Ontregelen,sarren en beroeren

Geplaagd door miskenning bekeek James Ensor de wereld vanaf de zolder boven een winkel. Hij maakte er doeken vol dood, seks en agressie.

Twee dingen zijn funest voor een kunstenaar, zo luidt een van de leukste paradoxen in het toch al niet van leuke paradoxen gespeende oeuvre van Oscar Wilde, erkenning én gebrek aan erkenning. Die uitspraak was natuurlijk gevat bedoeld maar tegelijk schuilt er wel degelijk iets van waarheid in. Zoals de beste boeken soms worden geschreven op een zure maag, zo kan tegenslag een kunstenaar tot grote hoogten opstuwen. Uitgebleven roem, slechte kritieken en miskenning, mits toegediend met enige mate, maken bijzonder hongerig.

Een goede illustratie hiervan is het leven van James Ensor (1869-1949). Zijn vader was een Engelse ingenieur, zijn moeder dochter van een Vlaamse winkelier. Hij werd opgeleid aan de Brusselse Academie - 'een asiel voor blinden en slechtzienden', aldus de kunstenaar. Hij bracht het grootste deel van zijn leven schilderend door op de zolderverdieping boven de Oostendse feestwinkel van zijn moeder. Daar, tussen de maskers en chinoiserieën, maakte hij in pakweg tien jaar tijd een ontwikkeling door waar andere kunstenaars een heel leven over doen. Hij schilderde stemmige zeegezichten, fonkelende stillevens en rokerige genrestukken, tot hij rond 1890 zijn eigen vorm vond: een claustrofobisch symbolisme vol maskers, duivels en geraamtes.

Op de tentoonstelling in het Haagse Gemeentemuseum zijn daar mooie exemplaren van te zien. Bijvoorbeeld: een chic geklede vrouw met een paraplu en een enorme neus schrijdt statig een kamer binnen - in alles een pauw, behalve in schoonheid ('De verbazing van het masker Wouse', 1889). Een groepje schedels en poppen lijkt langzaam op te stijgen, als vliegende schotels ('Pierrot en skeletten', 1905). Twee skeletten steken elkaar lek tegen de achtergrond van een opgehangen lijk - bruine smurrie stroomt langs hun botten; op de achtergrond wacht een horde gewapende monsters grommend op hun beurt ('Skeletten twisten om een gehangene', 1891).

In Ensors tijd werden zulke doeken beschreven als 'de producten van een ziek brein' en ook nu is het soms nog moeilijk om er chocola van te maken. Cruciaal is waarschijnlijk hun epaterende werking. Ensor was een boosaardige provocateur, die geplaagd werd door gevoelens van miskenning, en die met zijn doeken (en etsen) vol dood, seks, agressie en scatologische humor de bourgeoisie en de negentiende-eeuwse kunstkenners (wat ongeveer op hetzelfde neerkwam) op de kast probeerde te krijgen. Kunst was voor hem in de eerste plaats een middel om te sarren en te ontregelen; geen kijker zou onberoerd blijven.

Neem 'Carnaval op het strand' (1880-1885). Het toont een thema dat sinds Bosch en Brueghel geldt als een klassieker in de kunstgeschiedenis: een landschap gevuld met mensen tot zover het oog reikt; het theater van de wereld; de grand guignol. Twee hondjes copuleren in de golven. Een stelletje staat te tongen in de branding. Een jongetje speelt met een zeilboot - met een dikke scheet brengt hij het voortuigje vooruit. Ensor bezag de recreërende massa's - 'het deed mij veel pijn toen het publiek schaterde of zijn verontwaardiging liet blijken; [...] daar heb ik geleerd hen te haten' - soms met amusement en altijd met vervreemding. Hij was de buitenstaander, de klinische observator die vanaf zijn zolderverdieping het leven door een dunne ruit aan zich voorbij zag trekken; een palet rustend op de arm; het hoofd, in Pessoa's woorden, een 'gekkenhuis vol karikaturen.'

Aan die eenzame afzondering kwam snel een eind. Rond 1910 werd een nieuwe generatie moderne schilders op het schild gehesen en zij zagen Ensor als voortrekker en pionier. Er verschenen lovende kritieken, retrospectieven en zelfs een adellijke titel - de kunstenaar werd een levend monument en zijn huis in de Vlaanderenstraat werd een trekpleister voor aspirant-kunstenaars (Roger Raveel) en beroemdheden (Albert Einstein). Echt goede schilderijen zou Ensor daarna niet meer maken. De warme knuffel van het publiek had zijn woede getemperd - en daarmee zijn werkdrift.

James Ensor; Universum van een fantast.
Gemeentemuseum Den Haag, nog te zien tot 13 juni.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden