Ook Afrika verdiende aan de slavenhandel

In Nederland en de VS acht men blanken verantwoordelijk voor de slavernij. Vandaag herdenkt Nederland de afschaffing van de slavernij in 1863. Toch werden miljoenen slaven door zwarten buitgemaakt en verkocht. Kent West-Afrika een discussie over schuld en excuses?

Op het brede strand van Ouidah is niets te zien behalve een enorme poort die naar het niets leidt. Het getrommel van een jongen met rastavlechtjes draagt ver. Hij verkoopt sieraden aan de voet van deze Porte du nonretour.

Eeuwenlang werden van hier slaven verscheept. Na een soms lange wachtperiode, waarbij velen stierven aan ziektes en uitputting, maakten ze geketend aan elkaar in de hitte de kilometerslange wandeling naar het strand. Roeiers brachten hen naakt in kano's naar de wachtende Europese slavenschepen. Sommigen verdronken in de beruchte branding, anderen doken met opzet uit hun bootje de diepte in om aan een gruwelijker lot te ontkomen.

De meeste slaven waren afkomstig uit de binnenlanden en hadden de zee nooit gezien. Krijgszuchtige koningen zoals de Ashanti in Ghana, de Fon in Dahomey (Benin) en de Yoruba in Nigeria, haalden hun menselijke roofbuit in oorlogen en strooptochten bij omliggende volkeren. Handelaren in opkomende steden aan de kust verkochten de koopwaar namens de koning aan de Europeanen. De Europese plantages in de Amerika's zorgden voor een enorme vraag naar arbeidskrachten.

De ' Poort van nooit-meer-terug-komen' is het einde van een historische slavenroute die met steun van Unicef in 1992 is gereconstrueerd. De route in Ouidah leidt langs een massagraf, langs beelden en plaquettes die herinneren aan die gewelddadige tijd. Om de ' vergeetboom' moesten de slaven zeven keer cirkelen, vertelt gids Anicet, zodat hun geesten de handelaars niet konden lastigvallen. Om de ' terugkeerboom' moest men driemaal lopen, nu juist zodat de ziel na de dood kon wederkeren naar Afrika.

Onzin, zegt historicus Robin Law, die de geschiedenis van slavenhaven Ouidah uitgebreid onderzocht. De boomverhaaltjes zijn nieuw en weerspiegelen eerder de huidige wens om te bevatten wat er gebeurd is. De slavenroute lijkt vooral gericht op de vele Afro-Amerikanen en Surinamers die de regio bezoeken op zoek naar hun roots, en de discussie over schuldvraag en herstelbetalingen importeren. Maar of dat plaatselijk aanslaat?

,,Nee'', stelt oud-professor Emile Ologudu uit Ouidah, die onder zijn mangoboom dagelijks mensen ontvangt die zijn raad zoeken. ,,Wij Beniners zijn niet zo bezig met die schuldvraag. Men zoekt wel compensatie, bijvoorbeeld via dansmaskers die de voorouders verbeelden. Anderen benadrukken dat zij vóór de slavernij van adel waren.'' Vanuit het dorp Ouidah zijn volgens historicus Law zeker een miljoen slaven vertrokken. De koning van Dahomey nam het in 1727 in om het monopolie over de winstgevende slavenhandel te verkrijgen. Ouidah werd daarop het centrum van de Slavenkust, de huidige Golf van Benin. Jaarlijks scheepten zo'n 10 000 slaven er in, met pieken tot 15 000, op zo'n 40 schepen. Toen de slavenhandel in steeds meer landen in de 19de eeuw verboden werd, leverde de illegale handel zeker zoveel geld op.

In de praktijk deden bijna alle volken in de regio vroeger aan slavenhandel, net zoals het maken van krijgsgevangenen gebruikelijk was. Fon verkochten Yoruba; Yoruba verkochten Fon en Hausa. Het begrip brothers of de identiteit ' zwart' bestond nog niet. Door de verhalen van terugkeerders wisten handelaars wel degelijk wat de slaven te wachten stond in de Nieuwe Wereld.

Ethische regels gingen echter niet over de slavenhandel op zich. Wel waren er (per regio en tijd wisselende) afspraken dat een gevangene van het eigen volk niet verhandeld mocht worden, evenmin als tweedegeneratie huisslaven.

VERVOLG OP PAGINA 2

VERVOLG VAN PAGINA 1

Europese slavenhandelaren en reizigers waren gefascineerd door de wreedheid in het koninkrijk Dahomey. In het snikhete paleis van voormalig slavenkoninkrijk Dahomey (het huidige Benin) valt nog de 1 meter 80 hoge troon te bewonderen waar koning Gezo (1818-1858) op werd getild. De lange poten rusten op vier mensenschedels.

Ook zijn voorgangers verheerlijkten geweld en mensenoffers. In een vitrine verderop ligt de koninklijke vliegenmepper van Agaja (1708-1740): een paardenstaart gevat in een mensenschedel. Toen koning Glele in 1889 stierf, werden 41 van zijn vrouwen levend met hem begraven, en honderden mensen onthoofd. De 18de-eeuwse koning Kpengla liet mensenhoofden aan zijn deur spijkeren en op de markt leggen. Elders hingen lichamen aan de stadspoort. ,,Dat geeft meer grandeur dan met dure dingen te pronken. Mijn vijanden vrezen mij erom'', zei Kpengla tegen de Britse slavenhandelaar Dalzel.

Roofstaat Dahomey heerste over de regio dankzij een professioneel leger met een elitekorps van duizenden amazones. In talloze veldtochten haalden zij slaven voor hun koning. Een kanon dat in 1640 in Dordrecht is gemaakt, staat nu nog op de binnenplaats. Krijgsgevangenen die te oud of gebrekkig waren om verkocht te worden, werden onthoofd.

Missies vanaf 1848 om Dahomey van het nieuwe Europese ideaal van vrijheid en gelijkheid te overtuigen, liepen op niets uit, omdat ' slavernij een te grote inkomstenbron is', aldus koning Gezo. De Britse reiziger Forbes ontmoette in 1850 een inwoner van Dahomey die meer dan duizend slaven bezat, en hen beestachtig behandelde. Zelfs in 1890 verkocht de koning van Dahomey nog duizenden slaven voor geweren.

Die actieve rol maakt het thema herstelbetalingen in Afrika erg ingewikkeld. ,,Sommigen vinden het een schande om geld als compensatie te ontvangen, anderen willen dat wel. Maar wie moet het betalen?'', merkt professor Ologudu dan ook op, verwijzend naar de bijzondere geschiedenis van zijn dorp.

Ouidah was lange tijd een cosmopolitisch stadje waar velen tussen de oorspronkelijke bevolking waren neergestreken. Brazilianen, Fon en Yoruba, slavenhalers en -handelaars: zij vormden vaak met slavinnen een familie en mengden zo generatieslang hun bloed. Zelfs vrije en teruggekeerde slaven probeerden op hun beurt aan slavenhandel te verdienen.

In zijn weelderige tropische tuin aan de rand van een andere oud-slavenstad, Porto Novo, zegt manager Soulé Issiaka even resoluut ' nee' op de vraag of in Benin een discussie over slavernij speelt. Hij wijt dat aan de Franse kolonisatieperiode. ,,Wie Frans sprak, kon gratis onderwijs volgen, onafhankelijk van afkomst. Sommige grote families stuurden aanvankelijk niet hun eigen maar hun slavenkinderen naar school, aangezien ze de Fransen wantrouwden.'' Veel Beniners van slavenafkomst kregen hoge posities als professor of directeur.

Een andere reden dat een discussie die verdeeldheid kan zaaien niet opkomt, is dat Benin één grote mix van culturen is. Al die groepen moeten in het kleine land met zijn zes miljoen inwoners samenwerken en samenleven. ,,Ik geef je een voorbeeld'', zegt manager Issiaka. ,,Mijn overgrootvader had twaalf slaven,

Yoruba net als wijzelf. Voor zijn dood gaf hij hen de vrijheid en een deel van het huis. Ik hoorde dit pas op mijn veertigste bij een ruzie.'' Hij was samen met zijn ' broers' naar school gegaan. ,,We hadden dezelfde achternaam'', zegt Issiaka, die het vooral vervelend vindt nu de waarheid te kennen.

Eerder dan verschillen ziet Issiaka gelijke kansen. ,,Iedereen komt naar de hoofdstad Cotonou, die in feite een niemandsland is waar je opleiding telt en niet je afkomst'', zegt Issiaka, die wel toegeeft dat er tussen groepen als Fon en Yoruba zeker wantrouwen bestaat. ,,Overigens kan geen enkel compensatiebedrag afkopen wat er gebeurd is.'' ''Nee'', antwoordt hij luid en langgerekt op de vraag of een goede vriend van hem soms van slavenafkomst is. Blijkbaar is toch niet iedereen helemaal gelijk. Hetzelfde geldt in Ghana, waar antwoorden over slavernij mede bepaald worden door iemands afkomst. De meeste zuiderlingen, en natuurlijk de befaamde Ashanti, zullen zeggen dat het geen rol meer speelt. Voor noorderlingen ligt dat iets subtieler, zoals voor professor Benedict Der, die de binnenlandse slavenhandel bestudeert en deze aan de vergetelheid wil ontrukken.

Veel West-Afrikanen zijn zich ervan bewust dat slavenhandel op het continent een zwarte aangelegenheid was. Dat zwarte Afrikanen een actieve en soms wrede rol speelden in de slavenhandel lijkt voor de nazaten van slaven moeilijk te accepteren. Dat de Surinaamse initiatiefnemers van het Slavernij-monument in Amsterdam graag de Ghanese president Kufuor of de Ashantikoning bij de onthulling in 2002 wilden hebben, bracht de Ghanezen in verlegenheid. De relatief jonge naties in Afrika rakelen de slavernijgeschiedenis, die al zoveel verdeeldheid heeft gezaaid, liever niet op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden