Onvermoeibare levensgenieter

Herman Jozef Divendal 1948 - 2015

Altijd bezig en betrokken, met linkse idealen en kunst. En altijd erg gesteld op zijn autonomie. Maar de regie over zijn eigen leven verloor hij toen kanker werd geconstateerd.

Het was een druk gezin waarin Herman Divendal opgroeide: hij was de zesde van twaalf kinderen en daarbovenop vingen zijn ouders vrijwel continu een paar pleegkinderen op. Bovendien waren vriendjes en vriendinnetjes altijd welkom, het was een zoete inval daar in het huis in Heemstede. Maar hoeveel kinderen er ook over de vloer waren, en hoeveel monden er ook gevoed moesten worden, moeder had tijd en belangstelling voor iedereen, ze vroeg de jongens en meisjes het hemd van het lijf - die interesse in de ander was een eigenschap die Herman later zou kenmerken.

Een vriendelijke en vrolijke chaos was het in het gezin. Katholiek, wel te verstaan: vader, ook Herman geheten, wilde aanvankelijk zelfs priester worden. Daar zag hij uiteindelijk vanaf, maar hij werd wel perschef van het Pastoraal Concilie totdat de conservatieve bisschoppen Simonis en Gijsen aantraden met wie hij het totaal oneens was.

De jonge Herman trok veel op met zijn net iets oudere broer Leo: één week per jaar hadden ze dezelfde leeftijd - de kinderen kwamen in huize-Divendal snel na elkaar.

Zonder problemen doorliep hij de lagere school. Maar op het gymnasium bleef hij een paar keer zitten. Niet dat hij de capaciteiten voor die opleiding miste. Maar hij had veel te veel andere interesses: hij zat in de redactie van het schoolblad, stelde nieuwe teksten samen voor de jongerenmis, schreef in z'n eentje een nieuw lied voor de liturgie, organiseerde creativiteitsavonden en was daarnaast ook nog eens bezig met de roerige maatschappij in die jaren zestig. De conrector had al door dat de leerling 'een sociaal meelevend iemand' was 'met enigszins linksgeoriënteerde belangstelling en pacifistisch ingesteld'. Herman had gewoon geen tijd voor school. Zonder diploma verliet hij het gymnasium.

Daarna wachtte de militaire dienst, maar die weigerde Herman. Hij was pacifist én anarchist, niet extreem, maar wel genoeg om niet onder de wapenen te willen. Herman mocht de vervangende dienst vervullen bij een inrichting voor gehandicaptenzorg. Gelijktijdig volgde hij de katholieke sociale academie De Aemstelhorn in Amsterdam.

Ook de vier jaar jongere Marianne Mooij zat op die opleiding. Zij en Herman waren geen jaargenoten, maar zagen elkaar wel op feestjes. Het kwam pas echt aan tijdens een groepsreis van communisten en andere linkse mensen naar het voor de buitenwereld potdichte Albanië en een aansluitende kampeervakantie in Joegoslavië. Marianne voelde zich aangetrokken tot de CPN en wilde wel eens zien hoe het er in het streng orthodox-communistische Albanië aan toeging; Herman, de anarchist, vond het land interessant omdat het een eigen plaats innam in de communistische wereld, dat prikkelde zijn onafhankelijke geest. Het regime liet de Hollanders vooral golvende graanvelden en keurige fabrieken zien, en niet de ellende, armoede en onderdrukking waar de bevolking onder leed. Herman concludeerde na afloop dat Albanië niet het ideale systeem had dat hem voor ogen stond.

Marianne viel op het enthousiasme en de levensvreugde die Herman uitstraalde. Hij had van die mooie oplichtende ogen waar het optimisme en de energie vanaf spatte, een levensgenieter pur sang, een man die zielsveel van mensen hield.

Vanaf die reis waren ze onafscheidelijk, al duurde het nog wel een paar jaar voordat ze in Amsterdam gingen samenwonen. Eerst in een woongroep, met wel voor iedereen een aparte kamer of appartement. Later, toen de twee dochters Saar en Josefien waren geboren, in een huis vlakbij Artis.

Marianne werkte in het club- en buurtwerk, Herman was op een onvoorstelbaar aantal fronten actief. Het was altijd links, en het had meestal met kunst te maken: poëzie, literatuur, muziek, toneel, politiek theater, noem maar op. Hij schreef voor diverse bladen, richtte Lont op, de uitgeverij voor de kraak- en anti-kernenergiebeweging, zat in diverse besturen in het culturele veld, nam het ene na het andere initiatief - onvermoeibaar was hij. Een constante was ook dat het meestal niet veel opleverde. Maar Herman ging voor het idealisme en niet voor het geld.

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was hij nauw betrokken bij de Amsterdamse kraakbeweging. Die bestond uit een paar vleugels. In het westen van de stad had je radicale krakers die compromisloos waren en het geweld niet schuwden; in het oosten waren ze over het algemeen wat gematigder. Herman, de verzoener, probeerde een brug te slaan, wat niet altijd lukte.

Menig weekend ging op aan het verzet tegen kernenergie. Hij deed mee aan betogingen bij de kerncentrale in Dodewaard, protesteerde tegen het Kalkarproject net over de Duitse grens, nam ook deel aan de vredesdemonstraties in Amsterdam en Den Haag, al waren die voor een anarchist misschien net iets te burgerlijk.

Midden jaren tachtig liepen al die protestbewegingen een beetje op hun eind, het maatschappelijk klimaat begon tegen te zitten. Herman zocht naar een nieuwe invulling van zijn leven. Broer Joost attendeerde hem op het bestaan van AIDA, afkorting van Association Internationale de Defense des Artistes, een stichting die zich het lot aantrekt van kunstenaars die hun land zijn ontvlucht wegens oorlog of vervolging. In verschillende westerse landen bestond deze organisatie, in laatste instantie alleen nog in Nederland. Herman begon er als vrijwilliger, later kwam er subsidie van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap.

Aanvankelijk bestond het werk uit het aanschrijven van regimes die kunstenaars onderdrukten, onder invloed van Herman ging het accent liggen op het bieden van een platform en het ondersteunen van gevluchte kunstenaars die hier in Nederland asiel hadden aangevraagd. De afgelopen jaren heeft AIDA zo'n vijftienhonderd tot tweeduizend vluchtelingen geholpen: schrijvers, beeldende kunstenaars, musici, aanvankelijk veelal afkomstig uit het voormalige Joegoslavië dat uit elkaar viel, Iran en Irak, die een bloedige oorlog uitvochten; later vooral uit Afghanistan, China en Soedan.

Volgens Herman moest AIDA vooral voorkomen dat de kunstenaars in Nederland in een isolement terechtkwamen. Het werk was hem op het lijf geschreven. Hij kon zijn gigantische netwerk ervoor inzetten en wist met zijn bindend optreden binnen de kortste keren het vertrouwen te winnen van de vluchtelingen. Hij hing niet zelf de kunstenaar uit, maar schiep daarvoor de ruimte voor anderen, kwam op voor hun vrijheid.

Hij had ook z'n lastige kanten: eigenwijs, niet gauw willen toegeven, ongeduldig, vermoeiend soms. Hij werkte hard, maar genoot ook van de leuke dingen des levens. Afleiding vond Herman in de keuken waar hij elke dag kookte, met oude jazz op de achtergrond; zijn meditatiemomentje. Op tafel kwamen Hermaniaanse hapjes, zonder kookboek bereid, meestal het resultaat van een spontane ingeving. Afleiding vond hij ook met vrouw en dochters in hun huisje in Egmond, maar hij was altijd weer blij als hij terug in zijn geliefde Amsterdam was.

Zijn kinderen hadden een hyperactieve vader die er toch altijd voor hen was. Toen Saar ging studeren, stuurde hij haar elke week een gedicht, en hij kreeg er ook wekelijks een terug. Op Sinterklaas verraste hij zijn oudste dochter met een bundel van al die correspondentie. Hetzelfde deed hij met de Facebookchats met Josefien toen zij een half jaar naar Zuid-Amerika ging.

Twee jaar geleden was het afgelopen met AIDA: het door de PVV gedoogde kabinet-Rutte schrapte de subsidie. Bij de stichting dachten ze wel te weten hoe dat kwam: voor het kabinet waren ze namelijk twee keer fout, ze kwamen op voor mensen die kunstenaar én vluchteling waren.

Voor Herman lag de AOW in het verschiet, maar lang heeft hij daar niet van kunnen genieten. Afgelopen zomer werd er kanker geconstateerd. Hij kon het moeilijk accepteren dat de ziekte hem de regie over zijn leven uit handen sloeg, juist op die autonomie was hij altijd zo gesteld geweest. Herman ontving de vele vrienden aan zijn ziekbed in de woonkamer, die allemaal hun mooiste muziek meenamen; samen voerden ze lange en goede gesprekken - hij leefde daarvan op. Tegen zijn vrouw en dochters zei hij dat hij maar weinig dingen niet heeft kunnen doen en weinig dingen had gedaan waarvan hij spijt had. Hij had een goed leven gehad.

Herman Jozef Divendal is geboren op 18 november 1948 in Heemstede, hij overleed op 8 februari 2015 in Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden