Ontwikkeling van Sinaï gaat aan de bedoeïenen voorbij

Het is onrustig in de Sinaï. Al maanden is het Egyptische schiereiland het toneel van demonstraties en geweld. Centraal in de disputen staan de oorspronkelijke bewoners, de bedoeïenen. „Laat toch iets voor ons over.”

Het zijn de laatste kuddes van de Sinaï, door de jarenlange droogte verdreven naar de rotsen boven Sjarm el-Sjeik.

Ver buiten zicht van de toeristen, grazen hier de geiten en kamelen tussen de bergen van fastfoodverpakkingen, plastic tassen en etensresten die door bezoekers van de populaire Egyptische badplaats worden achtergelaten.

Het is de laatste halte van het nomadische bestaan van de bedoeïenenfamilies die rondom de vuilnisbelt in de schaduwen van geïmproviseerde hutten hurken. Het uitzicht op de Rode Zee wordt belemmerd door de witte gloed van de honderden hotels, resorts en duikcentra die samen meer dan een miljoen toeristen per jaar verwerken.

Maar de snelle ontwikkeling van de Sinaï is aan de meeste bedoeïenen, de oorspronkelijke bewoners van het gebied, voorbijgegaan. Welgeteld één hotel in Sjarm el-Sjeik is in handen van een bedoeïen. Het land is verkocht, of door de overheid toegewezen aan grote ondernemers.

De enkele tienduizenden bedoeïenen in Sjarm zijn langzaam naar de randen van de miljarden genererende toeristenindustrie gedreven. De meeste van hen wonen in Al-Roeweisat, de stoffige achterbuurt van het vakantieparadijs.

Behalve de Maizena, de oorspronkelijke stam in het gebied rond Sjarm, wonen hier veel bedoeïenen uit andere delen van de Sinaï, die naar de badplaats zijn gekomen om hun geluk te beproeven.

Een van hen is Gamal, van de Sawarky-stam uit het noorden van de Sinaï. Al tien jaar organiseert hij woestijnsafari’s, en hoewel de toeristenstroom naar Sjarm el-Sjeik blijft groeien, neemt zijn werk gestaag af.

Dat hij in enkele jaren van tien tochten per maand naar twee is gegaan, schrijft hij toe aan de ’buitenlanders’ die de banen hebben overgenomen. „Die opdringerige boeren uit Opper-Egypte bieden de safari zo goedkoop mogelijk aan. Als je het authentiek wilt doen, zoals een bedoeïen betaamt, kan je daar niet mee concurreren.”

Tijdens het ontbijt van plat brood met honing en een joint legt hij uit hoe Sjarm is veranderd. Zijn jonge metgezellen van de Maizena-stam lachen zenuwachtig en maken grappen, tot Gamal zijn stem verheft. „Er is geen plaats meer voor ons. Bedoeïenen worden weggedrukt.”

Hij adviseert de jongens om naar het zuidelijker gelegen Marsa Alam te gaan, waar de toeristenindustrie nog niet zo ver ontwikkeld is. „Jullie hebben de vaardigheden niet om mee te komen”, bijt Gamal hen toe.

Het is een veelgehoord bezwaar van Egyptische ondernemers in Sjarm, die moeite hebben om te werken met de mentaliteit van de bedoeïenen. „Ze voelen zich vaak te trots om de mindere banen te doen, maar voor de goede banen zijn ze niet geschikt”, zegt Mohammed Abbas, een investeerder uit Cairo. „Bedoeïenen hebben hun eigen tempo.”

Gamal wil dat best toegeven, maar de echte schuld van de hoge werkloosheid onder bedoeïenen – in Sjarm geschat op tachtig procent – ligt volgens hem bij de overheid.

„Ze negeren ons. Onze kinderen gaan niet naar school en de jeugd wordt niet opgeleid. Intussen laten ze alle Egyptenaren binnen. Laat toch iets voor ons over.”

De moeizame relatie van de bedoeïenen met de overheid kwam de afgelopen maanden meermaals tot een uitbarsting. In Al-Roeweisat hielden honderden bedoeïenen de bulldozers op afstand die in het kader van een ’opknapcampagne’ de illegaal gebouwde huizen in de buurt kwamen afbreken. De vlam sloeg in de pan toen een bewoonster door politieagenten werd beetgepakt. De politie wist de betogers met traangas op afstand te houden, maar toen volgens ooggetuigen enkele bedoeïenen hun vuurwapens tevoorschijn haalden, maakten de bulldozers rechtsomkeert. „De maat was vol”, legt Gamal niet zonder trots uit, terwijl hij de beelden van de rellen nog eens nakijkt op zijn telefoon.

Niet alleen de sloop van enkele honderden huizen, ook de bouw van ’de bedoeïenen muur’ heeft veel weerstand opgeroepen. De metershoge omheining rond Al-Roeweisat heeft maar een ingang, waardoor de politie eenvoudig het komen en gaan in de buurt kan controleren.

Ook het noorden van de Sinaï was de afgelopen maanden enkele keren het toneel van onlusten. Bij demonstraties tegen de overheid in april dit jaar, die begonnen met een massale zitactie door een paar duizend bedoeïenen, kwamen twee bedoeïenen om. Ook in de maanden erna werden demonstraties georganiseerd, waarbij onder meer demonstratief het hek van de grens met Israël werd beklommen.

In oktober braken in Al-Arisj grootschalige rellen uit die zich bijna twee weken zouden voortslepen. Wat begon als een conflict tussen twee stammen zou zich uitbreiden tot een confrontatie tussen stadsbewoners en nomaden, waarbij beiden hun woede uiteindelijk verplaatsten naar de overheidsgebouwen in de stad. De politie greep hard in en arresteerde tientallen mensen.

Hoewel het noorden van de Sinaï nog minder kansen biedt dan het zuiden, waar de toeristentrekpleisters als Sjarm el-Sjeik en Dahab liggen, zijn de grieven over het hele schiereiland dezelfde.

Niet alleen de armoede en hoge werkloosheid onder bedoeïenen roepen verontwaardiging op, ook de verregaande veiligheidsmaatregelen van de Egyptische overheid leiden tot veel verzet.

Het keerpunt in de relatie met de overheid was de bomaanslag in Taba in 2004, de eerste van een serie aanslagen in de Sinaï waarbij in totaal 125 mensen zouden omkomen en die een grote klap voor de toeristenindustrie zouden betekenen.

Als reactie werd de beveiliging in de Sinaï drastisch opgeschroefd. Door het hele schiereiland werden checkpoints opgericht, en de controle van de overheid breidde zich gestaag uit tot de woestijn, voorheen het exclusieve gebied van de bedoeïenen.

Niet alleen de smokkel van mensen, wapens en drugs, een belangrijkste inkomstenbron van enkele bedoeïenenstammen, werd hierdoor moeilijker. Ook de toeristische activiteiten in de woestijn werden aan banden gelegd. Omdat enkele van de daders van de aanslagen geradicaliseerde jonge bedoeïenen waren, arresteerde de politie meer dan vierduizend bedoeïenen. De meeste van hen zijn intussen vrijgelaten, maar enkele honderden zitten nog vast, zonder aanklacht, zonder proces.

De achterliggende verantwoordelijkheid voor de aanslagen wordt echter bij Palestijnse terreurgroepen gelegd, die de jonge bedoeïenen zouden hebben aangestuurd. Doelwit van de aanslagen waren voornamelijk Israëlische toeristen, van wie er jaarlijks honderdduizenden in de Sinaï vakantie vieren.

Maar ook werd met de timing van de bommen, op verscheidene Egyptische feestdagen – waaronder de zelfbenoemde overwinning op Israël in 1973 en het aansluitende vredesverdrag – een signaal afgegeven aan de Egyptische overheid.

Maar de aanslagen zouden ook een klap betekenen voor de bedoeïenen. „Wij zijn afhankelijk van de toeristen uit Israël”, zegt Asjiesj Ainiz Salem, een leider van de Tarabin-stam uit Noeweiba. De gasten in het kamp waar Asjiesj eigenaar van is, zijn vrijwel allemaal Israëliërs. ’s Avonds zitten zij gebroederlijk met de bedoeïenen op het strand. De voertaal is Hebreeuws, een taal die de meeste bedoeïenen nog kennen uit de tijd dat de Sinaï door Israël was bezet.

De Tarabin-stam strekt zich uit over het hele noordelijke deel van de Sinai, tot in het zuidelijk deel van Jordanië en Israël, waar het Israëlische leger tevens een bedoeïenenpeloton onderhoudt. De goede relaties die de bedoeïenen met de Israëliërs onderhielden worden door de Egyptenaren met achterdocht bekeken, en is de bedoeïenen op de scheldnaam Yahud Sina (de Joden van de Sinaï) komen te staan.

„Wij maken geen deel uit van de Faraonische geschiedenis van Egypte”, legt Asjiesj de positie van bedoeïenen met rustige stem uit. „Wij komen van het Arabische schiereiland. Als de farao’s hier iets te zoeken hadden, moesten ze ons afkopen. Wij hebben hier onze eigen wetten”. De huidige ’farao’s’ van de Egyptische overheid hebben moeite met het erkennen van de onafhankelijk positie van de bedoeïenen, aldus Asjiesj. „Wij voelen ons gevangen. Wij zwerven al eeuwen door de woestijn, maar kunnen nu nergens meer heen zonder te worden gecontroleerd. Grenzen betekenen niets voor ons, net zomin als een paspoort.”

Een kilometer verderop, in een bedoeïenendorp aan zee, waar de geitenharen tenten van weleer zijn vervangen door bouwwerken van wrakhout en golfplaat, zitten vier bedoeïenen van de Maizena-stam op een muurtje. Achter hen, aan de rand van de weg, is het hoofd van president Moebarak vakkundig uit een heroïsch militair mozaïek gebeiteld.

Senim, die een beetje werkt als visser, een beetje als taxichauffeur, een beetje als gids en beetje als drugsdealer, mompelt spottend de naam die Egyptenaren zo graag aan hun land geven. ’Umm Iddonya, moeder van de wereld.’

Zijn vrienden grinniken. „Ik haat Egyptenaren”, legt Senim uit. „De Israëliërs lieten ons met rust. Ze kochten de vis die we vingen en betaalden een eerlijke prijs. Egyptenaren pakken je net af. En daarna willen ze dat je het van ze terugkoopt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden