'koningin der aarde', al valt uit het onderzoek tegelijk af te leiden dat plat gezegd de inktkoelies van het plaatselijke sufferdje zich verdraaid goed bewust zijn van hun ondergeschikte positie in het ragfijne spel van feiten, meningen, analyses en achtergronden en het belang van het doorgeven daarvan. Mogelijk draagt de bestaande kennis van hun lezer daartoe bij.

Want die blijkt de televisie als favoriete medium te hebben terwijl bij landelijke kranten de lezers hun dagblad op de eerste plaats zetten. Ook de opleiding van de lezers van regionale kranten draagt aan dat beeld bij. De voor het onderzoek geconsulteerde lezers bepaalden dat éénderde van de lezers van de regionale krant alleen lager onderwijs of lager beroepsonderwijs heeft gevolgd. Bij landelijke kranten gaf 89 procent aan minstens middelbaar onderwijs te hebben genoten.

'Op gepaste afstand, is de titel die het onderzoek heeft meegekregen. Er is inderdaad sprake van een afstand die gepast mag worden genoemd, zowel tussen lezer en journalist als omgekeerd. Maar als het gaat over de verschillen tussen landelijke en regionale journalisten, dan wordt een ongepaste afstand zichtbaar, waarbij de regionale krant door de makers niet zozeer als een tweederangsmedium wordt gezien alswel een medium op het tweede of misschien wel derde plan.

GOED NIEUWS

In hoeverre de kranten iets met de uitkomst van het onderzoek zullen doen, werd de feestende hoofdredacteuren niet direct duidelijk gemaakt. Er was namelijk nogal wat kritiek op het onderzoek en de uitkomst ervan. Zo liet directeur Smaling van de Perscombinatie (Het Parool, Trouw, de Volkskrant) weten dat hij vond dat hij niet erg onder de indruk was van de geconstateerde kloof tussen journalist en lezer. Sterker, hij noemde het zelfs het enige goede nieuws, van het onderzoek.

“Op gepaste afstand en ik zou het graag zo houden", zei hij niet zonder ironie. Het gold volgens hem ook voor de suggestie van het ISK om binnen kranten zelf wat te gaan overbruggen, namelijk de kloof tussen de redacties en de commerciële afdelingen. Smaling noemt een ontwikkeling waarbij de redactie of hoofdredactie zich naast de inhoud van de krant ook met de marketing zou gaan bemoeien zelfs 'levensgevaarlijk'. Maar de grootste aandacht tijdens de aan de presentatie gekoppelde discussie ging uit naar het probleem van de deeltijdarbeid van de journalist. Is dat mogelijk en zo ja, is het dan gewenst of niet?

Inge Brakman van-de journalistenvakbond NVJ ziet in deeltijd een belangrijk middel om de lage instroom van jonge journalisten op de arbeidsmarkt te bevorderen. Anderen, zoals adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland Joop van Tijn, koppelen de wens tot deeltijdarbeid aan een nieuwe journalistenmentaliteit waar je als krant maar weinig voordeel aan kan hebben. Hij noemt de ontwikkeling zelfs 'fnuikend' voor de kwaliteit van de journalistiek.

Deeltijdjournalisten, meent Van Tijn, 'beemsteren weg van de redactie, verliezen langzaam maar zeker de voeling met de krant. Bovendien gaan ze vaak ook nog bijklussen omdat ze van het deeltijdgeld weer net niet rondkomen, dus tel uit je winst. Het enige waartoe deeltijdarbeid volgens hem dan ook kan leiden, is een grote mate van vervlakking en vertrutting van de journalistiek: kwalitatief hoogwaardig, maar altijd braaf en netjes en daarom zo dood als een pier. Van Tijn pleit hartstochtelijk voor juist 'die linkse, prikkelende, polemiserende journalist' die ervoor zorgt dat de lezer niet behaaglijk met zijn krantje achterover kan leunen, maar deze iedere dag opnieuw weer kwaad in de hoek smijt 'omdat hij kwaad wordt dat er zoveel mis is'. Een 'schijndiscussie' vindt Vara-voorzitter Marcel van Dam al dat gepraat over deeltijdarbeid: "Een dag telt 24 uur, dus werkt iedereen in deeltijd." Deeltijdarbeid kan wel degelijk, als men het maar flexibel toepast: daar waar het mogelijk is. Maar Van Dam valt Van Tijn in de armen als het gaat over de angst voor vervlakking. Waar is de alertheid van vroeger? "Je hoort wel eens: vroeger was alles beter. Welnu, ik herinner me nog de politieke verslagen uit de tijd dat ik in Den Haag werkte. En echt ik weet het zeker: die waren beter."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden