’Onze vrijheid is op hol geslagen’

,,Filosofen spelen onmiskenbaar een belangrijke rol in het publieke debat’’, zegt Ad Verbrugge. Dat is misschien de reden dat hij komende zondag als eerste filosoof in Nederland is uitgenodigd om een televisieavond samen te stellen bij ’Zomergasten’ van de VPRO.

Waarom filosofen zichtbaarder in de media aanwezig zijn? Het heeft volgens Ad Verbrugge alles te maken met de tijdgeest. De jaren negentig waren de jaren waarin Nederland onder het paarse kabinet van Kok ’de ideologische veren had afgeschud’. De twee aartsvijanden van weleer – socialisten en liberalen – waren tot een compromis gekomen dat beide partijen leek te bevallen. Over morele vraagstukken werd niet al te moeilijk gedaan. Euthanasie, abortus, prostitutie: het moest allemaal kunnen. Tolerantie was het toverwoord, de multiculturele samenleving het paradijs waar de mensheid in al die eeuwen naar op zoek was geweest. Voor filosofische reflectie over maatschappelijke vraagstukken leek weinig noodzaak te bestaan. Alleen voor levensfilosofie leek er een markt te zijn.

Ook internationaal was door het einde van de Koude Oorlog de indruk ontstaan dat het tijdperk van de hevige religieuze, ideologische en morele conflicten achter ons lag – wat door de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama kernachtig is omschreven als ’het einde van de geschiedenis’.

Maar in het nieuwe millennium werd duidelijk dat dit alles slechts schijn was. Elf september liet zien dat er nog steeds felle religieuze, ideologische en morele strijd bestond, en dat de geschiedenis niet voorbij was.

Verbrugge: „Pim Fortuyn bracht de sluimerende onvrede in de Nederlandse samenleving met betrekking tot het multiculturele ideaal naar boven. Vooral in de confrontatie met de islam werden veel Nederlanders met de neus gedrukt op de vraag waar zij eigenlijk voor stonden. Waar geloven wij dan in? Is er voor ons ook iets heilig? Het is vanwege deze vragen dat filosofen een belangrijker rol zijn gaan spelen in het publieke debat.’’

In het antwoord op deze vragen wordt één waarde bijzonder vaak genoemd: vrijheid. Dat lijkt een van de meest bepalende richtinggevende idealen van onze cultuur te zijn. In onze politiek, in onze zogeheten vrije markt, in ons rechtssysteem, in ons onderwijsstelsel, in de media, en in onze persoonlijke levenssfeer laten wij ons sterk door dit beginsel van de vrijheid leiden. Verbrugge denkt daarom dat het belangrijk is om een beter begrip te krijgen van wat vrijheid ’eigenlijk’ betekent. Het idee van de persoonlijke vrijheid is in onze cultuur volgens hem namelijk ’ontaard’.

Verbrugge: „Het punt is dat idealen er op papier prachtig uit kunnen zien, terwijl ze in de praktijk niet werken. Dat was bijvoorbeeld het geval bij het reëel bestaande communisme. Nu zie je dat ook met betrekking tot het vrijheidsideaal in onze consumptiemaatschappij.’’

Hoe wordt het ideaal van de vrijheid namelijk doorgaans gedefinieerd? Als het niet door anderen belemmerd worden in je keuzes, als iets negatiefs, als ongebondenheid, als het vermogen om je ongehinderd over te kunnen geven aan je verlangens. Om te beginnen wordt daarbij vergeten, zegt Verbrugge, dat de eigen verlangens zo groot kunnen worden dat het de vraag is of je niet beter van verslaving dan van vrijheid kunt spreken. „Exemplarisch hiervoor is de figuur van de junk. Waarom zeggen we dat de junk ’depersonaliseert’? Hij doet toch wat hij wil? Hij bevredigt toch zijn eigen behoeften? Kennelijk is dat niet zo. Zo’n leven spat uit elkaar door zijn eigen consumptie. De junk is een dramatische uitvergroting van wat er met mensen in de consumptiemaatschappij kan gebeuren.’’

Verder is het zo dat bij het populaire vrijheidsconcept de nadruk te sterk op het ’ik’ alleen ligt, vindt Verbrugge. „Mensen vergeten dat individuele vrijheid onmogelijk is zonder een gemeenschap die mij die vrijheid geeft, ook in juridische zin. Het woord ’vrijheid’ is etymologisch verwant aan de woorden ’vrijen’ en ’vriend’. Het aspect van de gezamenlijkheid is heel erg van belang. Maar weinig mensen voelen zich werkelijk vrij op het moment dat zij volkomen genegeerd worden door anderen. Je hebt dan wel de ruimte om alles te doen wat je wilt, maar die vrijheid is een leegte. Je verschijnt niet in de ogen van anderen, behalve dan als een toevallig object. Om werkelijk vrij te zijn, moet je ook door anderen erkend worden. Mensen willen niet alleen formeel erkend worden als voor de wet vrij en gelijk. Zij willen erkend worden omwille van datgene wat ze presteren, en ze willen erkend worden als de unieke persoon die zij zijn. Dat laatste is de reden dat veel leerlingen wegkwijnen in anonieme leerfabrieken en veel bejaarden in onpersoonlijke verzorgingstehuizen. Het verdwijnen van persoonlijke verhoudingen is dodelijk voor mensen.’’

’Belevingssolipsisme’ noemt Verbrugge de schijnvrijheid die het ik losmaakt van de maatschappelijke context, waarin het ik zich enkel nog richt op eigen verlangens. Het individu sluit zich dan als het ware op in een isolement – iets wat je bijvoorbeeld ziet bij jongeren die zich door middel van een koptelefoon afsluiten voor de rest van de wereld.

Tegenover deze ’gevangenis van de eigen beleving’ staat volgens Verbrugge ’de ruimte’ die voor een belangrijk deel gecreëerd moet worden door middel van goed onderwijs.

,,Goed onderwijs is bedoeld om je te verruimen’’, stelt de voorzitter van de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON). „De docent is daarbij een soort gids die voor de leerlingen een wereld doet opengaan en hen objectieve vormen van kennis en kunde bijbrengt, ook door hen bij de les te houden. Hij neemt daarbij verantwoordelijkheid en loopt vooruit op de ontwikkeling van dat kind. Een kind weet namelijk zelf nog niet goed waartoe hij in staat is, en wat de rijkdom is die hij kan verwerven. Daar moet een docent hem bij helpen. In plaats van aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen, probeert de goede docent leerlingen juist te bevrijden uit hun subjectieve belevingswereld, en ze de diepte en de betekenis van een gemeenschappelijk vormgegeven wereld te laten zien. Een wereld die niet bestaat uit atomistische individuen, maar uit ’gedeelde vormen’.’’

Verbrugge: „Voor opvoeding en onderwijs zijn gedeelde vormen noodzakelijk. Denk aan omgangsvormen of aan spelregels. Je kunt alleen zelfstandig opereren binnen die gedeelde vormen. Op het moment dat die gedeelde vormen verdwijnen, wordt het niet alleen vrijwel onmogelijk om mensen nog te vormen, maar ook om erkenning te krijgen en ergens in thuis te zijn. Wanneer ben je geslaagd of doe je iets echt goed? Zonder dergelijke vormen zijn er geen objectieve criteria meer, en dat maakt mensen richtingloos.’’

Met BON hoopt Verbrugge aandacht te vragen voor de volgens hem ’deplorabele staat van het onderwijs’. „Ook in het onderwijs wordt nu namelijk gedacht dat kinderen vrij en ongebonden hun eigen leerproces moeten vormgeven. Ze moeten het ’leuk’ vinden, zoals ze het ook ’leuk’ vinden om te worden vermaakt door de consumptiecultuur. Daarbij moeten ze vooral niet te veel opgedrongen krijgen van anderen – van de docent met name. Dat zou immers een inbreuk op hun individuele vrijheid en zelfstandigheid zijn, en dat mag je ze natuurlijk niet aandoen.’’

De docent die van zijn vak houdt wordt al sinds enige jaren weggezet als ’een vakidioot’, zegt Verbrugge. ,,Als iemand die te veel waarde hecht aan kennis die er voor leerlingen eigenlijk niet toe doet. Waar het om zou gaan, is de individuele leerling. Maar daar ging het deze bevlogen docenten natuurlijk altijd al om, waarschijnlijk meer dan bij de vele onderwijshervormers het geval is. Gedegen vakkennis staat, mede door deze hervormers, niet meer centraal in het onderwijs, en daar worden generaties leerlingen de dupe van. Dat ook de docent altijd nog moet leren, wordt gebruikt als een argument om ongekwalificeerde mensen voor de klas te kunnen zetten. Inderdaad is het zo dat een leraar levenslang blijft leren, maar het is toch ook niet zo dat Johan Cruijff nog moet leren voetballen? De leerlingen hebben door deze jarenlange aanval op de vakdocent geen voorbeeld meer voor de klas staan van mensen die uitmunten.’’

Verbrugge pleit daarom samen met de BON voor een herwaardering van de vakdocent. Maar het is de vraag of dit niet een te idealistisch streven is. Er zijn geen wis- en natuurkundedocenten meer te krijgen voor het vwo. Voor Frans en Duits ziet het er niet veel beter uit. Moeten we niet accepteren dat het tijdperk van de hoogopgeleide, kwalitatief goede vakdocent voorbij is?

„Je moet je eerst afvragen hoe het komt dat er in Nederland nauwelijks nog academici te krijgen zijn die het onderwijs in willen. Waarom is het in Finland geen probleem? Als kinderen één vak van binnenuit hebben gezien dan is dat het vak van leraar, en op basis van wat ze gezien hebben, besluiten ze: dát wil ik dus nooit!

Bovendien gaat het hier om het formuleren van een ideaal van wat goed onderwijs is. Wij willen goed opgeleide, gekwalificeerde en bezielende docenten voor de klas. Maar ik weet ook wel dat wat in decennia is afgebroken niet binnen een paar jaar weer opgebouwd kan worden. Daarvoor staan onze eigen gecorrumpeerde opvattingen van wat vrijheid is ons te zeer in de weg. Het is namelijk makkelijker om instituties, zoals het onderwijs, onder het mom van het vrijheidsstreven kapot te maken dan om ze weer op te bouwen.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden