Ooit liepen er mammoeten over de Dam

Een lezer stuurde me een lucifersdoosje vol slanke witte slakkenhuisjes. Hij had ze gevonden in het zand, toen het trottoir was opgebroken om een leiding te vernieuwen. Hij wilde weten wat voor schelpjes dat waren, want hij had ze nooit op het strand gevonden.

De bodem van Nederland heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. Soms zien we iets uit een ver verleden, in Zuid-Limburg, waar op een enkele plek steenkool aan de oppervlakte komt. Op veel meer plaatsen is mergel uit de Krijttijd te zien. Het IJstijdvak is daarbij vergeleken heel jong. En veel aan het aardoppervlak herinnert er nog aan.

Minstens viennaal drong het landijs op van het noorden en van hoge bergen in Midden-Europa in de richting van ons land. Het werd dan bar koud en eenmaal bedekte een gletsjer van honderden meters dikte de helft van ons land. Dat was in het Saalien, de voorlaatste ijstijd, genoemd naar de rivier de Saale.

Het voortschuivende ijsfront schoof de hardbevoren grond in enorme schubben voor zich uit. Zo ontstonden hoge stuwwallen, die we nu aanzienlijk lager nog herkennen als heuvelruggen in het landschap: het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug, Salland, het Montferland, het Rijk van Nijmegen.

Het landijs kwam niet verder dan halverwege ons land. De ijsgrens liep van Amsterdam in het westen via Wageningen tot voorbij Nijmegen in het oosten. Aan de oppervlakte kunnen we niet zien dat het ijsfront even ten zuiden van Amsterdam ook een stuwwal opdrukte. Die is door bodemdaling weggezonken, begraven onder later gevormde aardlagen en alleen nog diep in de ondergrond terug te vinden, bijvoorbeeld onder de Ouderkerkerplas en het Nieuwe Meer tot bij Schiphol.

Klimaatverbetering

Toen het klimaat 130.000 jaar geleden verbeterde, trok de ijskap zich definitief uit ons land terug, de stuwwallen achterlatend, waartussen woeste rivieren het smeltwater afvoerden. Er brak een warmere periode aan, die naar de rivier de Eem het Eemien wordt genoemd en 15.000 jaar duurde.

De zeespiegel rees door de enorme massa water die vrijkwam van het smeltende ijs. De in de ijstijd droge vlakte van het tegenwoordige Noordzeebekken liep vol en de zee drong de door het landijs verbrede en verdiepte oerdalen van Maas, Rijn en Vecht binnen. Ten slotte lag een groot deel van Noord-Holland en het IJsselmeer onder water.

Het ophogingszand uit het Nieuwe Meer zat vol grind en stenen, maar bevatte geen enkele schelp. Het was door de oer-Rijn afgezet rivierzand, dat later door het landijs van het Saalien was opgestuwd.

De Amsterdamse stuwwal vormde een barrière voor verdere overstroming door de Eemzee. Op de plek van de drie kilometer noordelijker gelegen Sloterplas, die is ontstaan bij de zandwinning voor de grote uitbreiding van Amsterdam-West, lag de kust van de Eemzee, nu 23 tot 28 meter diep onder het maaiveld. Het geelgrijze zand zit vol schelpen, die je nog in het zand kunt vinden als de straat wordt opgebroken. Twee soorten komen er massaal in voor: de amper anderhalve centimeter lange muizenkeutel (Bittum reticulatum) en de tapijtschelp Venerupis aurea senescens.

Veel soorten

In het opgespoten zand uit de Sloterplas werden niet minder dan 130 verschillende soorten schelpen en slakkenhuisjes aangetroffen. Vaak als scherf, want het opspuiten ging met grof geweld gepaard, dat kleine schelpen en slakkenhuizen wel overleefden, maar vaak negentig procent van de grotere in stukken brak.

De geoloog Gerard Spaink publiceerde in 1958 een volledige lijst van 134 Nederlandse mariene Eemfossielen en vergeleek hun voorkomen in de Eemzee met het tegenwoordige voorkomen. Veel soorten bleken nu het talrijkst aan de Atlantische kusten van Schotland tot Gibraltar.

Toen de Eemzee bij het tegenwoordige Bergen aan Zee ons land binnendrong, heerste hier een iets kouder klimaat dan het tegenwoordige. Op grote diepte zijn daar schelpen gevonden die tegenwoordig het meest voorkomen in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan: noordkromp en trapgeveltje. Op het land groeiden vooral dennen en berken, later gemengd met eiken.

Warme tijd

Tijdens de grootste uitbreiding van de Eemzee moet het warmer zijn geweest dan nu. Het land was bedekt met loofbossen, waarin edelherten leefden. De schelpenfauna vertoonde veel overeenkomst met die van de tegenwoordige kust bij Bordeaux. De in de warmste tijd massaal voorkomende Bittium reticulatum is nu nog heel algemeen in de Middellandse Zee en aan de Atlantische kusten. Zo ook het tolhoorntje (Gibbula cineraria), dat in de warmste periode van de Eemtijd veel in de Nederlandse Eemzee voorkwam en nu zelden aanspoelt, gewoonlijk als fossiel na zandsuppletie. Een ongelijkkleppig mosseltje zonder Nederlandse naam (Aloidis gibba) spoelt wel eens fossiel aan op Zeeuwse stranden.

Toen de Eemtijd 115.000 geleden eindigde, veranderde ons land duizenden jaren lang in een ijzige toendra. In die laatste ijstijd, het Weichselien, bleef het landijs steken in Noord-Duitsland en bereikte het ons land dus niet. Op de bodem die nu twaalf meter onder de Dam ligt, liepen mammoeten en wolharige neushoorns. Ze stierven uit toen de ijskap smolt en de toendra inkromp. Hun botten worden soms nog uit het IJ opgebaggerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden