Ooit kunnen we zeggen wat taal is

Volgens nestors als Noam Chomsky en Ian Tattersall is het onderzoek geen steek opgeschoten: nog altijd weten we niet hoe taal is ontstaan en geëvolueerd. Jonge onderzoekers denken daar anders over.

Oorsprong en evolutie van de taal zijn nog even grote raadsels als vijfentwintig jaar geleden, toen het onderzoek ernaar een grote vlucht nam. Dat concluderen vooraanstaande wetenschappers in een recent artikel in het tijdschrift Frontiers in Psychology. Onder hen zijn de invloedrijke taalwetenschapper Noam Chomsky en de gerenommeerde Britse paleoantropoloog Ian Tattersall.

"De rijkdom aan ideeën gaat gepaard met een armoede aan bewijs", schrijven ze bijna poëtisch. En de gebieden waarin we de antwoorden zoeken, zoals dierentaal- en fossielenonderzoek en genetica, leveren nog niks op, en gaan dat ook niet snel doen, aldus de auteurs.

Met hun artikel willen de auteurs tegenwicht bieden aan wetenschappers en journalisten die voorbarige conclusies trekken over de oorsprong van taal, bijvoorbeeld de conclusie dat vogels en apen een vergelijkbaar denkvermogen hebben als mensen, of dat Neanderthalers taal hadden. Voor die stellingen is geen of onvoldoende bewijs voor, zeggen ze.

In het taalevolutieveld is met enige irritatie gereageerd op het artikel. De auteurs hebben een punt, vinden velen, maar wat draagt zo'n negatief stuk bij aan de wetenschappelijke vooruitgang? Feit is dat we nog geen idee hebben wanneer taal precies is ontstaan, hoe het kan dat mensen zijn gaan praten (en gebaren) en andere diersoorten niet, en hoe dat proces precies is verlopen.

"Bij evolutieonderzoek heb je twee mogelijkheden", zegt bioloog Johan Bolhuis, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet naar taalevolutie. "Je kunt kijken naar nauwverwante diersoorten of naar dieren die helemaal niet verwant zijn, maar om de een of andere reden wel vergelijkbare eigenschappen hebben. En dan moet je vergelijken: gedrag, genen, hersenen, evolutionaire ontwikkeling. Maar het lastige is dat noch onze nauwste verwanten, de mensapen, noch andere diersoorten iets hebben wat op echte taal lijkt."

Wat dat is dan, echte taal? Met die vraag begint de onenigheid tussen wetenschappers al. Volgens de auteurs van het bewuste artikel, en ook Johan Bolhuis, is taal niet hetzelfde als communicatie. En taal is ook niet spraak. Communicatie en spraak zijn slechts wat we met taal doen en hoe we die naar buiten brengen.

Communicatie en spraak zijn, volgens hen, ook niet speciaal menselijk. Planten communiceren ook op bepaalde manieren, en vele diersoorten maken gebruik van hun stem om een boodschap over te brengen. De kern van taal, zegt deze invloedrijke stroming in de taalwetenschap, is de grammatica. Wat mensentaal uniek maakt, is dat we woorden eindeloos aan elkaar kunnen plakken in zinnen met een hiërarchische structuur.

Zwemmen

Taalkundigen maken dat graag duidelijk met zinnen die je niet gebruikt, maar die grammaticaal wel kloppen. Bijvoorbeeld: 'We weten, dat adelaars die eten, zwemmen'. Iedere mens heeft in de gaten dat het weten slaat op het zwemmen van de adelaars, en niet op het eten, ook al staan de woorden weten en eten dichterbij elkaar. Dat komt door die hiërarchie: zwemmen staat hoger in de zinsstructuur dan eten, en dus slaat weten daarop.

Hiërarchie is volgens deze taalkundigen de essentie van taal. Zulke getrapte structuren zijn elders in het dierenrijk niet te vinden. Dat klinkt logisch, omdat onze aapachtige neven niet eens kunnen praten, laat staan dat ze een ingewikkelde taal hebben. Maar de laatste jaren wordt bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar zangvogels. En ook al zeggen de auteurs van het aangehaalde artikel dat onderzoek naar dieren en taal nog maar weinig heeft opgeleverd, door het bestuderen van zangvogels zijn we meer te weten gekomen over onze eigen taal.

Zangvogels zijn geen nauwe verwanten van de mens, maar ze hebben wel een vergelijkbare eigenschap: zang. Jongen van de zebravink, in deze een geliefd onderzoeksobject, blijken zang op dezelfde manier te leren als mensenkinderen taal: eerst brabbelen ze een beetje, dan fluiten ze losse woordjes en uiteindelijk bestaat hun zang uit langere melodische structuren.

Ze hebben ook net zo'n goed ritmegevoel als mensen, wat belangrijk is om afzonderlijke stukjes met een eigen betekenis (woorden) uit de klankenstroom op te vissen. Bovendien zijn bij zangvogels dezelfde gebieden in de linkerhersenhelft gespecialiseerd voor zang als bij mensen voor taal.

Bolhuis en zijn collega's ontdekten recent nog een overeenkomst: het belang van slaap. "Wat in de hersenen gebeurt tijdens de slaap, heeft te maken met wat je overdag geleerd hebt. Als je kinderen in een lab iets leert, onthouden ze het beter als je ze tussendoor een dutje laat doen. Dat is bij zangvogels ook zo." Zo zegt zangvogelonderzoek ook wat over het leren van taal bij mensen, al benadrukt Bolhuis dat er nog geen bewijs is gevonden voor hiërarchische structuren in de zang.

Taalgen

Niet alleen in de biologie wordt vooruitgang geboekt, maar ook in de genetica. Zo werd enkele jaren geleden een gen ontdekt dat met taal te maken heeft, FOXP2. Een Engelse familie, waarvan de leden grote moeite hebben met taal en spraak, bleek een mutatie te hebben in dat gen. Het ontdekte gen ging in de media al snel rond als hét taalgen. Dat is het niet, maar het is zeker belangrijk voor taal en spraak. Inmiddels is bekend dat alle dieren dat gen hebben, zij het in verschillende varianten.

"Er is nu vastgesteld dat Neanderthalers bijna exact dezelfde variant van het FOXP2-gen hadden als mensen", zegt Jelle Zuidema, taalwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. "Zo'n bevinding heeft impact op onze theorieën over taalevolutie. De grote doorbraak staat niet voor de deur, maar het gaat wel wat opleveren."

Dat archeologie en paleoantropologie ook doen. Op basis van fossielen en andere bodemvondsten is geconcludeerd dat homo sapiens ongeveer 200.000 jaar geleden ontstond en zich rond 60.000 jaar geleden begon te verspreiden. Volgens veel taalkundigen was dat ook het begin van de taal, omdat het gedrag van homo sapiens ineens veranderde. Die ging ingewikkelde gereedschappen maken, waar planning bij kwam kijken, en maakte symbolen in de vorm van gegraveerde objecten. Daarvoor is complexe cognitie vereist. Dezelfde cognitie die nodig is voor onze taal, is de aanname. Maar ook hierover is discussie. Vorig jaar beweerden twee wetenschappers van het Nijmeegse Max Planck-taalinstituut op basis van DNA-analyses, gevonden schedels en vondsten van ingewikkelde gereedschappen, dat ook Neanderthalers taal machtig waren.

Zij stellen dat taal dus al zo oud moet zijn als de gemeenschappelijke voorouder van de moderne mens en die Neanderthaler: homo heidelbergensis, die zo'n 500.000 jaar geleden op aarde liep, en dat taal veel langzamer is geëvolueerd doorgaans wordt aangenomen.

Overdreven

De oorsprong en evolutie van taal zijn nog gehuld in nevelen en bonte discussies. Maar beweren dat we nog geen stap verder zijn dan vijfentwintig jaar geleden is wat overdreven.

Jelle Zuidema: "Het onderzoek op al die gebieden levert kleine bouwstenen waarmee we de puzzel langzamerhand proberen op te lossen." Bovendien, zegt Zuidema, is er een verschuiving gaande in het veld. "Er komt steeds meer ruimte voor gradaties. De traditionele stroming, waar de auteurs van het artikel toe behoren, benadrukt het verschil tussen mensen en andere diersoorten. Maar in het veld is ook veel aandacht voor de overeenkomsten. Taal kan best gebaseerd zijn op een algemene leermethode, die dieren ook hebben, maar die bij mensen specifiek is aangepast voor taal."

Wat Zuidema betreft zouden de nestors van het onderzoek naar de mens en zijn taal het enthousiasme van de nieuwe generatie onderzoekers wel wat mogen stimuleren.

Hoe zit het nou, met die evolutie van taal?

De twee grootste theorieën in de taalwetenschap gaan ervan uit dat veel aspecten van taal uniek zijn voor de mens. De traditionele school, waartoe onder andere de auteurs van het in de tekst aangehaalde artikel behoren, zegt dat ons taalvermogen opeens is ontstaan, tussen 100.000 en 60.000 jaar geleden. De andere theorie, van de taalwetenschappers Steven Pinker en Ray Jackendoff, gaat uit van een meer stapsgewijze evolutie. De eerste sporen van taal zouden al dateren van verre voorouders van de mens, dat kan miljoenen jaren geleden zijn, en langzaamaan verder zijn geëvolueerd.

Aan de andere kant zijn er ook wetenschappers die niet geloven dat taal uniek is voor de mens. Andere dieren hebben misschien niet precies zoiets als taal, maar ons taalvermogen is wel gebaseerd op algemene cognitieve principes, die andere dieren ook hebben, zeggen zij. Door culturele evolutie werd de mens coöperatiever, waarvoor een complexere cognitie nodig was, waar taal uit ontsproot. De een beweert dan weer dat het een stapsgewijs proces was, de ander gelooft in een vrij plotseling begin.

En dan heb je nog de wildere theorieën, zoals van Michael Corballis. Hij vindt dat we te veel focussen op gesproken taal. Taal komt volgens hem voort uit gebaren. De mens gebaarde al voordat hij kon praten en gaandeweg ontwikkelde zijn strottenhoofd zich zo dat de stem het overnam. Nee, zegt Steven Mithin tot slot, taal komt voort uit zang. Mensen konden eerst dansen, muziek maken en zingen, en daaruit ontwikkelde zich de gesproken taal. Het behoeft geen uitleg dat deze theorie populair is onder muziekwetenschappers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden