Ontwerpen / Windmolens, maar dan anders

Alle windmolens zijn hetzelfde. Machines van staal, te groot voor het landschap. Toch: de monstermolen valt te bezweren. Hoe, dat laten vijf ontwerpbureaus zien.

door Wybo Algra

Nederland molenland, het land van de ’krakende vierwieker’, in de woorden van kunstenaar Hans van Houwelingen. Maar de nostalgische rietgedekte molen, dertig meter hoog, raakt overschaduwd door almaar grotere energiemachines van staal, aluminium en titaan. „Er zit een landschappelijke schaalfout in die ze tot een monster maakt”, zo formuleert ingenieur/filosoof Martijntje Smits het.

Vijf ontwerpbureaus laten zien dat het anders zou kunnen. Ze deden hun onderzoek in opdracht van rijksadviseur voor het landschap Dirk Sijmons.

NL Architects, bijvoorbeeld, zoekt het in allerlei manieren om windmolens dicht bij elkaar te zetten. Niet alleen door ’stammen’ te voorzien van wel zeven windturbines, als enorme knoestige bomen, maar ook door grote windparken aan te leggen met molens van verschillende hoogte die samen een bizar elektrisch berglandschap vormen. Hans van Houwelingen maakte artist impressions van windmolens, pontificaal achter de kantoortorens aan de Amstel in Amsterdam.

Ook landschapsarchitect Paul van Beek zou de turbines het liefste in de stad neerzetten. „De nieuwste molens zijn tot de as honderd meter hoog. Die molens draaien altijd in een mooi, rustig tempo en ze maken steeds minder herrie. Ook hebben die grote molens een grotere behuizing nodig. Op de grond staan geen lelijke schakelkastjes en transformatorhuisjes meer, die zijn keurig weggewerkt. Er past een restaurant in, of een kantoor.”

Een stuk of vijf van die supermolens, becijferde hij, volstaan om alle huishoudens in een gemeente als Goes (37.000 inwoners) van stroom te voorzien. Van Beek zette die molens neer in de weilanden aan de noordkant van de provinciestad. Deze beelden vulde hij aan met koolzaadvelden en snelgroeiende populierenbossen, beide om te gebruiken als biobrandstof, en ziedaar: een heel nieuw landschap.

Het is voor sommigen een lastige boodschap dat het landschap verandert, erkent hij, zeker als dat moedwillig gebeurt. „Maar feitelijk doen we al honderden jaren niet anders. De Betuwe, de Brabantse zandgronden, heel Nederland hebben we zelf gevormd. We wonen in een park, een paradijs onderhand. Daarin kunnen we ook windmolens een weloverwogen plaats geven.” Zoals ze nu worden neergezet, in keurig rechte patronen of rijtjes langs snelwegen, dijken en kanalen: Van Beek heeft het er helemaal mee gehad.

Toch zijn er in de jaren tachtig en negentig best mooie dingen gedaan met windmolens, vindt opdrachtgever Dirk Sijmons. „Zoals langs het Noord-Hollands Kanaal, waar ze in de knikken zijn neergezet. Dan zie je de bocht al van kilometers afstand aankomen. Of aan het IJsselmeer langs de A6, de snelweg door de Flevopolder: heel indrukwekkend.” Alleen, de bestaande molens zijn gewoonlijk tot zestig meter hoog. De nieuwste exemplaren gaan daar ruimschoots overheen met een ashoogte van meer dan honderd meter – waar de wieken dan nog ver boven uitsteken.

Sijmons: „Je moet bovendien bedenken dat van de huidige 1700 windmolens, 85 procent bij boeren op het erf staat. In het zwartste scenario krijg je straks van die nieuwe reuzen, volstrekt willekeurig in het landschap.”

Er zijn allerlei manieren om met dergelijke nieuwe technologieën om te gaan, zegt Sijmons, verwijzend naar ingenieur/filosoof Martijntje Smits: van uitbannen tot omhelzen, ja zelfs heilig verklaren. In de visies van de vijf ontwerpbureaus zag hij alle varianten terug. De heiligverklaring in de wijdvertakte creaties van landschapsarchitect Paul van Beek, de uitbanning in het voorstel van het toonaangevende bureau MVRDV om een gigantisch Europees windpark op de Doggersbank te bouwen, midden in de Noordzee, met in het midden een eiland met vakantiehuizen. Voor de kust van Egmond is al een windmolenpark op zee in aanbouw: de eerste vijf van de 36 molens staan er. Daar kijkt Paul van Beek vanuit zijn strandhuisje in Castricum op uit. „Het is reuze interessant hoe daar op het strand over wordt gepraat”, rapporteert hij. „De een vindt het geweldig, de ander wil er met een bootje met dynamiet naartoe om de boel op te blazen.”

Zelf is hij helemaal om. „Het is prachtig dat we het energieprobleem op eigen land en zee op kunnen lossen.” Om twijfelaars over de streep te trekken, kleedde hij de molens aan: van zuurstokstrepen tot een rieten dak en wieken compleet met vlaggetjes. „Dat vinden mensen leuk. Maar architecten zullen er wel misselijk van worden”, vermoedt hij.

Ze zijn in elk geval niet de eerste keus van Albert Jansen. Aankleding hoeft van hem niet: „De techniek overheerst toch.” Jansen werkt bij SenterNovum, agentschap voor duurzaamheid en innovatie van het ministerie van economische zaken. Jansen begeleidt provincies en gemeenten bij het plaatsen van windmolens.

Windmolens, denkt Jansen, horen meer te zijn dan een noodzakelijk kwaad: ze moeten betekenis krijgen in het landschap. Vandaar de adviesaanvraag van SenterNovum aan rijksadviseur voor het landschap Sijmons. Deze gebruikt de vijf visies voor zijn eindadvies aan SenterNovum. Dat is in september klaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden