Onuitroeibare mythe dat moderne boer nog natuur kan onderhouden en ontwikkelen

'Een paar jaar grote natuurprojecten opschorten om nog eens goed na te denken' heette het Podium-artikel van 31 mei, waarin Jos Dekker, Titia van Leeuwen en Kris van Koppen bezwaren opsomden tegen het plan van het Wereld Natuur Fonds, het areaal 'echte natuur' in Nederland te verdubbelen. K. Piël, lid (en een van de oprichters) van de Stichting Kritisch Bosbeheer, vindt hun argumenten volstrekt verkeerd.

Het valt op dat zij in hun nieuwe aflevering - nu aangevuld met Kris van Koppen - van 31 mei in Trouw geen enkele keer het woord natuurbescherming laten vallen. De verontwaardiging waarmee ze schrijven is ook niet des natuurbeschermers; verontwaardiging over de plannen van het Wereld Natuur Fonds en andere natuurbeschermingsorganisaties om de natuurgebieden grootschaliger in te richten, ja hoe durven ze, deze zomaar te verdubbelen! In een land waar doorgaans in luttele percenten gerekend wordt, staat dat gelijk aan vloeken in de kerk.

Natuurbeschermers kunnen deze plannen uit de aard der zaak alleen maar toejuichen. Dekker c.s. zijn liefhebbers van het agrarische landschap, en dat hadden ze beter met zoveel woorden kunnen zeggen; nu lijkt het alsof ze nuttig commentaar geleverd hebben inzake inhoudelijke natuurbeschermingsproblemen.

Natuurbescherming steekt in beginsel vrij eenvoudig in elkaar:

1. Door mensen beïnvloede natuur is altijd minder natuur dan oernatuur; anders heeft het begrip 'natuurlijkheid' ook geen waarde;

2. Kenmerken van de oernatuur, de meest oorspronkelijke natuur, zijn ondermeer uitgestrektheid, ongestoordheid (van mens), compleetheid van soorten.

3. Hoofddoel van de natuurbescherming behoort dan ook te zijn de bescherming of het herstel van zoveel mogelijk min of meer oorspronkelijke natuur.

Het oerlandschap is in Nederland verdwenen, maar het is de taak van de natuurbescherming deze oorspronkelijke kenmerken zoveel mogelijk in ere te herstellen. Daarnaast wordt veel gedaan aan het bewaren van het oude boerenland met hagen, houtwallen en akkeronkruiden, maar dat gebeurt slechts hier en daar, vanwege de hoge kosten van beheer. Dit zou toch beschouwd mogen worden als een secundaire vorm van natuurbeschermen; het is meer het in stand houden van waardevol cultuurbezit.

De winst van natuurontwikkeling, zoals voorgesteld door het WNF, is niet alleen een groter areaal meer-natuurlijke natuur, maar ook een landschap waar het avontuurlijker voor de een, of juist rustiger voor de ander, recreëren is, alles in een min of meer ongerept landschap waar de regelende hand van de mens achterwege blijft, wat een aangenaam contrast vormt met de overbevolkte rest van cultuurlijk Nederland.

Uitgestrekte (moderner uitgedrukt: 'grootschalige') natuur is nodig om ruimte te geven aan het minimum-leefgebied van soorten, herbivoren (die moeten kunnen trekken van het rivierdal - nu in cultuur - en de hogere gronden in de winter) en carnivoren (de lynx heeft een groot jachtgebied nodig). Ook is dubbel zo grote natuur nodig om ruimte te verschaffen aan de oorspronkelijke grootschalige processen als (hoog)veenvorming, duinzandverstuiving, beekdaloverstromingen, en om overgangen te verkrijgen van de verschillende natuurlijke bostypen, van ooibos tot wintereiken-beukenbos.

Lachwekkend

Dekker c.s. komen met een lijst bezwaren tegen natuurontwikkeling aanzetten die nogal formeel en gezocht aandoet, en bovendien blijk geeft van een tegemoetkomendheid aan de boer die historisch gezien lachwekkend overkomt: de boer immers die in de tijd van de ruilverkavelingen geen strobreed uit de weg ging, en het mooiste vochtige loofbos slechts in verdroogde snipper aan de natuurbescherming overhandigde. Waarom zij zo voor de boer zijn ontgaat mij. De boeren zorgen voor overproductie, hetgeen een consumerend en belastingbetalend gezin van vier personen volgens de Erasmus Universiteit al 3200 gulden per jaar kost. Puur subsidie! De boeren vervuilen met hun mestoverschotten nog steeds in (door politici gesanctioneerde) ontoelaatbare en gevaarlijke proporties de resterende natuurgebieden.

De boeren zijn, zeker nu 'Brussel' de voorkeur geeft aan vrije-marktontwikkelingen, geholpen met economische, subsidie-onafhankelijke zelfstandigheid: vergroting van het bedrijf dus onder meer. Met grutto's en houtwalletjes in de weg valt slecht te produceren. Dat bewijst eeuwenlange agrarische ontwikkeling wel; de boer levert een voortdurende strijd tegen de natuurlijke ontwikkeling. De ruilverkavelingen hadden al tot doel die natuurrestanten op te ruimen terwille van de efficiëntie. Door de moderne boer, die nog altijd een overmaat aan subsidies ontvangt, nog eens extra's toe te stoppen voor wat tureluur-beheer, wat ze ook maar kinderachtig vinden, wordt het paard weer achter de wagen gespannen.

Een nieuwe landinrichting ten behoeve van echt economisch boeren enerzijds en echte natuurontwikkeling anderzijds is nodig. Dekker c.s. geloven toch niet werkelijk dat onder het bewind van een natuurbeschermende boer (volgens mij een harde contradictio in terminis) de orchideeën-, zegge- en kruidenrijke blauwgraslanden van weleer terugkeren? Enkel botanici en hydrologen in dienst van het natuurbehoud zal dat ten dele lukken. Ik geloof dat het hun onuitroeibare mythe is, dat de moderne boer nog wel in staat is natuur te onderhouden en te ontwikkelen.

“De natuur van de natuurontwikkeling lijkt voorbehouden aan deskundigen”, schrijven ze suggestief. Dat moet zijn: ís voorbehouden. Dat geldt ook voor het afgraven van giftige bouwvoren op overbodige landbouwgronden en het hier opnieuw inrichten van op de duur spontane natuur. De terugkeer hiervan is een begeleidingsproces op zich, waar deskundigheid zeker op zijn plaats is, in weerwil van de schrijvers. Op de middelbare landbouwscholen worden geen bijvakken als natuurbeheer op hoog niveau gegeven.

Geen bedreiging

In hun artikel hebben zij in het geheel niet kunnen aantonen waarom de grootschalige natuurontwikkeling een bedreiging zou inhouden voor 'die andere vormen van natuurbeheer'. Dat is niet zo. In de eerste plaats klaagt onder meer Natuurmonumenten over de grote vertraging in de aankoop van gronden door het rijk in het kader van het Natuurbeleidsplan. In 'de huidige vorm' wordt er amper nieuwe natuur ontwikkeld! (Een campagne is hard nodig). Ten tweede: het ouderwetse, echt waardevolle boerenlandschap is al in handen van de natuurbescherming en wordt overeenkomstig beheerd, met sloten vol geld en daarom ruimtelijk gezien een beperkte aangelegenheid.

Het is een kwalijke zaak op deze manier verwarring te stichten in de gelederen van de natuurbescherming, een zaak waar ze, zie boven, eigenlijk buiten staan. Ze gooien daarbij de natuurontwikkeling die gericht is op zelfregulering, spontaniteit, ook nog eens op een hoop met het herstel van oude antropogene landschapsvormen; zoals de heide-ontwikkeling in het door hen genoemde plan Goudplevier.

Dit oude herderslandschap zou hun juist moeten bevallen, maar wellicht zijn ze verkeerd ingelicht. Dit is nu ook een voorbeeld van herstelbeheer dat juist een bedreiging vormt voor een alhier mogelijke natuurlijke natuurontwikkeling; die dus landelijk gezien amper bestaat.

Eén punt lijkt me echter wel het overwegen waard. Een vervuilde Biesbosch is een reden, volgens schrijvers, om nog even te wachten met waterrijke natuurontwikkeling elders; de Rijn is overigens wel een stuk schoner geworden. Maar alleen om die reden heeft afwachten zin, met de nodige druk op de politiek om verder te gaan met milieuschoonmaak. Al hun andere anti-redenen zijn een uiting van vergeefs verlangen om het al onttakelde boerenland op te sieren met een armzalige natuur, wat vogels, knotwilgen en een enkel kruidje. Is dat de vorm van natuur waar miljarden aan gespendeerd moet worden?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden