Onterecht verguisd als ’teutonenvriend’

Morgen voert het Koninklijk Concertgebouworkest de Tweede symfonie van de Nederlandse componist Jan van Gilse uit, een symfonie die het orkest in 1904 in première bracht. Die première was destijds een goed begin voor Van Gilse, maar contrasteerde fel met de schrijnende laatste jaren van zijn leven.

Het is oneerlijk. Er is nog nooit een Nederlandse componist geweest die zó veel heeft gedaan voor het muziekleven in dit land en die tegelijkertijd zó met de grond gelijk werd gemaakt als Jan van Gilse (1881-1944). De rol die Van Gilse hier ten lande speelde was niet alleen die van dirigent en componist, maar ook die van oprichter en geestelijk vader van muziekorganisaties waarvan zijn componerende collega’s nu nog steeds de vruchten plukken.

Ga maar na: in 1911 richtte Van Gilse het Genootschap voor Nederlandse Componisten op en in 1913 volgde de oprichting van de auteursrechtenorganisatie Buma. Hij was bovendien betrokken bij de oprichting van promotie-organen, zoals Maneto in 1937. Zonder Van Gilse was Donemus, de uitgever van hedendaagse Nederlandse muziek, er niet geweest. En zonder Van Gilse zouden veel componisten hun auteursrechten nu niet uitbetaald krijgen.

Van Gilse, Rotterdammer van geboorte, studeerde in Duitsland. Hij begon bij Wüllner in Keulen en sloot zijn conservatoriumstudies in 1905 af bij Engelbert Humperdinck in Berlijn. Uit zijn studietijd bij Humperdinck dateert de Tweede symfonie in Es: het eerste werk van Van Gilse dat door het Concertgebouworkest, onder de toen al beroemde dirigent Willem Mengelberg, zou worden uitgevoerd. Van Gilse schreef in een toelichting op het werk dat niet Wagner, maar de veel moderne Mahler zijn sporen had nagelaten in zijn Tweede. Van Gilse had Mahler als dirigent aan het werk gezien tijdens de repetities van diens Derde symfonie en raakte „aangegrepen door de macht van de persoonlijkheid en diens werk, gevoelens die hij sedertdien niet meer heeft verloren.”

De eerste uitvoering van Van Gilse’s Tweede in 1904 werd positief ontvangen. Recensenten noemden de jonge componist ’begaafd’, hoewel de geest van Wagner volgens een van de critici nog duidelijk hoorbaar rondwaarde: ’Vooral in den eersten en derden satz ’götterdümmert’ hij nogal veel.’

Behalve als componist was Van Gilse ook werkzaam als dirigent. Eerst bij de opera in Bremen en de Noord-Nederlandsche Opera in Amsterdam. Toen hij Tijdens de Eerste Wereldoorlog weer naar Nederland terugkeerde, werd hij tot 1921 dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest. In Utrecht vervulde hij in de jaren dertig ook de functie van directeur van het conservatorium. In 1909 dirigeerde Van Gilse zelfs het Concertgebouworkest, in een programma dat naast zijn eigen Derde symfonie ook werk van Cornelis Dopper tot klinken bracht. Zeer tot tevredenheid van het orkest, het publiek en de critici.

Hoewel chefdirigent Mengelberg Van Gilse al in 1908 tipte als zijn assistent, is die aanstelling er nooit van gekomen. Wel kon Van Gilse aan de slag in Utrecht, waar hij slachtoffer werd van een controverse met muziekrecensent en componist Willem Pijper. Agressor in deze groteske vete was zonder twijfel Pijper, die vlak na de Eerste Wereldoorlog afstand nam van de Duitse muziek, om de Franse des te hartelijker te omhelzen.

Kort daarvoor schreef Pijper overigens nog schaamteloos in de stijl van Wagner en Brahms, maar die laat-romantische liefde wisselde hij met graagte in voor de anti-Duitse stemmingmakerij die het Nederlandse klimaat in die tijd zo kenmerkte. Pijper zorgde er in zijn krantenstukjes voor dat de in Duitsland opgeleide Van Gilse te boek kwam te staan als een soort teutonenvriend. De arme dirigent, die in werkelijkheid noch tegenstander was van Pijper, noch van de Franse muziek, werd het leven onmogelijk gemaakt. Pijpers vuilspuiterij leidde tot een hetze tegen Van Gilse – en uiteindelijk zelfs tot diens ontslag bij het Utrechtse orkest.

Het is overigens opvallend dat het juist Van Gilse was die zich al vóór de Tweede Wereldoorlog ontpopte tot felle anti-fascist, terwijl Pijper zonder morren zijn ariërverklaring tekende.

In 1941 trok de moegestreden Van Gilse zich terug uit het muziekleven, om tot zijn dood in 1944 onder te duiken bij componist Rudolf Escher in Oegstgeest. Zijn zoons werden door de Duitse bezetter gedood, hijzelf sleet zijn laatste jaren ziek en teleurgesteld in Nederland. „Jan gaat de laatste jaren steeds meer van zijn land houden”, schreef Van Gilse’s echtgenote een paar jaar voor zijn dood veelzeggend in haar dagboek, naar aanleiding van een bezoek van het echtpaar aan het Mauritshuis. „Lang voor de ’David en Saul’ van Rembrandt gestaan, diep in ons laten gaan. Buiten door ’t raam Vijverberg met veel meeuwen... zoo mooi, en alles zoo Hollandsch! Jan plotseling ogen vol tranen... gedachte wanneer zullen ze mij in mijn eigen land begrijpen. Domme lui die niet begrijpen dat Jan misschien meer voor zijn land voelt als alle schreeuwende nationalisten die een Hollandsche muziek willen dwingen door afsluiten van invloeden van buiten, door enigheid... alsof door bekrompenheid ooit iets echts ontstaan is.”

De Tweede symfonie van Van Gilse wordt op 24, 25 en 26 januari uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest olv Markus Stenz, in het Concertgebouw Amsterdam. Op 23 maart spelen ensembles van het Utrechts Conservatorium in het Utrechtse Vredenburg tijdens een gratis lunchconcert om 12.30 uur: ’Trio voor fluit, viool en altviool’, ’Strijkkwartet’ en ’Nonet’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden