Onvermoeibare rationalist

Zondag overleed essayist en P.C. Hooftprijswinnaar (1975) Rudy Kousbroek. Zijn eruditie was enorm, maar altijd bleef hij dat speelse jongetje. Van hem komt het begrip ’aaibaarheidsfactor’.

Rudy Kousbroek, geboren op Sumatra, Nederlands-Indië, in 1929, begon zijn carrière in de Nederlandse letteren met een valse start, namelijk een dichtbundel ’Begrafenis van een keerkring’ (1953) geheten. Qua geest en mentaliteit behoorde hij dan wel tot de Vijftigers – zo richtte hij samen met Remco Campert in 1950 het blad Braak op – maar poëzie was zeker niet het krachtigste deel van zijn talent. Jan Hanlo noemde die bundel ‘te zeer gesublimeerd’.

Er is iets van waar. Kousbroek was geen geboren, soepele dichter. Hij was er als het ware te rationeel, te exact voor. Hij had een bèta-intelligentie, studeerde natuur- en wiskunde in Amsterdam, later Japans in Parijs. Zijn naam vestigde hij niet als dichter, ook niet als romancier of verhalenschrijver maar als essayist, een van de grootste in naoorlogs Nederland, en een van de meest spitse en speelse. Zijn werk valt misschien nog het best te vergelijken met dat van Hugo Brandt Corstius, aan wie hij voorafging: het is erudiet, intelligent en wat niet al, maar het is ook technisch, wiskundig, gespitst op bewijsbare, empirische zaken.

De tijd dat hij in Parijs woonde, van 1950-1971, gedurende de bloeitijd van het existentialisme en het structuralisme, heeft hem intellectueel gevormd, al waren het niet zo zeer deze filosofische stromingen alswel de natuurwetenschappelijke houding die zijn denken richting gaf.

Als Kousbroek in de jaren zeventig voor een groter publiek doorbreekt, is dat vooral dankzij zijn essays in eerst het Algemeen Handelsblad – later NRC Handelsblad – en onder het pseudoniem Leopold de Buch in Vrij Nederland. Hij schrijft er met name over levenloze zaken, met een bezieling die voorheen weggelegd was voor emoties, psychologische verschijnselen, en ander ‘zacht’ of metafysisch spul: auto’s, computers, seksapparaten, muziekinstrumenten, kunstmatige intelligentie en vooral ook taalkundige verschijnselen, hebben zijn belangstelling.

Wie in zijn essaybundels rondbladert, die eerst Anathema’s heetten en later plastischer titels kregen als ’Het meer der herinnering’, komt een waaier aan belangstellingen tegen. Zo schrijft hij een anatomische les over grappen, maar ook iets over de structuur van prijsvragen; een essay heet ’De kleur van het verleden’, een ander ‘Van verre terebinten’ over illustraties waarbij het verhaal kan worden weggelaten.

Hij schrijft een stukje over een poef, dat bij nader inzien over een poes blijkt te gaan en speelt taalspelletjes, bijvoorbeeld in ‘Transformaties’: zet een beroemde dichtregel om in een woordenboekregel; ‘De ouderwetse man koopt drups bij de drogist’ wordt dan ‘Het uit vroeger tijden daterende volwassen menselijke leven van het mannelijk geslacht verkrijgt voor geld een versnapering met vruchtenessence bij de kleinhandelaar in geneesmiddelen, drogerijen en poetsmiddelen.’

Ook schrijft hij sprookjes met een logische in plaats van de geijkte sprookjes-afloop. Wie dat leest, begrijpt dat Kousbroek ook de aangewezen vertaler was van de befaamde ’Stijloefeningen’ van de Fransman Raymond Queneau, ook zo’n schrijver met een wiskundige inslag.

Karakteristiek voor hem is een stukje over Vasalis’ regel ’Ik droomde dat ik langzaam leefde / langzamer dan de oudste steen’ waarin hij met behulp van wetten uit de mechanica aantoont dat de ‘ik’ in die toestand juist heel snel moet leven. ‘Doet het er veel toe? Dichterlijke ontboezemingen over de tijd hebben wel eens meer iets belachelijks’, roept hij uit. Het is een soort belachelijkheid die hij zelf niet gauw op zijn repertoire zal zetten.

Als essayist was Kousbroek weinig behaagziek. Onvermoeibaar trok hij ten strijde tegen domheid en onoorspronkelijkheid. Soms met humor maar ook wel met sarcasme. Zo konden irrationele zaken als vroomheid, pathetiek, sportliefde en andere imponderabilia hem mateloos ergeren.

Maar Kousbroek was niet alleen een scherpe en speelse geest die techniek, wiskunde en andere ongebruikelijkheden in de Nederlandse literatuur invoerde, hij was ook gefascineerd door dieren. Een van zijn bekendste bundels is ’De aaibaarheidsfactor’ (1969 – de titel werd een begrip) over de raadselachtige mens in de vermomming van een kat. Daarnaast schreef hij een boekje over vermeende kattentaal, ’Wat en hoe in het Kats’, en was hij de bedenker van een (eenmalige) televisie-uitzending alleen voor katten. Tot zijn lievelingsdieren behoorden verder varkens, niet in het laatst omdat dat zulke miskende intelligente dieren zijn. Een van zijn laatste publicaties was ’Medereizigers’, over de liefde tussen mensen en dieren uit 2009. Kousbroek was lijstduwer voor de Partij voor de Dieren in 2004 en 2006.

In de jaren zeventig herleefde de belangstelling voor Indië. Wim Kan riep op om het bezoek van de Japanse keizer aan Nederland te boycotten, Jeroen Brouwers beschreef zijn herinneringen aan Japanse gruwelkampen. Indië was voor Kousbroek het land waar hij zijn gelukkige jeugd doorbracht en hij vond niet dat de memoires van Kan en Brouwers de waarheid weerspiegelden. De oorlogstijd en de Japanse interneringen waren wel erg geweest, maar niet zo erg als velen beweerden, en zeker niet te vergelijken met de Holocaust. Hij laat opmerkelijk fel blijken dat hij schrijvers die verschrikkingen overdrijven volstrekt misprijst. Typisch voor iemand als Kousbroek, met zijn voorkeur voor de waarheid boven verdichting, van exactheid boven fictie.

De kwestie die een seizoen lang de literaire gemoederen bezighield, toont Kousbroek ook op z’n kwetsbaarst. In zijn streven om over-emotionele uitbarstingen tegen te gaan wordt hij zelf emotioneel, misschien zelfs een beetje onredelijk. Over zijn liefde voor Indië schreef hij onder meer ’Een passage naar Indië’ (1978), ’Lief Java’ (1987) en ’Het Oost-Indisch kampsyndroom’ (1992).

Zijn waarheidsliefde maakt deel uit van een algehele speurtocht naar het verleden, die in later jaren steeds duidelijker zijn werk ging beheersen. „Het treurigste gevoel dat ik ken is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat”, schreef hij eens. Dat levert een soort verdriet op dat de motor vormt van een aantal studies over zaken uit het verleden, niet alleen zijn onbereikbare geboorteland maar ook iets als ’De archeologie van de auto’ (1989) of ’Het paleis in de verbeelding’ (1990).

Een aanzienlijk deel van zijn latere werk bestaat uit fotoreportages van vergane of onbereikbare zaken, afbeeldingen van mensen maar vooral dingen die niet meer in de werkelijkheid te vinden zijn. Daarachter gaat het diepere motief schuil van de rationalistische filosoof die zoekt naar de grenzen van zijn eigen ik, naar het wezen van de sensatie om opgesloten te zijn in jezelf en te bivakkeren aan je eigen, unieke ‘meer der herinnering’.

Kousbroek injecteerde de Nederlandse literatuur met een nieuw soort intelligentie die afweek van wat tot dan toe gebruikelijk was. Hij bleef er vooral een eenling mee, al kun je aan het optreden van schrijvers als Gerrit Krol en Hugo Brandt Corstius zien dat de literatuur ná hem vatbaarder is geraakt voor exacte wetenschap. Hij was een erudiet met kennis van de meest uiteenlopende zaken, van etnologie tot computerkunde. Maar misschien zal toch het meest tot de verbeelding blijven spreken zijn onvermoeide vrolijke en speelse kant, het nieuwsgierige jongetje in hem dat de raadsels van de wereld wilde naspeuren en ontmaskeren en dat spelletjes speelde met de taal, met de literatuur, met de wetenschap en met de geschiedenis.

Eigenlijk heeft hij voor een schrijver van zijn portuur weinig prijzen ontvangen, al staat natuurlijk de P.C. Hooftprijs 1975 voor essayistiek prominent op zijn conduitestaat. In 1994 kreeg hij van de Rijksuniversiteit Groningen een eredoctoraat in de wijsbegeerte.

Kousbroek was eerst getrouwd met de Amerikaanse schrijfster Ethel Portnoy, later met de Ierse schrijfster Sarah Hart.

Hij was al een aantal jaren ziek voor hij afgelopen zondag overleed in zijn woonplaats Leiden, tachtig jaar oud.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden