Ontsnapt aan de reisleider: Orléans

(Trouw)

Het hele verhaal van Jeanne d’Arc is te zien in de kathedraal Sainte-Croix in tien grote glas-in-loodramen. De ramen dateren uit 1933, maar zijn sterk geïnspireerd op de middeleeuwse beroemde ramen van de kathedraal van Chartres. Vooral als de zon schijnt, is in sprankelende kleuren het hele verhaal in een stripachtige vorm te volgen. Na door brand te zijn verwoest, te zijn ingestort en later vernield te zijn door de hugenoten, is de kerk voor de vierde keer opgebouwd in de 17de eeuw. Helemaal in de stijl van de flamboyante ofwel late gothiek. Dat is opmerkelijk, want in die tijd was Renaissance helemaal in. Maar de bewoners van de stad wilden per se gotische architectuur, zowel binnen als buiten rijk aan decoraties en kunst.

Schuin tegenover de ingang van de kathedraal ligt het belangrijkste museum van de stad, met een aantal bijzondere collecties schilderijen en pastels. Doordat Orléans vanwege de scheepvaart in de Loire eeuwenlang een actieve en rijke stad is geweest, zijn hier veel portretten te zien met leden van belangrijke families uit de bourgeoisie en aristocratie. Met een verleidelijk lachje kijkt Madame de Pompadour, geschilderd door Drouais (1763), je aan met wit gepoederd haar, bleke huid met te rode wangen en veel kant en strikken. Verderop hangt een serie pastels in zaal 8, waar het portret van een donkere man (door Maurice Quentin de la Tour) opvallend aanwezig is en ook het kastje met kleine miniaturen die in medaillons zijn verwerkt. Een etage naar beneden zie je de tijd veranderen en is het portret van een angstig kijkende oude vrouw door Eugène Delacroix (1824) nog zo’n parel.

Als je vanaf Place du Martroi de Rue Royale afloopt, hoef je niet nat te worden, want de hele straat heeft arcadebogen, waaronder zich luxueuze winkels bevinden. Vervolgens ga je bij pont George V naar rechts en dan is er een brede kade langs de Loire waar hoge bomen en het water voor verkoeling zorgen. Hier gaan families nog steeds elke zondag na de uitgebreide lunch flaneren, en tegenwoordig ook skaten. Verderop ligt er het nieuwe plein Place du Loire met bioscopen, maar daarbovenop is een strak vormgegeven parkje en een hip en culinair goed aangeschreven restaurant Le Lift. Een groot wit paard staat er op tafel en het is modern ingericht in de stijl van Philip Starck. Direct aan de oevers staan kleine platforms met metalen fauteuils en tafeltjes waar je je eigen flesje wijn kunt nuttigen.

Doordat de Loire een toe- en afvoer haven was, bleven hier de al gegiste en ondrinkbare wijnen achter waar azijnen van werden gemaakt. Merken als Desseux produceerden hier azijnen en mosterds, maar vele zijn inmiddels vertrokken uit de stad en alleen de vinaigre van Martin Pouret wordt nog in de stad gemaakt – op natuurlijke wijze zonder toevoegingen aan het proces. In de Châtelet des Halles, een grote overdekte markt, zijn naast de azijn en mosterd nog veel meer regionale producten van hoge kwaliteit te koop: wijn, brood en kazen. Bijvoorbeeld Cendré d ’Olivet-kaas en de L’Orleanais-wijn. En niet te vergeten Cotignac d’Orléans, een pasta op basis van kweepeer. De kweeperen die in oktober in de streek worden geplukt, geven een oranjekleurige stroop die warm in een epicea houten vorm wordt gegoten.

Onder rozenkwekers is de omgeving van Orléans een begrip en als particulier kun je iets van de kunst van het kweken van rozen zien in de vele parken en tuinen. Bekend en groots is le Parc Floral de la Source, buiten het centrum. Maar even de rivier oversteken en je loopt over knisperende wandelpaden in Jardin des Plantes. Ook hier is een rosarium en zijn exotische bloemperken te vinden waar bordjes bij staan met poëtische titels als ’Secret des senteurs’ (’Geheim van de geuren’). Er staan zonnebloemen midden tussen bananenplanten en bamboe. Grillige vormen van verschillende cedersoorten geven de nodige schaduw.

In Saint-Jean-de-Braye, net naast het centrum van Orléans, is nog een werkplaats van klokkenmakers te vinden waar de tijd letterlijk heeft stilgestaan. Vanaf 1715 giet de familie Bollée bronzen klokken voor kerken en andere gebouwen in heel Frankrijk, en tegenwoordig de hele wereld. Vietnam, Chili, Ivoorkust: overal hangen de klokken van Bollée omdat ze zo mooi van klank zijn. Het is dan ook niet enkel een mal van klei maken en daarmee met een legering van koper en tin (brons) een vorm gieten. Hogere wiskunde komt eraan te pas, want een millimeter te dik, en de toon valt helemaal verkeerd. Amédée Bollée bedacht een formule waardoor deze familie heel bekwaam is geworden in haar vak. Naast de werkplaats is er een klein museum, dat te bezichtigen is op afspraak of met een groep. De vuren worden nog op hout gestookt. De geur van bijenwas is indringend aanwezig.

Zowel buiten als binnen een opmerkelijk gebouw, daterend uit 1550 en genoemd naar de stichter Groslot, een rijke leerlooiersfamilie. Architect Jacques Androuet du Cerceau bedacht een gevel met rode bakstenen met versieringen. Na de revolutie werd het pand tot in de jaren zeventig gebruikt als stadhuis. Nu zijn de rijke gedecoreerde zalen met kroonluchters, gouden decoraties en antieke meubelstukken, zoals lange houten tafels met ingelegd leer uit Córdoba, iedere dag te bezoeken. Behalve op zaterdag, want dan willen alle paren uit Orléans die elkaar het ja-woord willen beloven, dat te midden van zoveel oude pracht en praal doen.

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden