Ontsnappen aan het dal der plichten

Een biografie van Nescio

Jaap Goedegebuure

Van de meeste prominenten uit de Nederlandstalige literatuur van de twintigste eeuw is allang een biografie voorhanden. Nescio (1882-1961) vormt een merkwaardige uitzondering. En dat terwijl het drieluik ’Dichtertje – De uitvreter – Titaantjes’ de status van klassiek meesterwerk geniet. Inmiddels is Nesciokenner Lieneke Frerichs weliswaar bezig met een biografie, maar Maurits Verhoeff schrijft in de inleiding van een pas verschenen bundel met achttien opstellen dat sommige archieven nog zo ontoegankelijk zijn dat een afgeronde levensbeschrijving van Nescio wat hem betreft niet aan de orde is. Hooguit mogen we zijn achttien stukken als bouwstenen beschouwen.

Valt daaruit niet alvast een noodgebouwtje op te trekken? Als fundering kan misschien Nescio’s uitspraak gelden dat hij niets wist te verzinnen. Vorig jaar werd dat weer eens bewezen met de publicatie van twee brieven die Frits Grönloh (zoals Nescio voor vrouw en vrienden heette) vanuit het Zeeuwse havenstadje Veere naar huis schreef. Hij had vrij van van kantoor genomen om even uit te kunnen waaien. In de toelichting op die twee epistels betoogde Lieneke Frerichs overtuigend dat tijdens de Zeeuwse dagen het legendarische personage van Japi de uitvreter het licht zag.

Dat de jonge Grönloh en zijn bohémienvrienden zelf model hebben gestaan voor de jonge hemelbestormers die de Titaantjes vormen wisten we al. Voor zover dat nog niet was gebeurd, brengt Verhoeff ze thuis in de burgerlijke stand. Van schilder Johannes Zwolsman, alias Bavink, krijgen we zelfs wat reproducties te zien. En de idealistische aspiraties van Koekebakker, Nescio’s alter ego, worden door de aspirant-biograaf teruggevoerd op Grönlohs bemoeienissen met de vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit. In navolging van goeroe Frederik van Eeden ijverde dat gezelschap voor commune-achtige landbouwkolonies in het Gooi. Toen Nescio ’Titaantjes’ op papier zette had hij zijn sociale illusies al zien vervliegen, en dus dreef hij flink de spot met Van Eeden en zijn ideeën, maar vóór zijn ontnuchtering beschouwde hij het aardse paradijs wel degelijk als een te verwezenlijken mogelijkheid.

’Dichtertje’ bevat zoals bekend het portret van een eerzaam kantoorklerkje dat ervan droomt groots en meeslepend te leven en dan diep te vallen, want dat hoort nu eenmaal bij dichters. Hij verlieft zich op zijn schoonzuster, gaat met haar naar bed, en wordt vervolgens mal, net als Bavink. Zo ver kwam het met de schrijver niet, maar nog vele jaren later maakte zijn echtgenote er geen geheim van dat ze ’Dichtertje’ niets leuk vond.

Dat Grönloh wel eens zal hebben gedagdroomd, tijdens zijn jaren als procuratiehouder en tenslotte zelfs als directeur van een Amsterdamse handelsonderneming, mogen we afleiden uit wat Verhoeff ons daarover vertelt. De auteur Nescio was in die tijd zo goed als begraven in ’het dal der plichten’. Na 1919, toen de eerste druk van ’Dichtertje – De uitvreter – Titaantjes’ verscheen, schreef hij weinig meer en publiceerde nog minder. De verschijning van zijn tweede boek, ’Boven het dal’, gevuld met allerlei oude stukjes en schetsen uit zijn archief, viel nagenoeg samen met zijn levenseinde.

Eenmaal gepensioneerd (al ver voor zijn zestigste) gaf Nescio zich over aan zijn intensieve lectuur en vooral aan zijn passie voor de natuur. Hij begon een dagboek bij te houden waarin hij minutieus vastlegde wat hij op zijn regelmatige wandelingen rond Amsterdam had gezien en ervaren.

God komt daarin zo regelmatig ter sprake dat er regelmatig is gedacht – ook door mij – dat Nescio bevlogen was door een seculier soort van religiositeit. In een uitvoerige beschouwing, de beste van zijn boek, betoogt de theologisch geschoolde Verhoeff dat we in Nescio vooral geen moderne mysticus moeten zien. Weliswaar belichaamde het oude Hollandse en tot zijn grote verdriet met vernietiging bedreigde cultuurlandschap de paradijselijke volmaaktheid, maar hij voelde maar al te goed dat hij er in feite van buitengesloten bleef. En daarmee had hij uiteindelijk vrede. Het hoogste wat hij kon bereiken en in geschrifte vastleggen was de met ironie omhulde, aan Prediker verwante weemoed om alles wat voorbijgaat en toch ook blijft, zoals het water dat altijd maar van de bergen naar zee stroomt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden