Ook bij de eiersnijder een rijm

Leendert van Veldhuizen maakt sinterklaasgedichten op verzoek. Dat is niet altijd makkelijk. Zeker niet als het epistel moet passen bij de sportsokken voor Joop van de fanfare.

HINKE HAMER

Leendert van Veldhuizen is een laatste-moment-dichter. Hij werkt weken achtereen aan zijn surprise en begint een paar uur voor pakjesavond pas aan het gedicht, want hij weet dat het toch wel komt. "Het floept eruit, soms vijf minuten van tevoren", zegt de sneldichter. 'Snelrijmer', zegt hij, want dichten noemt hij een vak apart en dat kan hij niet.

Van Veldhuizen begon in 1991 als sneldichter bij De Bijenkorf. De winkelketen huurde hem jaren achtereen vlak voor Sinterklaas vijf dagen in, om gedichten te maken voor klanten. Ook werd hij ingehuurd bij grote bedrijven en boekwinkels. Werd. Niet dat hij met pensioen is, hij dicht nog altijd op verzoek, maar wel naast zijn drukke baan als cultuurcoach. In de Utrechtse wijk Zuilen stimuleert hij de kunst- en cultuurparticipatie van bewoners.

Maar hij begon dus in De Bijenkorf. Hij kreeg per dag betaald, nam zijn laptop en printer mee en rijmde een volle werkdag lang. Onder zijn klanten veel managers met flessen parfum voor hun secretaresse, maar ook een vrouw die hem vroeg een gedicht te maken bij het medaillon dat zij voor haar ongeneeslijk zieke man had gekocht.

Voor hij aan het dichten slaat, wil Van Veldhuizen alles weten over de persoon voor wie het gedicht bedoeld is. Wat is de relatie van de gever met de ontvanger? Wat is het cadeau? Is er iets gebeurd, het afgelopen jaar? Een anekdote helpt.

Van Veldhuizen: "Het moeilijkst is Sofietje, die een cadeautje heeft voor papa, omdat papa zo lief is. Waarom is papa dan lief, Sofietje? 'Hij is behulpzaam.'

"Dat is hartstikke saai. In goeiigheid zit geen verhaal. Dus vraag ik: Wat doet papa op zondagavond? 'Dan kijkt hij Studio Sport.' Oh. En kookt papa ook? 'Nee.' Doet hij de afwas? 'Nee.' De was dan? 'Ook niet.' Maar je zei dat papa behulpzaam was? Ik ga prikken en dan komt er wat. Ik ben altijd op zoek naar het specifieke, de anekdote.

"Ook moeilijk: de mevrouw die een gedicht wil hebben voor Joop van de fanfare. Wat doet Joop bij de fanfare? 'Hij speelt tuba.' En wat is het cadeau? 'Sportsokken.' Wat weet u nog meer van Joop? 'Niks.'

"Als ik weinig weet van iemand, leg ik maar verbanden tussen wat ik wel weet. Ik ga associëren: Tuba? Hoog van de toren blazen. Sportsokken? Held op sokken.

"Heb ik echt te weinig informatie voor een gedicht, dan gebruik ik een truc. Dan voer ik het cadeau als personage op. Kaarsen of kandelaren zijn van die typische cadeaus die mensen geven als ze niks weten. Dus heb ik een standaard-gedicht in mijn hoofd over een kaars en een kandelaar die hartstochtelijk verliefd zijn. Het gedicht gaat over het verdriet van de kandelaar als de kaars is opgebrand."

De kandelaar sprak tot de kaars:

'U bent zo zacht van onder.'

'Geen wonder', giechelde de kaars:

'Ik ben ook heel bijzonder.'

'Je rust zo lekker in mijn schoot',

sprak zacht de kandelaar.

Terwijl de kaars haar ogen sloot,

hielden ze stiekem van elkaar.

"Een eiersnijder, ook zoiets. Zo'n apparaatje dat eieren in plakjes snijdt. Daar heb ik ook een standaardgedicht voor. 'Hij snijdt eieren in plakjes en dat doet-'ie graag en soms ook een kiwi, klaar.' Zoiets. Maar je begrijpt, dat is echt mijn laatste redmiddel.

"Ik kijk altijd eerst of er een verhaal is waarmee ik iets kan. Is dat er niet, dan sla ik aan het verhaspelen of aan het fantaseren. Mijn norm ligt hoog: Altijd minimaal twaalf regels."

Waarom hij zo'n goeie rijmer is? Van Veldhuizen zegt dat het hem kwam aanwaaien.

"Ik had het als kind al. Maar het heeft er ook mee te maken dat ik zelf theatergroepen heb gehad, waarvoor ik improvisaties schreef. Ik ben veel met taal bezig, met woordenschat en ritme, ik heb een sterk ontwikkeld associatief vermogen. Informatie die ik heb, kan ik snel combineren tot een verhaal en ik zie snel verhaallijnen. De meeste mensen verzuipen in een gedicht, omdat ze de verhaallijn niet in hun hoofd hebben."

Hij maakte wat mee, in zijn carrière als sneldichter, zegt Van Veldhuizen. Zo was er de Indonesische man die twee conga's (trommels) voor zijn vrouw had gekocht en er een gedicht bij wilde waarin hij haar ten huwelijk vroeg. En hij vertelt over de mevrouw 'van het Bijenkorfse soort' die vijf minuten voor sluitingstijd nog drie gedichten wilde.

"Mevrouw, het is sluitingstijd, zei ik. Ze zei: 'Het is voor mijn dochter van dertien, haar eerste behaatje.' Ze had twee jongetjes bij zich, de broertjes van het meisje. Ik vond het nogal precair. Wat bezielt een moeder om haar dochter een behaatje te geven voor Sinterklaas?

"Dus schreef ik: 'Sint schaamt zich de ogen uit zijn kop, helemaal de fout in met zijn behaatje. Oh, haar broers zullen haar wel uitlachen om dat behaatje.' Zoiets. Moeder las het niet en plakte het gedicht zo op het pakje. Mooi, dacht ik."

Er wordt veel te weinig gedicht, vindt Van Veldhuizen. Mensen vertrouwen zich er niet mee, met dat rijmen, zegt hij. "En mensen zijn ook lui. Het is echt een moeten. Mensen kijken liever televisie en besteden dat dichten dan aan mij uit."

"Maar", zegt hij, "en nu snijd ik mezelf in de vingers - ik vind eigenlijk dat ik overbodig moet zijn. ik vind dat mensen zélf aan de slag moeten. Iedereen moet één keer per jaar intensief met taal bezig zijn. En dan mag zo'n gedicht aan alle kanten rammelen, als het maar zelfgemaakt is."

Tips van de sneldichter
Vergeet niet dat je gedicht ergens over moet gáán. Laat het verhaal leidend zijn, niet de rijmwoorden. Zorg dat je de lijn van je verhaal in je hoofd hebt. Begin met je pointe en werk daar naartoe. Rijmwoorden komen later wel.

Een lang gedicht schrijven is makkelijker dan een kort gedicht. Je hebt dan meer tijd om naar je pointe toe te werken.

Werk liever met het rijmschema ABAB dan met het schema AABB. Het schema ABAB geeft je ademruimte, anders moet je meteen door naar het volgende rijmwoord. De schema's ABAC en ABCB werken ook. Dan hoef je minder te rijmen. Gooi de zin om als je even geen geschikt rijmwoord kunt vinden.

Pas op voor stoplappen, die je enkel gebruikt omdat iets móet rijmen (kattenpoot - stoomboot). Áls je al een stoplap wilt gebruiken, stop 'm dan in de eerste rijmregel. Dan valt-'ie minder op als zijnde een stoplap.

Let op je ritme, dat is belangrijk voor de voorlezer, die de tekst nog niet kent. Schrijf desnoods de accenten in je tekst in kapitalen, zodat de voorlezer weet waar hij de nadruk op moet leggen. Smokkel er soms een woordje tussen, als dat je ritme ten goede komt. Neem eventueel de melodie van een liedje en maak je gedicht daarop. Dan heb je het ritme al.

Plaag, prik of wees vilein, dat hoort bij de traditie. Vileine gedichtjes zijn inspirerender om te schrijven dan complimenteuze of lieve rijmpjes. Zeg elkaar op grappige wijze de waarheid, het kan maar eens per jaar.

Doe eens gek. Maak bijvoorbeeld één zin in je gedicht heel lang of volstrekt uit het ritme, maar laat 'm wel rijmen. Trucjes kunnen het gedicht heel komisch maken.

Werk op de computer, niet met pen en papier. Je kunt dan schuiven met zinnen en schaven aan woorden.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden