Ontbreken van ware handbalcultuur breekt Oranje op

door Fred Troost

Binnen een week zijn de handbalsters in Nederland terug. Gedesillusioneerd, afgedroogd, op de plaats gezet na een mislukt EK. Hoe kon het in Zweden zo mis gaan?

De Nederlandse vrouwen verloren alle voorrondewedstrijden, soms met forse cijfers. Dat was heel wat anders dan coach Sjors Röttger had voorspeld: ,,Het worden wedstrijden waarin het één minuut voor tijd 30-30 staat en dan is het onze taak met 31-30 te winnen en niet met 31-30 te verliezen.” Maar het werd 16-26 tegen Spanje, 23-30 (Denemarken) en 26-28 (Frankrijk).

De afgang voedt de gedachte dat de vijfde plaats op het WK van vorig jaar een toevalstreffer is geweest. Waarom ging het dit keer mis?

Dat het team geteisterd werd door fysieke malheur is even evident als relevant. Vlak voor vertrek haakte Natasja Burgers af. Saskia Mulder en Joyce Hilster werden door blessureperikelen geremd. Pearl van der Wissel heeft na een knieoperatie hard aan haar herstel gewerkt en was wel tijdig wedstrijdfit maar niet topfit.

Niet de blessuregolf maar het daaruitvolgend vormtekort van de geblesseerden werd de ploeg fataal. Vervangsters – jong, goedwillend en strijdbaar – zijn er wel, maar missen inzicht, precisie en koele rust, kortom ervaring. Valt Mulder of Hilster weg, dan is het gevaar vanuit de hoeken en navenant de scoreproductie significant minder. Een kwalitatief evenwaardige vervangster van Burgers is er nog niet en een Van der Wissel in vorm is eigenlijk niet te vervangen.

De te smalle basis van zijn Oranje-selectie gaf Röttger vooraf al reden tot zorg, al verpakte de aartsoptimist die wel heel eufemistisch: ,,In de fysieke pijler hebben we veel uitdagingen.”

De coach werd bovendien met een recent opspelend fenomeen geconfronteerd: wedstrijdwispelturigheid. In toernooien en oefenpartijen vóór het EK manifesteerde die zich ook al. Ineens zakt de ploeg onverklaarbaar een periode in, alsof de concentratie wegvloeit. Iedere gehaaide tegenpartij profiteert onmiddellijk en slaat een niet meer te dichten gat. Het gebeurde donderdag tegen Spanje na rust en zaterdag tegen Denemarken kort na het begin. Daarna is het achter de feiten aan hobbelen, en dan is het te laat.

Deze oorzaken mogen tijdens dit abominabele EK manifest zijn geweest, zij vervagen bij een structurele oorzaak: het ontbreekt in Nederland aan handbalcultuur. Handbal is een kleine sport die aan de rand van het Nederlandse sportpalet een miniem stekje vindt en dat heeft repercussies. Alleen supporters uit eigen kring, binnenwaarts gericht zonder landelijke uitstraling en derhalve weinig media-aandacht. Vergelijk dat eens met Denemarken, waar de tv wekelijks live competitieduels uitzendt en handbalsters nationale bekendheden zijn.

Nederland heeft, zoals de opponenten Spanje en Frankrijk, geen professionele competitie; internationals moeten hun heil in het buitenland zoeken. Daar worden ze wel beter van, maar het helpt niet echt aan het ontwikkelen van homogeniteit in de Oranjeploeg.

Het is de vraag of dát ooit goed komt. Speelsters zijn tot op zekere hoogte tot toppers te ontwikkelen; de Handbal Academie op Papendal is wat dat betreft een prima opleiding. Aan mankementen in wedstrijden kan gewerkt worden; daar zijn trainingen voor. Maar om een sport vanuit een, nationaal gezien, genegeerde positie op het aandachtsniveau van topsport te brengen is meer nodig dan een eenmalige vijfde WK-plaats die iedereen, behalve de geringe aanhang, een week later alweer vergeten is.

In dat gebrek aan uitstraling ligt de essentie van het falen van afgelopen week, in het gemis namelijk van een innerlijk verankerd geloof dat een topplaats op een WK of EK een vanzelfsprekendheid is.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden