'Onze 1250 dagboeken zijn nauwelijks bekend bij onderzoekers'

AMSTERDAM - In meer dan honderd archiefdozen ligt - bij het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie - een vrijwel verborgen schat van 1250 dagboeken. "Ze vertellen veel over het dagelijks leven in de oorlog en ze zijn een bron voor mentaliteitsgeschiedenis - dus hoe de mensen over de gebeurtenissen dachten" , zegt drs. Erik Somers (34), archivaris van het instituut.

"Na 1945 werd bij voorbeeld het verzet de hemel in geprezen, maar in de dagboeken stuit je op het verschijnsel dat het grote publiek in de oorlog helemaal niet zo op het verzet zat te wachten. Kwamen er na verzetsdaden niet vaak Duitse vergeldingsmaatregelen waarbij willekeurig mensen op straat werden aangehouden en tegen de muur gezet?"

De dagboeken waarin Nederlanders hun ervaringen in de tweede wereldoorlog beschrijven, liggen in de kluis van het Riod in keurig genummerde archiefdozen van totaal 18,5 strekkende meter. Van 1100 dagboeken is de inhoud tussen 1950 en 1955 met 'analyses' in kaart gebracht door dra. T. M. Sjenitzer-van Lening. Ongeveer 150 dagboeken, die later zijn binnengekomen, zijn niet meer zo beschreven en kregen alleen een typering.

Op basis van het werk van Sjenitzervan Lening, dat een kaartsysteem met 'dagboekanalyses' opleverde, verscheen in 1954 een boek getiteld 'Dagboekfragmenten'. Van dit boek kwam in 1985 een heruitgave. Naast de op Nederlandse bodem tot stand gekomen dagboeken, beschikt de Indische afdeling van het Riod nog over 280 dagboeken van Nederlanders in het bezette Nederlands-Indie. Ook deze dagboeken zijn gerubriceerd en hebben een 'analyse' gekregen.

Erik Somers vertelt dat alle dagboeken zijn genummerd en dat het 'analyseren' door Sjenitzer betekent dat 1100 exemplaren een beschrijving, beoordeling en typering hebben gekregen. Als voorbeeld toont hij de beoordeling van het dagboek van een Amsterdamse fotograaf, die vanaf oktober 1941 tot mei 1945 als politiek gevangene was opgesloten in een tuchthuis in Rheinbach. De beoordeling luidt: "Feiten, dagelijks leven en veel psychische, ook godsdienstige reacties. Uitvoerig, wel van belang. Voorts heel of half autobiografische geromantiseerde literairderige schetsjes, die bijzonder slecht zijn."

De oorlogsdagboeken blijken nogal eens mank te gaan aan een neiging tot 'literairderigheid' en een gezwollen toon. Ook bezondigen de auteurs zich vaak aan beschrijvingen van het oorlogstoneel op grond van kranteberichten of radio-bulletins. Voor hen was dat interessant, maar voor de huidige lezer is het dat allerminst: aan de 'officiele' geschiedschrijving is uitputtend veel aandacht geschonken. De dagboeken ontlenen hun waarde meer aan beschrijvingen van het dagelijks leven in de oorlog, aan mededelingen over het denken van de mensen of van de dagboekschrijver zelf. Erik Somers: "En dat is van groot belang nu historici steeds meer het dagelijks leven als onderzoeksthema zien. De eerste dertig jaar na de oorlog, na 1945, was dat veel minder het geval. Ook dat geeft een stijgende waarde aan het dagboek als historische bron. Bovendien krijgt de zogeheten 'oral history', de visie van levende getuigen, steeds meer aandacht; ook hierdoor zijn dagboeken van meer betekenis geworden."

Realiseren historici zich voldoende dat het Riod over deze dagboeken beschikt en hoe kan een onderzoeker ze ter inzage krijgen? "Onze dagboeken zijn weinig bekend, maar door de eerder genoemde ontwikkeling in de geschiedwetenschap, zal de vraag ernaar ongetwijfeld toenemen." Over de toegankelijkheid vertelt Somers dat volgens artikel 7 van de Archiefwet nietopenbare archieven uitsluitend toegankelijk zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Voor het bestuderen van de dagboeken moet een onderzoeker een schriftelijk verzoek indienen bij de directeur van het Riod. Heeft hij of zij toestemming dan moet een verklaring worden ondertekend, dat geen gegevens zullen worden gepubliceerd waardoor belangen van nog levende personen of nabestaanden kunnen worden geschaad.

Erik Somers heeft geen verhalen over opzienbarende onderzoeken in de dagboekenkluis met daaruit voortkomende onthullingen. Misschien is dat toch een gevolg van de moeite en tijd die een grondige bestudering van de dagboeken zou kosten. Slechts een deel van de dagboeken heeft trefwoorden met behulp waarvan een onderzoeker snel zijn onderwerp zou vinden. Weliswaar is het dagboek van een NSB'er bijvoorbeeld te vinden onder trefwoorden waarin NSB voorkomt. Maar veel dagboeken zijn nog ingedeeld op plaatsnamen.

Somers: "De manier waarop de inhoud van de dagboeken is beschreven, vind ik zonder meer voldoende, maar aan de verwijzing met trefwoorden moet nog wat gebeuren. Toen hier onlangs een regionaal onderzoeker kwam, die wilde weten hoelang een kazerne in Naarden in gebruik was bij de Duitse Wehrmacht, heeft het trefwoord Naarden, het plaatsnamenregister, ons verder geholpen. Ik vond een heel gerichte aanwijzing over het onderwerp in het dagboek van een destijds 40-jarige werknemer van een chemische fabriek in Naarden. Maar je zou natuurlijk meer gericht kunnen zoeken met trefwoorden op onderwerp."

Een voorbeeld van een dagboek dat een gespecialiseerde onderzoeker verder zou kunnen helpen, is dat van van een jongeman over de luchtoorlog boven de Veluwe. Hij schreef tussen januari 1941 en april 1945 vierhonderd bladzijden vol over dit onderwerp. De Riod-beoordeling van dit dagboek is heel positief: "Een uitvoerige beschrijving van zelf waargenomen luchtgevechten, beschietingen, bombardementen en overvliegen, geen droge opsomming, maar hartstochtelijke en tegelijkertijd nauwkeurige uiteenzettingen." Hoe het Riod aan zijn 1250 dagboeken is gekomen? "In de eerste plaats is er de oproep van de minister van onderwijs, Bolkestein, uit Londen. Hij riep op 28 maart 1944 via Radio-Oranje de Nederlanders op met de aanleg van documentatie te beginnen. En nadat op 8 mei 1945 het instituut was opgericht - daarvoor lagen in Londen de plannen ook al gereed - werd een dringend beroep gedaan op de bevolking onder meer dagboeken, illegale bladen, brochures en foto's ter beschikking te stellen aan het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie. Dr. De Jong spoorde tot 1947 in eigen persoon in een radiorubriek de mensen aan zoveel mogelijk te sturen; ook gaf hij dan verslag van wat er zoal was binnengekomen."

Duiken er nu, bijna een halve eeuw na de bevrijding, nog weleens waardevolle documenten op voor het Riod? "Incidenteel komt er weleens iets los; bijvoorbeeld als mensen overlijden die jarenlang bovenop hun materiaal hebben gezeten, omdat dit emotionele waarde voor hen had. In die gevallen worden ook wel dagboeken overgedragen aan het instituut - dat wil zeggen als de nabestaanden de waarde ervan onderkennen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden