Ontsnapt aan de reisleider

De nieuwe synagoge van Szeged geldt als de mooiste van Europa. Wat verscholen achter bomen en struiken ligt hij acht tot tien meter van de straat. Dat was de eis van de katholieke gemeenschap. De bevolking mocht bij de bouw in 1907 niet te veel worden geconfronteerd met deze synagoge. Het Moors aandoende godshuis in art-nouveaustijl oogt aan de buitenkant al monumentaal, maar vooral binnen raak je onder de indruk van de schoonheid. Het bouwwerk, dat bijna vijftig meter hoog is, rust op romaanse zuilen.

Er is een keur aan gebrandschilderde ramen, die de joodse feestdagen symboliseren. De deur van de ark van het verbond is gemaakt van Egyptisch acaciahout, net als de eerste ark uit het bijbelboek Exodus en de scharnieren zijn in de vorm van hysopplanten. Het eeuwig brandend licht boven de ark wordt gevoed door een zonnecel. De bronzen kandelaren op het altaar zijn een kopie van die uit de verwoeste tempel in Jeruzalem. Ze zijn met halfedelstenen ingelegd. De hoofdsteen van het altaar is van Jeruzalems marmer. Er is voor 1340 mensen een zitplaats. Hooguit een tiende wordt bezet.

Het pronkstuk van de synagoge is de koepel. De 24 kolommen vertegenwoordigen de uren van de dag. De koepel symboliseert het firmament en het blauwe glas is bezaaid met sterren. In het midden staat de ster van David en eromheen zijn zonnestralen weergegeven. De inrichting is grotendeels uitgedacht door opperrabijn Immanuel Low, die als negentigjarige in 1944 ternauwernood ontsnapte aan deportatie naar de vernietigingskampen. Aan die tijd herinnert een foto-expositie in het gebouw. Op een van de foto’s is te zien hoe de synagoge werd gebruikt als opslagplaats voor de bezittingen van de weggevoerde joden. Voor de Holocaust had Szeged een joodse gemeenschap van 8000. Nu zijn er nog 500.

Ook een eeuwfeest is er dit jaar voor het architectonische hoogstandje van Szeged, het Reökpaleis. Helaas staat het op dit moment in de steigers. Het gebouw is een voorbeeld van de Hongaarse Jugendstil en lijkt sterk op de scheppingen waarmee Antoní Gaudi de stad Barcelona verfraaide. Ede Magyar, die het paleis ontwierp in opdracht van ingenieur Iván Reök, wordt beschouwd als een leerling van de Spaanse architect. Magyar werd slechts 35 jaar maar reisde heel Europa door en verwerkte zijn opgedane indrukken in zijn ontwerpen. Vooral mooi in en aan het Reökpaleis zijn de buitengevel en de trap met smeedijzeren bloemen. Het gebouw wordt door de bewoners van de stad aangeduid als ’lófaraháznak’, paardenkonthuis, omdat het achter het standbeeld staat van een huzaar te paard.

Twee keer per dag, om kwart over twaalf en kwart voor zes, gaan op het Domplein de blikken omhoog. Terwijl de tonen klinken van het liedje ’Szeged, de beroemde stad’ gaan in een muur van het universiteitsgebouw aan weerszijden van de klok deurtjes open en draaien twaalf kleurig aangeklede studenten naar buiten. Even later gaan twee deurtjes er boven open en verschijnen er twee professoren. Ten slotte komt de rector zelf naar buiten, gemodelleerd naar graaf Kuno Klebelsberg, de beroemdste universiteitsbestuurder. Muzikale klokken waren niet ongewoon in middeleeuwse universiteiten, maar die van Szeged, van klokmaker Ferenc Csúri en houtbewerker Jozsef Kúlai, zijn uniek.

Niet ver van de universiteit staat aan het Plein van de Martelaren van Arad de Hösök Kapuja, de Heldenpoort voor de gevallen soldaten van de Eerste Wereldoorlog. De arcade van de poort wordt grotendeels gevuld met een enorm, nogal gezwollen nationalistisch fresco van Vilmos Aba-Novák. Centraal staat de opgestane Christus, omringd door engelen met trompetten, die wachten op het Laatste Oordeel. Ook de beschermheiligen Sint Joris en Sint Barbara hebben een plaats gekregen, net als een aantal kruisdragers. Een van hen heeft de beeltenis van de maker. Het was via deze Heldenpoort dat in 1920 de latere dictator Miklós Horthy met zijn nationalistische leger Szeged binnentrok en de strijd begon tegen de communistische radenrepubliek die in Boedapest was gevestigd. Toen de communisten na 1945 aan de macht kwamen in Hongarije, werden de muurschilderingen overgeschilderd. Maar in 2000 werden ze in de oude stijl hersteld.

Een ander teken van verzet tegen het communisme staat aan de andere kant van het Martelarenplein. Het staat er ter herinnering aan de opstand van 1956. De Vlinder van de Vrijheid is een enorme, net uit de cocon gekropen vlinder, die de vleugels nog moet gaan uitslaan. Een groepje jonge mensen – waarvoor echt bestaande Hongaren model stonden – draagt de vlinder en probeert hem de lucht te laten kiezen. Maker Miklós Melocco, die zelf achterin de groep staat afgebeeld, is de zoon van een journalist die publicaties schreef die het regime onwelgevallig waren en daarvoor werd opgehangen.

Twee musea over de communistische periode van Hongarije kent het land. Het ene staat in de hoofdstad Boedapest; het andere is als Emlékpont (Herdenkingsplaats/Herdenking.Punt) eind vorig jaar in Hódmezövásárhely geopend. Het gerucht wil dat dit communismemuseum er vooral kwam door de inzet van de nogal conservatieve burgemeester van deze stad, 25 kilometer ten noordoosten van Szeged. Emlékpont is volgens de moderne technieken ingericht, met veel oral history en interactieve elementen.

Heel opvallend zijn de metershoge betonnen replica’s van grenswachten uit de jaren vijftig. Ze staan met hun voeten in het souterrain en hun hoofden komen boven het dak uit. En uniek is de Lenin die op de voorgevel met de billen op de wc-bril zit. Hódmezövásárhely was tot 1945 een landbouwgebied met 6000 boerderijen. Na de communistische periode zijn er nog 600. Zustergemeente Haarlemmermeer helpt de regio om de landbouw weer op te krikken.

Rijke boeren werden gedeporteerd. In het museum hangen ook honderden pasfoto’s van soms nog levende mannen en vrouwen die voor het regime werkten. Het lijkt toch wel wat op een volksgericht. In een van de zalen hangen de geschilderde voorbeelden van socialistisch realisme: de geüniformeerde zoon komt terug uit de Sovjet-Unie en de familie hangt aan zijn lippen terwijl hij zijn enthousiaste verhalen vertelt. Midden in de zaal staat Iván, een Russische soldaat die ooit in het lokale park stond. In 1956 werd hij omver gehaald, daarna weer opgelapt en in 1990 moest hij in een uren durende operatie opnieuw het loodje leggen. Nu heeft hij zijn laatste ’ereplek’.

Met zijn gele stenen domineert het Nationale Theater de omgeving van het Széchenyiplein. Het is ontworpen door het Weense architectenduo Ferdinand Fellner en Herman Hellmer, die zich hadden gespecialiseerd in theaters. Tussen 1870 en 1914 hadden ze er 48 neergezet, vooral in Midden-Europa. Die in Szeged is uit 1883, dus van vlak na de overstroming. De komst ging overigens niet zonder strubbelingen gepaard. Hongaarse architecten protesteerden luid tegen het gunnen van de opdracht aan een Oostenrijks bureau. Het neobarokke bouwwerk brandde al na twee jaar af maar kon, gerestaureerd, een jaar later alweer in gebruik worden genomen. Het interieur met zijn fresco’s, stucwerk en klassieke loges is een lust voor het oog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden