Onvermoede tijdgenoten

Bert Keizer vertaalde brieven van Emily Dickinson en ontdekte in haar zoektocht naar een uitweg uit het strenge protestantisme opmerkelijke overeenkomsten met die andere eigenzinnige negentiende-eeuwer: Friedrich Nietzsche. „Beiden verwijderden zich van het christendom, Dickinson geruisloos, Nietzsche met veel fanfare.”

Bert Keizer

In 1844 werd Friedrich Nietzsche geboren in Röcken bij Leipzig, in het huidige Saksen-Anhalt. Hij was de zoon van een Lutherse predikant, die zelf ook de zoon was van een Lutherse predikant. Zijn moeder was de dochter van een predikant. Emily Dickinson was op dat moment veertien jaar oud. Zij was geboren in Amherst, Massachusetts, New England, in een eveneens streng protestants milieu. We hebben het over twee van de subtielste geesten uit de negentiende eeuw die zich elk een geheel eigen pad zouden banen om buiten de christelijke sfeer te raken. Dickinson door een enkele stap opzij te doen. Nietzsche door een jarenlange stormloop tegen het gehate dogma.

Over ’Ecce Homo’ schreef Nietzsche in november 1888 aan Georg Bandes:

„Das Buch heißt ’Ecce homo’ und ist ein Attentat ohne die geringste Rücksicht auf den Gekreuzigten; es endet in Donnern und Wetterschlügen gegen alles was christlich, oder christlich-infect ist, bei denen einem Sehen und Hören vergeht.” (Het boek heet ’Ecce homo’ en is een aanslag op de gekruisigde zonder de minste terughoudendheid; het eindigt in donder- en bliksemslagen tegen alles wat christelijk is of christelijk-geïnfecteerd, waarbij een mens horen en zien vergaan.)

Zijn werk is als een brandende lont die we tot op de dag van vandaag niet helemaal hebben weten uit te trappen. Nietzsche’s sissende vlammetje heeft slechts een uitermate precieus deel van de lading bereikt. We weten nou wel dat God dood is, maar er worden nog steeds aanzienlijke delen van het erfgoed weggehouden van zijn vonk en hij is er niet in geslaagd de geschiedenis van de mensheid in tweeën te schieten, zoals hij beoogde.

Zijn project behelsde niet alleen kritiek op de gang van zaken tot nog toe. Hij wilde daarnaast het hele mens-zijn in een andere baan leiden en voor zover hij de eerste was die zich in die nieuwe richting begaf was het resultaat een in zijn ogen glorievolle eenzaamheid. Hij schrijft in 1884 aan Franz Overbeck:

„*ich bin jetzt mit großer Wahrscheinlichkeit der unabhüngigste Mann in Europa. Meine Ziele und Aufgaben sind umfünglicher als die irgendeines andern. (...ik ben nu met grote waarschijnlijkheid de onafhankelijkste man in Europa. Mijn doelen en taken zijn omvangrijker dan die van alle andere mensen.)

Nietzsche ramt het christelijke verleden van zich af, op weg naar een geestelijke positie waarin hij zich boven zaken als het goedkope misverstand van de naastenliefde zal bevinden. Hij zoekt een hoogte van waaruit het probleem van menselijke tragiek onder hem ligt. Hij wil van ons allemaal weg. Maar wij moeten allemaal mee, of anders ten onder gaan.

Nietzsche kenmerkt zijn denken als vragen stellen met een hamer. Niet om dingen zomaar mee stuk te slaan maar om te zoeken naar de holle toon van opgezwollen ingewanden. De hamer, mannengereedschap bij uitstek en erg geschikt om een gat in de muur te beuken van de christelijke gevangenis. In Emily Dickinson had hij een onvermoede tijdgenoot. Iemand die allerminst beukend met een hamer door de muur naar buiten wou, maar die zich lenig omdraaide, de deur naar de gang opende en na wat omzwervingen in het complex via de achterdeur eveneens in de tuin belandde, zij het in een veel rustiger gedeelte.

Het contrast tussen Nietzsche en Dickinson schuilt niet alleen in hun methodiek. We hebben het ook over het verschil tussen een man en een vrouw. Je mag wel stellen dat zij een vergelijkbaar geluk ontleenden aan hun vermogen om zich in woorden uit te drukken. Maar wat hen daarnaast ten deel viel in termen van liefde, huiselijkheid en geborgenheid valt niet te vergelijken. De arme Nietzsche, die een geteisterd lichaam rond sleepte van logement naar logement, bijna altijd gemarteld door afschuwelijke hoofdpijnen, nooit in staat gebleken om man, vrouw, kind of dier aan zich te binden. Zich in eenzaamheid verheugend over zijn onmiskenbaar uitzonderlijke zeggingskracht.

En daarnaast het schuchtere leven van Dickinson in een klein christelijk provinciaal universiteitsstadje in New England, met haar zus, haar moeder, haar tuin en een bescheiden vriendenkring die zij veelal op schrijfafstand hield.

Beiden verwijderden zich van het christendom, Dickinson geruisloos, Nietzsche met veel fanfare. Luister naar één van zijn motto’s rond de frontale aanval op de christelijke citadel. In 1888 schrijft hij aan Franz Overbeck over zijn ’Umwertung aller Werte’:

„Diesmal führe ich als alter Artillerist mein großes Geschütz vor: ich fürchte, ich schieße die Geschichte der Menschheit in zwei Hülften auseinander.” (Deze keer breng ik als oude artillerist mijn grote geschut in stelling: ik ben bang dat ik de geschiedenis van de mensheid in twee helften uit elkaar zal schieten.)

Dickinson zou niet weten waarom zij een wereldbeeld zou stukschieten dat haar zo innig bekend en dierbaar was. Zij was opgegroeid met de Bijbel en haar brieven staan vol hele en halve citaten en toespelingen. In bijbelse leliën, mussen, wangen, tranen, dwalingen, sprinkhanen, afgunst, raven, vee, ijzer, en koper vindt zij een kostbaar repertoire aan metaforen geformuleerd rond emoties, motieven en neigingen die zij in zichzelf en anderen tegenkomt. Zij put daar voortdurend uit in de vele honderden citaten in haar brieven.

Het unieke van haar geestelijke leven is dat zij zich op een geheel eigen wijze wegdraait uit de positie waarin werkelijk iedereen in haar omgeving zich ten opzichte van de bijbel bevond. Zo kende zij nooit een moment van bekering. Nooit een moment waarin zij zich door God gekend wist. En dat terwijl haar moeder, haar zus Vinnie, haar vader, haar schoonzus (en hartsvriendin) Susan en ook haar geliefde broer Austin allemaal een bekeringsmoment in hun leven kenden.

Niet dat zij zo ongenaakbaar was op dit punt, dat klinkt veel te krampachtig, alsof ze zich bewust zou verzetten. Maar het overkwam haar gewoon niet, en het opvallende is dat dat haar niet erg interesseerde. Het gaf haar niet het gevoel ergens buiten te staan. Ze vroeg zich hoogstens af wat de bekeerden nou eigenlijk dachten dat ze gevonden hadden. Ze beschreef haar huisgenoten als mensen die een eclips aanbidden, iets dat zich tussen zon en aarde geplaatst had. Ze zegt het niet, maar het staat er wel in onzichtbare inkt achter: ik kijk liever zo naar de zon, zonder een christelijke wolk ervoor.

Was ze dan een atheïst? Niet met de grimmige scherpte van Nietzsche in ’Die Fröhliche Wissenschaft’:

„’Nur wenn du bereuest, ist Gott dir gnüdig.’ – das ist einem Griechen ein Gelüchter und ein ürgernis: er würde sagen ’so mögen Sklaven empfinden’.” (’Alleen indien gij berouw hebt is God u genadig’ – voor een Griek is zoiets ergerlijk en belachelijk: hij zou zeggen ’slaven, die voelen dat misschien zo’.)

Dit sardonische argumenteren vind je nooit bij Dickinson. Ze heeft wel een aantal erg storende vragen rond God en de dood, waarin ze alle bestaande noties met een heel licht duwtje doet wankelen. Maar er klinkt nooit gebulder waarbij horen en zien je vergaan. Het zijn subtiele steekjes waardoor een dogma eerder giechelend dan krakend ineenzijgt.

Eén van de onderwerpen die zij verrassend on-bijbels tegemoet treedt is de dood. In de vele prachtige condoleances die zij schreef aan vrienden en bekenden wordt de dood veelal gezien als een overgang, maar als het heel dichtbij gebeurt is ze niet in staat zichzelf op dit punt iets wijs te maken.

Zij heeft de zeer ongemakkelijke neiging de dode achterna te lopen na het overlijden, om zich er van te vergewissen wat daar gebeurt. Ze stelt zichzelf vragen over de toestand van dood-zijn, die aan het tactloze grenzen. Rond de dood van haar vader schreef ze in 1874: „(...) en als we nu maar wisten dat hij wist, dan zouden we misschien met huilen kunnen ophouden.” En een maand later formuleert ze een half ironisch bezwaar tegen zijn dood-zijn waarin ze allerlei gangbare ideeën over het onderwerp met een grappig gebaar in de prullenbak mikt: „Ik ben blij dat er Onsterfelijkheid is – maar had het liever zelf uitgeprobeerd – alvorens hem eraan toe te vertrouwen.”

Goed idee die onsterfelijkheid, maar wie zou zijn eigen lieve vader er aan uit willen leveren, en dat zonder enige hoop op bericht van goede aankomst? Zeven jaar later, in 1882 sterft moeder Dickinson. Ze was jarenlang bedlegerig als gevolg van een beroerte en werd liefdevol verzorgd door Emily en Vinnie.

Hier de eerste aankondiging van deze dood aan haar vriendin Maria Whitney:

„Dinsdag

Lieve vriendin,

Onze Moeder is gestopt –

Ik ben er zeker van dat u bij ons bent, terwijl wij haar dierbare vorm door de Wildernis dragen.

Emily.”

Enkele dagen later schrijft ze aan een andere vriendin Mrs. J.G. Holland:

„De lieve moeder die niet kon lopen, is gevlogen. We stonden er nooit bij stil dat zij, hoewel zonder Ledematen, Vleugels had, – en ze vloog onverwacht bij ons weg, als een Vogel die geroepen werd. * Na een rusteloze Nacht, waarin ze klaagde over grote vermoeidheid, werd ze vroeger dan gebruikelijk van haar Bed in haar Stoel gezet, toen enkele vlugge ademtochten en een ’Laat me niet alleen, Vinnie’ en haar lieve wezen sloot zich – Dat degene die wij zo lang en zo zacht gekoesterd hebben nu in die Grote Eeuwigheid zou zijn zonder onze simpele Aanwijzingen, lijkt geschrokken en vreemd, maar wij hopen dat Ons Musje niet langer valt, hoewel we allereerst niets geloven –

Dank u voor de Liefde – ik was er zeker van uw Hand te zullen vinden als ik ooit de mijne zou verliezen –

Groet uw Annie en Kate van mij. Zeg tegen hen dat ik hen benijd om hun Moeder. ’Moeder!’ Wat een Naam!

Emily.”

Opnieuw volgt ze de dode letterlijk naar die nieuwe levensfase. Zij kan zich niet voorstellen hoe moeder het zonder haar dochters gaat redden aan gene zijde, gelet op haar volstrekte hulpeloosheid van de laatste jaren. Kenmerkend is de nuchterheid waarmee ze zich afvraagt of er wel wat valt te halen daarginds. Waarna ze gedurende een kort ogenblik tot rust probeert te komen met de mus uit Matteüs 10:29: ’Worden niet twee musjes voor een penningske verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.’ Ze veert hier onmiddellijk weer uit op met de toevoeging dat ze eigenlijk nog te beroerd is om waar dan ook in te geloven.

Enkele weken na het overlijden schrijft ze aan haar nichtjes Louise en Frances Norcross:

„Lieve Nichtjes,

Ik hoopte u eerder te schrijven maar moeders overlijden overweldigde mijn geest bijna.

Ik heb enkele liefdevolle navragen beantwoord, maar weinig intuïtief geschreven. Zij was nauwelijks de tante die u kende. De grote missie van pijn was bevestigd – tot tederheid gebracht door aanhoudend verdriet, zodat een grotere moeder stierf dan wanneer zij eerder gestorven was. Er was geen aards uiteengaan. Zij gleed uit onze vingers als een vlok door de wind gedragen en is nu een deel van de sneeuwjacht die we ‘de oneindigheid’ noemen.

Wij weten niet waar zij is, hoewel zovelen het ons zeggen.

Ik geloof dat wij op de een of andere wijze gekoesterd zullen worden door onze Maker – dat Hij die deze opmerkelijke aarde gemaakt heeft over het vermogen beschikt om wat Hij heeft veroorzaakt nog verder te verrassen. Daar voorbij is alles stilte...

Moeder was erg mooi toen ze was gestorven. Serafijnen zijn plechtige artiesten. De verlichting die maar ééns komt, talmde in haar trekken, en het was alsof we een beeltenis verborgen toen we haar in het graf legden; maar het gras dat mijn vader ontving zal voldoende zijn voor zijn gast, degene wie hij voor het altaar vroeg hem een leven lang te bezoeken.

Ik kan niet zeggen wat Eeuwigheid lijkt te zijn. Het woelt rond mij als een zee.

(...) Ik dank u voor uw gedachtenis jegens mij. Gedachtenis – machtig woord.

’Want Gij gaf het mij vóór de grondlegging der wereld.’

Uw liefhebbende,

Emily.”

Het citaat in de laatste regel komt wellicht uit Johannes 17:24: „(*) want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld”.

De zachtheid van dit overlijden weet Dickinson in hetzelfde beeld te vangen als de naamloze kilte die er op volgt, want wat is één vlokje in de sneeuwjacht van oneindigheid? En ook hier weer temidden van alle ellende de onthutsende constatering: „Wij weten niet waar zij is, hoewel zovelen het ons zeggen”.

Hier klinkt een rustig maar beslist terzijde schuiven van de troostend bedoelde dingen die mensen nu eenmaal zeggen bij zo’n gelegenheid: ’nu is ze eindelijk bij Piet – nu heeft ze dan haar rust – ik weet zeker dat ze op ons neerkijkt’, enzovoorts. In plaats van een getergde reactie op deze kleuterachtige onzin, toont Dickinson iets heel anders. Bedachtzaam stapt zij terug van deze holle frasen en laat een zacht ’o ja?’ klinken.

Maar dan is het alsof ze te zeer in volle zee dreigt te raken met deze argwaan en er volgt een geforceerde poging om het vasteland weer binnen bereik te krijgen in een hoopvolle samenvatting van God’s waarschijnlijke bedoelingen en Zijn vermogen nog verder te verrassen.

Dan valt haar blik opnieuw op de aarde en overdenkt ze het vulgaire in de grond stoppen van het lichaam van haar moeder, de grofheid van dat gebaar, en geeft toe dat ze niets weet van de eeuwigheid die om haar woelt als een zee. Het slotcitaat zweeft ongrijpbaar hoog boven deze overwegingen, het is een onwaarschijnlijke sprong naar een regio die los is van alle dood en leven, een toestand die aan alle toestanden voorafgaat.

Is het niet ongelofelijk, de afstanden die deze vrouw aflegt in een krappe twintig zinnen?

Het is in zo’n brief alsof ze het christelijke dogma zo helder mogelijk formuleert, om er vervolgens zo dicht op te gaan staan dat er niets meer van rest behalve een plechtige hooggestemdheid waarvan het maar zeer de vraag is in hoeverre daar redding van uit kan gaan.

Geografisch gesproken beperkte Dickinson zich gedurende het laatste deel van haar leven angstvallig tot het ouderlijke erf. Het wonderbaarlijke is dat deze vrouw zich geestelijk op haar eentje zo onbeschrijflijk ver van huis durfde te wagen als het er om ging de omtrekken van God en de Dood nader te verkennen. Want haar broer, haar vader, haar zus, haar schoonzus, haar moeder, ze zouden allemaal al flauwvallen als hun de aard van haar vragen werd uitgelegd, laat staan dat ze haar zouden kunnen of durven volgen. Ze keerde niet terug van dergelijke expedities vervuld met minachting voor de thuisblijvers die vervolgens à la Nietzsche uit hun sluimer moesten worden wakker getoeterd.

Nee, zij sprak met overtuiging en in onnavolgbare stijl over haar onwetendheid waar het God en de Dood betrof, maar zij had teveel mededogen met de mensen om haar heen om ondermijnend te doen over wat zij meenden te weten.

Het triomfantelijke treiteren waarmee Nietzsche het christendom in de afgrond wil doen storten is Dickinson volkomen vreemd. Omzeilend is haar koers. Zeg heel de waarheid, was haar devies, maar niet rechtuit.

Twee maanden later schrijft ze opnieuw over haar moeders dood, aan James D. Clark:

„Ik dank u voor uw oprechte woorden toen onze Moeder stierf. Wij spraken er dagelijks over u te schrijven, maar voelden ons niet in staat. De grootse inspanning haar Leven te behouden zou, zolang zij slaagde, zonder vermoeidheid zijn geweest, maar toen zij mislukte, ontbrak ons verdere kracht.

Geen Vers in de Bijbel joeg mij van Kind af zoveel angst aan als ’...en wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.’

Kwam het doordat deze donkere dreiging onze eigen Deur verdiepte?* Terwijl we haar dierbare vorm door de Wildernis droegen leek het Licht gestopt.

Haar sterven voelt voor mij als vele soorten Kou – elektrisch soms, dan weer verdovend – dan een onbegane woestenij waar Liefde nooit een stap zette.”

Het citaat is Markus 4:25. De donkere dreiging die haar eigen deur verdiepte was de dood van haar vader, en nu die van haar moeder. Ook naar Clark gebruikt ze het beeld van de wildernis. Het lijk wordt hier gekenschetst als een dierbare vorm waar de inhoud uit verdwenen is. Bijna vijf maanden verder, in maart 1884, schrijft ze nog een laatste keer aan Clarke over haar dierbare dode: „Een zacht ‘Waar is ze’ is alles wat over is van onze geliefde Moeder *”

Het zou aanmatigend zijn om Dickinson hier in enkele citaten af te zetten tegen Nietzsche, zij fijnbesnaard, hij meer van het grove werk. Dat zou een grofheid op zich zijn. Maar ik denk dat hun beider wegen elkaar op sommige punten met vrucht laten vergelijken, waarbij zijn ’opzij-ik-moet-naar-Ajax-denken’ een prachtig contrast vormt met haar elegante opzij stappen om iets te ondernemen tegen de gangbare logheden die mensen meeslepen naar God en Dood.

Bert Keizer is arts, filosoof, schrijver en columnist bij deze krant. Onlangs verscheen: ’Welk een waagstuk is een brief’, brieven van Emily Dickinson, gekozen en vertaald door Bert Keizer. (24,90 euro, Uitg. Anthos, ISBN 978 90 414 1217 1). De vertalingen van de Nietzsche-citaten in de tekst zijn eveneens van zijn hand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden